Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/1.1
1.1 Introductie van het onderwerp
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624972:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
DNB Kwartaalbericht december 2009, p. 66 e.v., in het bijzonder Grafiek 3 op p. 67. De crisis hield nog enkele jaren aan en leek pas in 2013 zijn hoogtepunt te hebben.
DNB Kwartaalbericht december 2009, p. 66 e.v.
De totale omvang van de met het hypotheekrecht verzekerde vordering volgt uit de omschrijving daarvan in de hypotheekakte (art. 3:260 lid 1 BW). Die vordering bestaat doorgaans uit méér dan de verstrekte lening alleen (de hoofdsom); zie voor de dekking van de verschuldigde rente ook art. 3:263 BW. Van Mierlo omschrijft enkele standaardtypen hypotheken waarbij het hypotheekrecht tevens is gevestigd voor toekomstige vorderingen van de financier op de hypotheekgever, zoals bij een bankhypotheek (Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/293).
Het uitblijven van betaling raakt niet alleen de financier zelf. Deze ‘non-performing loans’, leningen waarop kort gezegd niet (meer) wordt betaald, worden in verband gebracht met financiële (in)stabiliteit op de kapitaalmarkten. Vanwege deze invloed van de commercieel vastgoedmarkt op de financiële stabiliteit binnen Nederland en Europa (Zie ECB Commercial Property Markets 2008, p. 14 e.v.) zijn via het publiekrecht (financieel toezicht) al verschillende maatregelen genomen om de risico’s die (met name systeem)banken lopen, te reduceren. Zo zijn op zowel nationaal als Europees niveau onder meer zogenaamde Asset Quality Reviews (AQR) uitgevoerd, die hoofdzakelijk beogen de boekwaarde van onder meer commercieel vastgoed(leningen) in overeenstemming te brengen met de werkelijke waarde. Zie Kamerstukken II 2012-2014, 33260, nr. 1-4 (Waardering Commercieel Vastgoed), ECB Eindverslag van de alomvattende beoordeling 2014, ECB Asset Quality Review Phase 2 manual, par. 5.6, te raadplegen via www.bankingsupervision.europa.eu. Ondanks het einde van de crisis staat (waardering van) commercieel vastgoed nog steeds op de toezichtsagenda van de ECB, zie ECB Banking Supervision 2018 (te raadplegen via www.bankingsupervision.europa.eu). Zie over deze toezichtsmaatregelen onder meer Kastelein 2014, par. 13.2, Nuij 2013, Nuij 2014 en Bierens 2014.
Maar ook persoonlijke zekerheden (garanties/borgstellingen), pandrecht op huurvorderingen en aandelen (als het vastgoed in een besloten vennootschap gehouden wordt) zijn gebruikelijke zekerheden bij commercieel vastgoed, zie Van ’t Hooft 2016, p. 12.
Art. 3:268 BW.
Van Mierlo hekelt deze omschrijving (Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/156), maar gebruikt hem zelf ook om de verkoopbevoegdheid van pand- en hypotheekhouder te omschrijven (Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/3.1.I). Waar het strikt genomen om gaat, is dat voorafgaand aan de verkoop geen (executoriaal) beslag hoeft te worden gelegd, noch een executoriale titel hoeft te worden gehaald. Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 544 en uitvoeriger Verstijlen 2013, nr. 20.
Art. 3:278 BW.
Van ’t Hooft 2016, p. 10. Vgl. in het licht van Europese harmonisatie van het hypotheekrecht Sagaert 2013.
Om het even of dit gebeurt door verkoop aan een derde, of door verkoop aan een zogeheten stroppendochter: ook in dat laatste geval wordt het verkoopverlies afgeschreven.
In 2017 heeft de ECB een inventarisatie gedaan naar de mogelijkheden om de hoeveelheid ‘non-performing loans’ (zie voetnoot 4) in de lidstaten te kunnen terugbrengen: ECB Stocktake of national supervisory practices and legal frameworks, juni 2017. Een onderdeel hiervan is een onderzoek naar de mogelijkheden van uitwinning van zekerheden. Het Nederlandse hypotheekrecht wordt daarin niet als ‘obstakel’ gezien voor het terugbetaald krijgen van vorderingen (zie annex XV The Netherlands). Dit is anders in verschillende (met name Zuid-Europese) lidstaten (Cyprus, Griekenland, Italië, Portugal, Spanje, maar ook Ierland en Slovenië), waar een buitengerechtelijke verkoopprocedure geheel ontbreekt en uitwinning jaren in beslag kan nemen. De introductie van een ‘gemeenschappelijke procedure voor de versnelde buitengerechtelijke uitwinning van zekerheden (AECE)’ is daarom een van de speerpunten van het voorstel voor een Richtlijn inzake kredietservicers, kredietkopers en de uitwinning van zekerheden, COM (2018), 135. Een positieve bevinding is dat het Nederlandse recht zo’n buitengerechtelijke procedure al heeft, zodat dit ‘geen obstakel vormt’ voor terugbetaling. Dat de uitwinningsprocedure zelf geen obstakel vormt, lijkt me echter een minimale bestaansvoorwaarde voor een effectief zekerheidsrecht, en zegt weinig over de mogelijke ruimte om het Nederlandse hypotheekrecht verder te verbeteren.
DNB Overzicht Financiële Stabiliteit, najaar 2017, p. 21 en 32; DNB spreekt hier nog over een ‘positief sentiment’, maar waarschuwt in de tweede helft van 2018 voor nieuwe risico’s. Zie DNB Overzicht Financiële Stabiliteit, najaar 2018, p. 20 e.v.
Ook in geval van overwaarde hebben (de meeste) betrokken partijen, zoals de hypotheekgever en diens schuldeisers, belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst uit het vastgoed.
DNB Overzicht Financiële Stabiliteit, najaar 2015, p. 27 e.v.
De kredietcrisis die in 2008 om zich heen greep, liet de markt voor commercieel vastgoed niet onberoerd. De Nederlandsche Bank sprak in haar kwartaalbericht van december 2009 van een omslag op die markt, omdat zich plotseling forse prijsdalingen voordeden bij zowel kantoor- als winkelpanden, woningen en bedrijfsgebouwen.1 Dergelijke panden zijn ‘commercieel vastgoed’ als zij door de eigenaar worden aangehouden vanwege de inkomsten die de panden opleveren, bijvoorbeeld door ze te verhuren. Het vastgoed wordt niet door de eigenaar zelf gebruikt.
Waardedaling van dit vastgoed zorgt er in de eerste plaats voor dat het vermogen van de eigenaar afneemt. Is het vastgoed daarnaast met vreemd vermogen gefinancierd, dan vertaalt de waardedaling zich voor de financier in een verhoogd aflossingsrisico. Dat risico verwezenlijkt zich bijvoorbeeld bij het einde van de looptijd van een krediet. De eigenaar zal op dat moment op zoek moeten naar herfinanciering. Het zal echter lastig zijn om voor het volledige bedrag herfinanciering te vinden als de te financieren panden minder waard zijn geworden.2 En zonder herfinanciering is de kans groot dat de eigenaar zijn lening niet tijdig aan de financier kan terugbetalen.3 De economische tegenwind vergroot bovendien het risico dat rente- en aflossingstermijnen niet meer worden betaald. Het is immers niet ondenkbaar dat de vastgoedeigenaar/kredietnemer door de economische malaise ook zelf in betalingsproblemen raakt en daardoor de vorderingen van zijn schuldeisers – waaronder die van zijn financier – niet meer kan voldoen.4
Die situatie, waarin een kredietnemer niet meer kan voldoen aan zijn betalingsverplichtingen, komt natuurlijk niet alleen in tijden van crisis voor. Een terugbetalingsrisico bestaat ook onder ‘normale’ economische omstandigheden. Gewoonlijk wordt dat risico door financiers afgedekt met zekerheden. Bij financiering van vastgoed moet dan vooral worden gedacht aan het vestigen van een hypotheekrecht: een goederenrechtelijk zekerheidsrecht op het vastgoed zelf.5 Zo’n hypotheekrecht geeft de financier onder meer een recht van parate executie.6 Dat houdt in dat de financier bij verzuim van de kredietnemer het verhypothekeerde vastgoed zonder rechterlijke tussenkomst mag verkopen.7 Hij mag zich vervolgens met voorrang boven de andere schuldeisers op de verkoopopbrengst verhalen.8
Deze verkoopbevoegdheid bleek echter tijdens de crisis niet altijd voldoende zekerheid te bieden.9 Door de forse waardedalingen was het vastgoed niet zelden ‘onder water’ komen te staan: de waarde was zo ver gedaald, dat deze lager was geworden dan het bedrag van de verzekerde vordering. In dat geval brengt een executieverkoop niet genoeg op om die schuld volledig af te kunnen lossen. Na verkoop resteert dan een onverzekerde – en meestal onverhaalbare – restvordering op de kredietnemer en bijbehorende verliezen voor de financier.10 Een (executie)verkoop is in die situatie daarom noch in het belang van de financier, noch de kredietnemer of zijn overige schuldeisers. Eigenlijk wordt alleen de executiekoper er beter van: hij verkrijgt het vastgoed immers tegen een lage (executie)prijs.
De crisis heeft hiermee een zwakte van het Nederlandse hypotheekrecht aan het licht gebracht.11 Door een (vermeend) gebrek aan alternatieven voor verkoop staat een hypotheekhouder in een slechte verkoopmarkt met zijn rug tegen de muur; hij kan in feite weinig anders doen dan verlies nemen. Dat werpt de vraag op of uitwinning door een hypotheekhouder niet ook op andere manieren mogelijk zou zijn, waarbij dat verlies kan worden voorkomen of beperkt. Oftewel: zijn er naast verkoop nog andere bevoegdheden of instrumenten die eraan kunnen bijdragen dat een hypotheekhouder – óók onder slechtere economische omstandigheden – een zo groot mogelijk deel van zijn hypothecaire vordering krijgt terugbetaald?
Gelet op de huidige stabilisering van de (commercieel) vastgoedmarkten,12 is die vraag op dit moment minder prangend.13 Maar vanwege de cyclische aard van de economie zullen zich ook in de toekomst perioden van prijsdaling voordoen en krijgen hypotheekhouders mogelijkerwijs weer te maken met onderdekking. Daarnaast beïnvloeden ook andere factoren de vraag naar commercieel vastgoed. Zo vermindert een toenemende mate van thuis- en flexwerken de vraag naar kantoorruimte en laat online winkelen de vraag naar fysieke winkelruimte afnemen.14 Een hypotheekhouder kan zich daarom ook in economisch betere tijden geconfronteerd zien met waardedaling van zijn onderpand, waardoor ook in die gevallen alternatieven voor een verliesgevende verkoop verlichting zouden kunnen brengen.