Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.3.1.b.vi
5.3.1.b.vi Doel van de verdragen
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS464026:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 31 lid 1 Weens Verdragenverdrag.
Zie art. 31 lid 2 Weens Verdragenverdrag, zie alinea 642 hiervoor. Zie ook Sinclair 1984, p. 130 e.v.: 'It is also worth stressing that reference to the object and purpose of the treaty is, as it were, a secondary or ancillary process in the application of the general rule on interpretation. The initial search is for the `ordinary meaning' to be given to the terms of the treaty in their `context'; it is in the light of the object and purpose of the treaty that the initial and preliminary conclusion must be tested and either confirmed or modified.' (Sinclair 1984, p. 130, cursivering van Sinclair).
De preambule van de Berner Conventie van 1886 luidde als volgt: 'Egalement animés du désir de proteger d'une manière efficace et aussi uniforme que possible les droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires et artistiques, ont résolu de conclure une Convention á cet effet, (...).' De formulering van deze wens is tot op heden ongewijzigd. De preambule van het Verdrag van Parijs van 1883 luidde als volgt: 'Egalement animés du desir d'assurer, d'un commun accord, une complète et efficace protection á l'industrie et au commerce des nationaux de leurs Etats respectifs et de contribuer á la garantie des droits des inventeurs et de la loyauté des transactions commerciales, ont résolu de conclure une Convention á cet effet (...).' Dit is later gewijzigd in: 'Egalement animés du désir de proteger d'une manière aussi efficace et uniforme que possible les droits de propriété industrielle, (...).' Zie voorts art. 1 van de beide verdragen.
Zie alinea's 635 e.v. hiervoor. Vgl. in dit verband reeds Jsay 1932, p. 231, die een overweging van het Reichsgericht anno 1890 citeert (namelijk: 'In diesem Sinne ist — man mag es beklagen — das Erfinderrecht zu einem gemeinsamen Rechtsinstitut der Kulturstaten noch nicht geworden, und der Richter kann es dazu nicht machen.') die hij als achterhaald en in strijd met de geest van het Verdrag van Parijs bestempelt. Zie RG 18 juni 1890, JW1890, p. 280, nr. 24.
Sinclair 1984, p. 131.
Dit is mogelijk door de bevoegdheid van de rechter van het land waarvoor de bescherming wordt ingeroepen, vast te leggen (vgl. het bezwaar in alinea 637 hiervoor), en te voorzien in een erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling (vgl. het bezwaar in alinea 636 hiervoor, de `Fokker-val'). Het bezwaar dat, ingeval van inbreuk in verschillende landen, concentratie van procedures wordt geblokkeerd (alinea 638 hiervoor), kan daarentegen alleen worden ondervangen door afschaffing van formele territorialiteit. Maar dat bezwaar is minder prangend dan de twee andere bezwaren, die immers meebrengen dat de rechthebbende zijn recht in het geheel niet kan halen.
654. Doel. Verdragen moeten mede worden uitgelegd in het licht van hun voorwerp en doel 1 Dit wordt gezien als een ondergeschikt gegeven; de nadruk ligt op de gewone betekenis van een verdragsbepaling in zijn context 2
655. Doel Berner Conventie en Verdrag van Parijs. Het doel van de Berner Conventie en van het Verdrag van Parijs is, blijkens met name hun preambules, een zo doeltreffend en eenvormig mogelijke bescherming van de betrokken intellectueleeigendomsrechten.3 Naar negentiende-eeuwse opvattingen paste het formele-territorialiteitsbeginsel in die doelstelling. Komende uit een situatie waarin een rechtsvacuüm niet ongebruikelijk was, was het formele-territorialiteitsbeginsel een forse stap voorwaarts. Naar huidige opvattingen volstaat die stap echter niet meer. Zoals wij hebben gezien, zijn de opvattingen over een doeltreffende scherming van intellectuele-eigendomsrechten geëvolueerd, en in die veranderde visie schiet het formele-territorialiteitsbeginsel tekort omdat het voor de rechthebbende een ernstige belemmering kan vormen om zijn recht te halen.4
656. Onvoldoende grond. Vormt dit, op zichzelf genomen, voldoende rechtvaardiging om de formele-territorialiteitscomponent in het beginsel van nationale behandeling buiten toepassing te laten, ondanks alle eerdergenoemde bevestigingen? Voor een bevestigend antwoord pleit dat de verdragsopstellers streefden naar een "zo doeltreffend mogelijke" bescherming, en dat de bescherming doeltreffender wordt wanneer men de formele-territorialiteitscomponent buiten toepassing laat. Maar het ijs lijkt te dun. Daarmee komt immers de nadruk te sterk — namelijk volledig — te liggen op de doelstelling van het verdrag; een dergelijke teleologische interpretatie zou, zeker gelet op de eerdergenoemde bevestigingen van de formele-territorialiteitscomponent, waarschijnlijk omstreden zijn. Vergelijk Sinclair: "There is also the risk that placing undue emphasis on the 'object and purpose' of a treaty will encourage teleological methods of interpretation. The teleological approach, in some of its more extreme forms, will even deny the relevance of the intentions of the parties; (...)."5 Daar komt nog bij dat de meest prangende bezwaren die vanuit huidige opvattingen over een doeltreffende bescherming kunnen worden aangevoerd tegen formele territorialiteit, ook op een andere manier zouden kunnen worden weggenomen.6
657. Conclusie. Tezamen genomen lijkt deze grond, op zichzelf genomen, daarom te weinig houvast te bieden om formele territorialiteit buiten toepassing te laten. Dat neemt uiteraard niet weg dat hij wel een nuttig bijkomend argument kan zijn.