Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.2.2
7.2.2 Voorwaarden en grenzen
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS400569:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Noot G. Hekkelman bij HR 19 maart 1976, AA 1978, p. 301; R.A.A. Duk, ‘De Hoge Raad en fondsenbepalingen’, SMA 1988, afl. 3, p. 205; E.M. Meijers, Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek (boek 7), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en uitgeversbedrijf 1972, p. 1059; W.J.P.M. Fase, c.a.o.-recht, Alphen aan den Rijn: Samsom 1982, p. 23. Verhulp is van mening dat de Wet Cao a priori geen definitieve grenzen stelt aan de inhoud van een cao en stelt zich op het standpunt dat het in de praktijk vaak zo zal zijn dat naarmate onderwerpen die in het kader van de cao-onderhandelingen aan de orde worden gesteld, verder verwijderd raken van de kern van de cao, te weten arbeidsvoorwaardenbepalingen, er minder kans is dat partijen met betrekking tot die onderwerpen tot overeenstemming zullen komen in een cao. Praktisch leidt dit volgens Verhulp tot het gevolg dat de grenzen bepaald worden door de mogelijkheid voor onderhandelende partijen haar wensen tot regeling van een onderwerp in de cao door te zetten. Zie: Verhulp, Arbeidsovereenkomst, losbladig, Kluwer, artikel 1 Wet Cao, aant. 4.
Noot G. Hekkelman bij HR 19 maart 1976, AA 1978, p. 300.
Zie ook: Advies inzake algemeen-verbindendverklaring (avv), de toepassing daarvan en de verruiming van de mogelijkheden tot avv (advies van 16 oktober 1992, SER 92/14), Den Haag: SER 1992, p. 53 e.v.
In de wetsgeschiedenis is hierover bepaald dat cao-bepalingen zich niet lenen voor verbindendverklaring indien zij te veel overlaat aan uitvoeringsmaatregelen, Kamerstukken II 1936/37, 274, 3, p. 4.
Zie ook hoofdstuk 8 over de rol van de ondernemingsraad bij de collectieve arbeidsvoorwaardenvorming.
Alleen bepalingen van een cao als bedoeld in artikel 1 Wet Cao komen voor verbindendverklaring in aanmerking. In paragraaf 2.3 is reeds aan de orde gekomen dat blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad bij cao alle onderwerpen geregeld kunnen worden die liggen op het terrein waarop vakorganisaties elkaar kunnen ontmoeten in het kader van hun belangenbehartigende taak en verband houden met arbeidsvoorwaarden.1 De grenzen van dit terrein worden aldus bepaald door de opvattingen van cao-partijen over hun belangenbehartigende taak, die in de loop van de tijd wijziging kunnen ondergaan.2 Kortom, alle onderwerpen die verband houden met arbeidsvoorwaarden kunnen kwalificeren als cao-bepaling en deze bepalingen komen in beginsel ook voor verbindendverklaring in aanmerking.3
In art. 2 lid 5 van de Wet Avv is een aantal cao-bepalingen van de verbindendverklaring uitgezonderd. Dit betreft onder andere bepalingen die een onderscheid teweegbrengen tussen leden en niet-leden, bepalingen die dwang uitoefenen op werkgevers of werknemers om zich bij een vereniging aan te sluiten (closed shop-bepalingen) en bepalingen waarvan op decentraal niveau kan worden afgeweken. Ten aanzien van die laatste bepalingen bepaalt het Toetsingskader AVV meer concreet dat het daarbij gaat om cao-bepalingen die aan het decentraal overleg (dat wil zeggen op ondernemingsniveau tussen ondernemer en vakbond of ondernemer en ondernemingsraad) ruimte laten voor nadere invulling van de cao of om af te wijken van de cao en waaraan (dat wil zeggen: de nadere invulling of afwijking) werkgevers en werknemers gebonden zijn.4 Er is geen beletsel voor verbindendverklaring indien aan decentrale afspraken geen bindende kracht toekomt of indien de decentralisatiebepaling in de cao slechts afwijkingen toelaat in de vorm van vooraf in de cao zelf opgenomen concrete alternatieven.5 Met het oog op de behoefte aan meer maatwerk, differentiatie en decentralisatie in het arbeidsvoorwaardenoverleg is het overigens de vraag of deze beperking nog in de rede ligt. Daarbij komt dat via overleg met de ondernemingsraad de werknemersbetrokkenheid aan het collectief overleg binnen een onderneming kan worden vergroot, hetgeen ten goede kan komen aan het draagvlak van collectieve regelingen en daarmee aan de waarde van het collectief overleg (zie daarover hoofdstuk 1). Ik kom in het volgende hoofdstuk op dit onderwerp terug.
Een cao-bepaling die voorschrijft dat in elke individuele arbeidsovereenkomst moet worden opgenomen dat de cao van toepassing is, leent zich ook niet voor verbindendverklaring volgens het Toetsingskader AVV. Daardoor zouden immers ongebonden werkgevers en ongebonden werknemers ook onder het regime van de niet verbindend verklaarde cao-bepalingen kunnen worden gebracht.
De minister kan niet zelfstandig besluiten tot de verbindendverklaring van cao-bepalingen. Het verzoek tot verbindendverklaring dient schriftelijk te worden gedaan door een van de cao-partijen en het is dus, behoudens een verzoek tot verlenging van een verbindendverklaring, niet nodig dat alle cao-partijen gezamenlijk daartoe een verzoek doen. De duur van de verbindendverklaring is begrensd. Behoudens in geval van verlenging, geschiedt de verbindendverklaring voor ten hoogste twee jaar. Fondsbepalingen en cao-bepalingen omtrent een ontslagcommissie kunnen voor een langere periode, maximaal vijf jaar, verbindend worden verklaard. De verbindendverklaring kan overigens niet later eindigen dan het moment waarop de cao-bepaling op zijn vroegst kan eindigen en heeft geen terugwerkende kracht.