Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.4.2
5.4.2 Wettelijke en statutaire beperkingen en uitbreidingen van bevoegdheden van de AV; oligarchische regelingen
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232675:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Löwensteyn 1959, p. 27: “Ons recht laat tot op zekere hoogte de mogelijkheid bepaalde bevoegdheden van de A.V. over te hevelen naar het bestuur en andere instanties.”
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/554 beschrijven oligarchie als “een heerschappij van weinigen door een concentratie van bevoegdheden”.
Zie hierover ook Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §45.4. Zie paragraaf 3.3 van dit proefschrift over kernbevoegdheden van de AV.
Artikel 2:121 lid 2 BW. Zie hierover: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/59 en 615a; Lennarts, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 2:121 BW, aant. 2; Timmermans, Ondernemingsrecht 2012/121, par. 2.3. Zie over de toelaatbaarheid van een dergelijke regeling in het kader van het agenderingsrecht: paragraaf 6.2.3 van dit proefschrift. Zie ook: Hezer & Kemp, WPNR 2019/7222 en Hezer & Kemp, WPNR 2019/7223, die menen “dat deze praktijk zich moeilijk verhoudt met de heersende opvattingen omtrent bescherming van beursvennootschappen en good governance” (zie Hezer & Kemp, WPNR 2019/7223, par. 4.2-4.4). Zij beargumenteren dat een dergelijke oligarchische regeling kwalificeert als beschermingsconstructie en dat deze daarom tijdelijk zou moeten zijn. Oligarchische regelingen kunnen weliswaar functioneren als beschermingsconstructie, maar zijn daar niet primair voor bedoeld (hetzelfde geldt voor de structuurregeling, zie Kamerstukken II 1990/91, 21 038, nr. 22, p. 4). Behoudens aanwezigheid van een daadwerkelijke dreiging functioneren zij ook niet als zodanig. Als die dreiging er niet is, is geen sprake van bescherming en is ook de RNA-norm niet van toepassing. In die zin is geen sprake van een traditionele beschermingsconstructie. Deze regelingen zijn veeleer een invulling van het door de Hoge Raad geformuleerde beginsel dat iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar vennootschappelijke organisatie naar eigen inzicht in te richten (zie hierover paragrafen 2.8 en 5.4.1 van dit proefschrift). De ratio van dit soort oligarchische regelingen is dat de NV niet afhankelijk dient te zijn van een toevallige meerderheid in de AV, zie Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/203.3. Deze ratio kan overigens ook gepercipieerd worden als een motief voor beschermingsconstructies, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/554. Zie ook over oligarchische clausules als beschermingsconstructie: Timmerman, Ondernemingsrecht 2018/78. Voor zover een oligarchische regeling gezien de omstandigheden van het geval kwalificeert als beschermingsconstructie, meen ik niet dat een beschermingsconstructie naar huidig recht tijdelijk moet zijn. Dat volgt ook niet uit de RNA-norm. Zie over de invulling en toepassing van de RNA-norm uitgebreid paragraaf 6.1.4 van dit proefschrift.
Hezer & Kemp, WPNR 2019/7222, par. 2. Dit onderzoek ziet op Nederlandse NV’s en SE’s met statutaire zetel in Nederland waarvan de aandelen zijn genoteerd aan, en toegelaten tot de handel op, een effectenbeurs.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/92.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/92.
Artikel 2:133 lid 2 BW. Op grond van artikel 52 lid 3 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek is dit lid niet van toepassing op een NV waarop ingevolge artikel XVIII van de Wet van 1929 voor het tijdstip van in werking treden van Boek 2 BW artikel 48a lid 2 van het Wetboek van Koophandel niet van toepassing was. Dit betekent dat bij een NV die voor inwerkingtreding van de NV is opgericht en die een bindend voordrachtsrecht in de statuten had opgenomen, de AV dit bindend voordrachtsrecht in beginsel niet kan doorbreken. De overgangsbepaling is niet langer van toepassing indien er in de statuten van de NV wijzigingen worden aangebracht in de bepalingen omtrent de voordracht, zie J.G. Kist/L.E. Visser, Beginselen van handelsrecht volgens de Nederlandsche wet, De Naamloze Vennootschap, supplement op deel III, 's-Gravenhage: Gebr. Belifante 1929, p. 235 en Dortmond, Ondernemingsrecht 2004/92. De Corporate Governance Code schrijft overigens voor een beursvennootschap voor dat een besluit tot doorbreking van een bindend voordrachtsrecht voor de benoeming van bestuurders en commissarissen moet kunnen geschieden bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, zie best practice-bepaling 4.3.3 van de Corporate Governance Code.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/92.
Belinfante 1929, p. 322.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/250.
Dit is geoorloofd volgens De Brauw 2017, par. 12.4.6.4; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/597; en Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 4. Zie anders: Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/250.
Artikel 2:143 BW.
Artikel 2:134 lid 2 BW. Voor de BV geldt een gelijkluidend artikel 2:244 lid 2 BW, waarover de voorzieningenrechter in de Kekk/Delfino-uitspraak oordeelde dat hiervan bij contractuele afspraak kan worden afgeweken in die zin dat een besluit tot schorsing of ontslag alleen met unanimiteit van stemmen kan worden genomen, welk vonnis in hoger beroep werd vernietigd omdat het Hof Amsterdam van mening was dat een dergelijke contractuele regeling (gezien de ratio daarvan) “met het oog op het belang van de vennootschap al spoedig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.” Zie Rb. Amsterdam (vzr.) 16 januari 2014, JOR 2014/157, m.nt. R.G.J. Nowak (Kekk/Delfino) en Hof Amsterdam 13 januari 2015, JOR 2015/69, m.nt. R.G.J. Nowak (Kekk/Delfino). Over deze uitspraken en meer in het algemeen de vraag of bij overeenkomst van dwingend recht mag worden afgeweken is discussie, zie o.a. de noten van Nowak bij de uitspraken van de voorzieningenrechter en het Hof Amsterdam en Bosse, WPNR 2015/7065.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/92.
Zie hierover in het kader van het wettelijk convocatie- en agenderingsrecht ook Timmerman, TvOB 2018-1, p. 15: “…een aandeelhoudersvergadering kan haar bevoegdheid niet zomaar uitoefenen. Er is in het Nederlandse systeem samenspel met het bestuur nodig. Als dat ontbreekt, kan het uitoefenen van een bevoegdheid op een aandeelhoudersvergadering op complicaties stuiten. En die kunnen besluitvorming op de aandeelhoudersvergadering vertragen.” Ik kom op de uitwerking van het convocatie- en agenderingsrecht uitgebreid terug in paragraaf 6.2 van dit proefschrift.
Wel kan de uitoefening hiervan, met name waar het de uitoefening van het convocatie- en agenderingsrecht betreft, onder omstandigheden tijdelijk worden tegengehouden of uitgesteld. Ik schrijf hierover in paragraaf 6.2 van dit proefschrift.
Timmerman, TvOB 2018-1, par. 4 en, verwijzend naar Timmerman: Assink, MvO 2018/7, par. 5.10. Zie in dezelfde zin: Hof Amsterdam (OK) 12 januari 2010, JOR 2010/61, m.nt. C. de Bres (AHAM), r.o. 3.3, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/139d en (over beschermingsconstructies) Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 3. Zie hierover ook: paragraaf 6.2.4 van dit proefschrift.
Zie in dezelfde zin: Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §43 en Assink 2019, par. 9.
Principe 4.1 van de Corporate Governance Code.
Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3 (MvT), p. 14.
Net als beperkingen van bestuursbevoegdheid, zijn ook wettelijke en statutaire beperkingen van bevoegdheden van de AV mogelijk, waaronder door uitbreidingen van bevoegdheden van het bestuur of de raad van commissarissen, voor zover dit niet strijdig is met dwingendrechtelijke regelingen.1 Een voorbeeld van een wettelijke beperking vormt artikel 2:162 BW dat bij toepassing van het volledig structuurregime bepaalt dat de bestuurders worden benoemd door de raad van commissarissen en niet door de AV. De bevoegdheden van de AV kunnen ook worden beperkt doordat de bestuursbevoegdheden statutair worden uitgebreid. Regelingen die de bevoegdheden (deels) weghalen bij de AV en (deels) centraliseren bij het bestuur en raad van commissarissen (of een gelieerde entiteit, zoals een stichting prioriteit die wordt bestuurd door leden van het bestuur en/of de raad van commissarissen) worden ook wel oligarchische regelingen genoemd.2 In algemene zin kan de organisatie van de NV in vrij grote mate oligarchisch worden ingericht, waarbij zelfs ‘kernbevoegdheden’ van de AV aanzienlijk kunnen worden beperkt.3 Zo kan de bevoegdheid tot statutenwijziging (die dwingendrechtelijk aan de AV toekomt) worden beperkt door te bepalen dat wijziging slechts mogelijk is op voorstel of na toestemming van het bestuur, de raad van commissarissen of de prioriteit.4 In de praktijk gebeurt dit meestal ook. Uit onderzoek blijkt dat 88,9% van de Nederlandse beursvennootschappen gebruik maakt van een oligarchische clausule bij statutenwijziging, en dan met name van de variant waarbij een besluit tot statutenwijziging slechts kan worden genomen op voorstel van het bestuur (waar in de meeste gevallen de goedkeuring van de raad van commissarissen voor nodig is).5
Enkele besluiten van de AV kunnen volgens de ratio van de desbetreffende bepalingen niet aan de goedkeuring van andere vennootschapsorganen (of derden) worden onderworpen, wanneer de wet bepaalt dat de AV een bepaalde bevoegdheid ‘steeds’ of ‘te allen tijde’ kan uitoefenen.6 Dat is het geval bij schorsing en ontslag van bestuurders.7 In de statuten van de NV kan wel worden bepaald dat de benoeming van bestuurders door de AV geschiedt uit een bindende voordracht die gedaan wordt door de raad van commissarissen of de prioriteit.8 Aan die voordracht kan de AV echter steeds het bindend karakter ontnemen bij een besluit genomen met twee derden van de uitgebrachte stemmen, die meer dan de helft van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigen.9 Ook hier geldt dat het woord ‘steeds’ zo moet worden gelezen dat het besluit tot doorbreking van de bindende voordracht niet aan de goedkeuring van anderen kan worden onderworpen.10 Toepassing van een oligarchische regeling ten aanzien van de benoemingsbevoegdheid van de AV is blijkens de wetsgeschiedenis bewust niet onbeperkt mogelijk:
“Die motieven zijn de volgende: 1o. de aandeelhouders hebben toch ook een door het recht te erkennen belang bij de zaak, 2o. het is niet wenschelijk, dat enkele personen alles te zeggen hebben, zonder dat er afdoende middelen zijn hen ter verantwoording te roepen als zij onbekwaam of onbetrouwbaar zijn. De combinatie van deze motieven vormt den regel: aan de vergadering van aandeelhouders worden zekere ,,grondrechten” voorbehouden. Het beperken van de oligarchische clausule nu is niet anders dan het toepassen van dezen regel.”11
Indien de bindende voordracht door de AV wordt doorbroken, dan is de AV in beginsel vrij in de benoeming.12 In sommige gevallen is echter statutair voorzien in een repeterende bindende voordracht, waarbij aandeelhouders niet hun eigen kandidaten kunnen aandragen, zolang het orgaan dat bevoegd is tot het doen van een voordracht kandidaten blijft voordragen.13 Voor de benoeming van commissarissen geldt dat de statuten kunnen bepalen dat ten hoogste een derde van de commissarissen wordt benoemd door anderen dan de AV.14 Tevens kunnen statutaire kwaliteitseisen worden gesteld waaraan de commissarissen moeten voldoen om zo de kring van benoembare personen te beperken. Deze eisen kunnen evenwel terzijde worden geschoven door een AV-besluit genomen met twee derden van de uitgebrachte stemmen die meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.15 Aan degenen die bevoegd zijn tot benoeming komt ook de bevoegdheid tot schorsing en ontslag toe.16 Indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of ontslag slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in een AV, waarin een bepaald gedeelte van het kapitaal is vertegenwoordigd, dan mag deze versterkte meerderheid niet hoger zijn dan twee derden van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal.17 De bevoegdheid tot ontslag kan door de AV niet worden gedelegeerd of afhankelijk worden gesteld van een statutaire voorstel- of goedkeuringsregeling.18 Overigens kunnen het bestuur en de raad van commissarissen de uitoefening van kernbevoegdheden ook zonder oligarchische regelingen enigszins compliceren.19
Concrete wettelijke en statutaire bevoegdheden van de AV of aandeelhouders worden mijns inziens niet beperkt door het enkele feit dat zij daarmee direct of indirect invloed zouden uitoefenen op de strategie. Ik bedoel hiermee, dat het niet zo is dat de AV of aandeelhouders hun eigen bevoegdheden uiteindelijk niet kunnen uitoefenen enkel omdat die uitoefening raakt aan de strategie van de NV, zonder dat die uitoefening raakt aan concrete bestuursbevoegdheden.20 In de woorden van Timmerman:
“[…] als de aandeelhoudersvergadering op grond van de wet of statuten een bevoegdheid heeft die aan de strategie van de vennootschap raakt (ik noem het ontslag van de president-commissaris), dan hebben zij die bevoegdheid ook ingeval de vergadering die bevoegdheid inzet als breekijzer om de strategie te wijzigen.”21
Concrete wettelijke en statutaire bevoegdheden van de AV kunnen zo een beperking vormen van de algemene bevoegdheid van het bestuur om de strategie te bepalen. Aandeelhouders en AV mogen door uitoefening van die wettelijke en statutaire rechten dus tot op zekere hoogte ook direct of indirect invloed uitoefenen op de strategie.22 Dat strookt met de Corporate Governance Code, die bepaalt dat de AV een zodanige invloed uit moet kunnen oefenen op het beleid van het bestuur en de raad van commissarissen van de vennootschap, dat zij een volwaardige rol speelt in het systeem van checks and balances binnen de vennootschap.23 Dit volgt ook uit de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Bedenktijd door het bestuur van een beursvennootschap, die vermeldt dat de bedenktijd nodig is omdat aandeelhouders anders (indirect) invloed kunnen uitoefenen op de strategie door het drukmiddel van de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen of ontslag van bestuurders of commissarissen.24