Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.5.1:5.5.1 Algemeen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.5.1
5.5.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493496:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)).
§ 50.
§ 52.
Zie Buruma 2003, p. 665. Schrijver wijst erop dat dit aansluit bij de geschiedenis van het nemo tenetur-beginsel, dat oorspronkelijk ertoe diende om geloofs- en gewetenskwesties te beschermen. Tegenwoordig zou men geneigd zijn vooral belang te hechten aan de betrouwbaarheid van het bewijs.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verhoor zonder verdedigingswaarborgen
Niet duidelijk is of het EHRM nog andere grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting op het oog heeft. Aanleiding voor twijfel is de zaak Allan.1 Daarin waren van de klager belastende verklaringen ontfutseld door een informant van de politie. Het Hof overweegt dat ontoelaatbare dwang niet het enige is waartegen de verdachte moet worden beschermd. Het recht tegen gedwongen zelfbelasting waarborgt ook de vrije keuze van de verdachte om te spreken of te zwijgen. Deze keuze moet volgens het Hof een geïnformeerde keuzevrijheid (‘informed choice’) zijn. Die vrijheid wordt ondermijnd wanneer de verdachte ervoor kiest tijdens een verhoor te zwijgen en de autoriteiten buiten het verhoor om proberen bekentenissen of andere zelfbelastende verklaringen van hem te ontfutselen.2 Omdat Allan steeds een beroep op het zwijgrecht had gedaan en zijn verklaringen tegenover de informant in zijn cel niet spontaan waren (want geïnstigeerd door de politie), ontstond het functionele equivalent van een verhoor zonder formele waarborgen, zoals de bijstand van een advocaat en de mededeling dat verdachte niet hoeft te antwoorden (cautie).3
Buruma leidt uit het vorenstaande af dat het Hof zelfstandige betekenis aan het nemo tenetur-beginsel toekent vanuit het procesrecht, in die zin, dat het niet alleen uitgaat van het gevaar van ontoelaatbare dwang of valse bekentenissen.4