Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.1
14.4.1 Strafmaat versus centrale stellingen: volle toetsing en evenredigheidsbeginsel
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940704:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.3.1 en paragraaf 9.4.17.
Zie paragraaf 13.4.
Zie voor de historische achtergrond van deze terminologie nader paragraaf 3.4.4.
Zie paragraaf 9.4.17 en paragraaf 9.4.18, alsmede paragraaf 15.4.4. Zie voorts Feteris 2002, p. 29.
Naar mijn opvatting kan het rechterlijke oordeel omtrent de vraag of de boete ‘passend en geboden’ is evenwel worden teruggevoerd op de rechtsontwikkeling van het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zie paragraaf 3.4.4. Vgl. Feteris 2007, p. 337.
HR 23 november 1988, BNB 1989/29, HR 28 maart 1990, BNB 1990/194.
De toets of de boete ‘passend en geboden’ is, is in wezen een toets aan het evenredigheidsbeginsel, aldus de Redactie van Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij ABRvS 2 februari 2022, V-N 2022/11.10.
Dit artikel geldt (dus) ook voor de fiscale bestuurlijke boete (zie HR 13 augustus 2004, BNB 2005/42).
De Awb-wetgever heeft daarmee beoogd het van oudsher marginale karakter van de toetsing van art. 3:4 lid 2 Awb voor bestuurlijke boetes te vervangen door een volle toetsing, zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 140-142. Zie voor een duidelijke toepassing Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20, r.o. 4.8 e.v.. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5, r.o. 4.18, die beide wetsartikelen in één adem noemt.
Vgl. ook De Kleer 2005, die in dit verband spreekt van een ‘dubbele evenredigheidstoets’. Als ik hem goed versta, koppelt hij de eerste evenredigheidstoets aan art. 3:4 lid 2 Awb en de tweede evenredigheidstoets aan art. 4:84 Awb. Hoewel dit onderscheid in lijn is met de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 13 augustus 2004, BNB 2005/42), zie ik dit anders: zowel art. 3:4 lid 2 Awb als art. 4:84 Awb spreken immers (louter) over de gevolgen voor de belanghebbende (en betreffen dus de tweede evenredigheidstoets). De eerste evenredigheidstoets vloeit naar mijn smaak rechtstreeks voort uit de strafrechtelijke notie van de individuele straftoemeting. Dit alles is gelet op de codificatie van de eerste evenredigheidstoets in art. 5:46 lid 2 Awb inmiddels een academische discussie geworden.
Zie daaromtrent nader hierna in paragraaf 14.4.3.3.
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)’. Het kan naar mijn mening ook gaan om de aansprakelijkheid voor boetes die samenhangen met heffingen die onder de werkingssfeer van het Unierecht vallen, zoals de omzetbelasting. Vgl. HR 6 oktober 2023, V-N 2023/45.20, r.o. 5.8.1 e.v..
Art. 49 lid 3 (en art. 52 lid 1) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit evenredigheidsbeginsel geldt voor sancties ‘van strafrechtelijke aard’. Het HvJ EU volgt ten aanzien van dat begrip een uitleg die vergelijkbaar is met de Engel-criteria van het EHRM (waarover nader paragraaf 3.5.2.1), zie HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), C-544/19, V-N 2021/43.14, r.o. 90 e.v.. De invalshoek van dit Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is dat sancties nodig zijn om een juiste heffing te waarborgen en fraude te voorkomen, maar niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is om die doelstellingen te bereiken (HvJ EU 26 april 2017 (Farkas), nr. C-564/15, V-N 2017/37.23, r.o. 60, HvJ EU 17 mei 2023 (CEZAM), nr. C-418/22, V-N 2023/25.15, r.o. 26-30). Zie ook HvJ EU 13 oktober 2022, nr. C-1/21, V-N 2022/48.17.
HvJ EU 15 april 2021 (Grupa Warzywna), nr. C-935/19, V-N 2021/25.5 (een vaste boete van 20 % is niet evenredig omdat die in fraudegevallen even hoog is als in gevallen waarin een beoordelingsfout is gemaakt, en omdat het niet uitmaakt of er inkomensverlies voor de schatkist is geweest).
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 26 april 2017 (Farkas), nr. C-564/15, V-N 2017/37.23, r.o. 58 e.v. (een sanctie van 50 % van de alsnog verschuldigde omzetbelasting is niet evenredig in het geval de belastingdienst geen belastinginkomsten heeft gederfd en er geen aanwijzingen voor fraude zijn), HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), C-544/19, V-N 2021/43.14, r.o. 97 e.v., HvJ EU 5 mei 2022, nr. C-570/20, V-N 2022/23.10 (over cumulatie van een boete met een vrijheidsstraf) en HvJ EU 17 mei 2023 (CEZAM), nr. C-418/22, V-N 2023/25.15, r.o. 30 e.v.). Zie voorts de Conclusie van A-G Ettema voor HR 29 mei 2020, V-N 2020/26.24, BNB 2020/123, waarin meer verwijzingen naar relevante jurisprudentie van het HvJ EU.
Zie ook HvJ EU 27 januari 2022, nr. C-788/19, V-N 2022/9.14, r.o. 48-54.
HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), C-544/19, V-N 2021/43.14.
Het HvJ EU gaf in feite aan dat een neutraal verbod op zulke betalingen Unierechtelijk al snel door de beugel kan en dat een gefixeerde sanctie daarop in beginsel doeltreffend en proportioneel is, HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), C-544/19, V-N 2021/43.14, r.o. 101 e.v.. De boete bedroeg op grond van het Bulgaarse recht 25 %, 50 % of 100 % van het contant betaalde bedrag. Een boete van 100 % zou verder gaan dan noodzakelijk en is dus in EU-rechtelijke zin niet meer proportioneel in de ogen van het HvJ EU (r.o. 110).
HvJ EU 17 mei 2023 (CEZAM), nr. C-418/22, V-N 2023/25.15, r.o. 34-35 (de boete was 20 % van die grondslag).
Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), C-544/19, V-N 2021/43.14, r.o. 98 (‘de constitutieve bestanddelen’).
Ook bij verzuimboetes is de vraag naar de aan- of juist afwezigheid van (enige) verwijtbaarheid van belang, zie paragraaf 9.4.1.
Zie paragraaf 6.4 (in het bijzonder paragraaf 6.4.4.2).
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20, r.o. 4.11. Krukkert meent dat de term ‘geboden’ in de richting van een harde ondergrens wijst (een minimumstraf), zie Krukkert 2018, p. 262.
Concreet: er zou minder snel sprake kunnen zijn van opzet of grove schuld bij financiële problemen (ex tunc). Daarnaast zou om dezelfde reden matiging kunnen plaatsvinden (ex nunc, zie paragraaf 14.4.4.3.2 hierna). Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, V-N 2016/46.7. Zie voorts HR 8 december 1982, BNB 1983/50 en vgl. par. 7 lid 7 en lid 8 BBBB.
In paragraaf 14.3.1 werd duidelijk dat de onschuldpresumptie een volle rechterlijke toetsing van het bewijs van de centrale stellingen met zich brengt. Het moet voor de rechter immers redelijkerwijs ondenkbaar zijn dat de boeteling het beboetbare feit niet heeft begaan. De onschuldpresumptie strekt zich echter niet uit tot de strafmaat.1 Factoren die van invloed zijn op de strafmaat behoeven dan ook geen bewijs dat aan de zware bewijsgradatie voldoet.2 Toch toetst de Nederlandse belastingrechter ook de strafmaat in volle omvang: hij beoordeelt geheel zelfstandig of hij de opgelegde boete ‘passend en geboden’ acht.3 Ook de Awb-wetgever heeft de volledige rechterlijke toetsing van de hoogte van de boete inmiddels uitdrukkelijk omarmd.4
De belastingrechter bepaalt dus in beginsel zelfstandig de in zijn ogen passende en geboden strafmaat. In beginsel, omdat de belastingrechter steeds de door de inspecteur opgelegde boete als bovengrens erkent. Dat is anders dan in het strafrecht, aangezien de strafrechter ook in eerste instantie zelfstandig de strafmaat bepaalt en daarbij alleen het wettelijk strafmaximum heeft te respecteren. De belastingrechter toetst pas in tweede instantie een reeds opgelegde boete, waarbij een verbod op reformatio in peius geldt.5 Dat de belastingrechter de fiscale bestuurlijke boete niet zelf oplegt, laat onverlet dat hij bij zijn toetsing van de strafmaat geen bestuurstaak, maar een rechterlijke taak vervult (net als de strafrechter).6 Dat betekent dat hij zich voor zijn oordeel over welke boete in een concreet geval passend en geboden is, niet laat leiden door de voor de inspecteur geldende algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de voor de inspecteur geldende voorschriften uit het BBBB.7
Bij de toetsing en de bepaling van de strafmaat speelt het evenredigheidsbeginsel een grote rol.8 Dit in art. 3:4 lid 2 Awb9 vastgelegde, algemeen geldende beginsel van behoorlijk bestuur is specifiek voor bestuurlijke boetes nader uitgewerkt in art. 5:46 lid 2 en lid 3 Awb.10 Samen genomen is er sprake van een dubbele evenredigheid: de hoogte van de boete moet in verhouding staan tot zowel (1) de ernst van de gedraging en de mate waarin deze aan de boeteling kan worden verweten, als (2) de gevolgen die het opleggen van de boete voor de boeteling heeft.11 Bij de toepassing van beleidsregels, zoals die welke zijn opgenomen in het BBBB, geldt daarnaast een afzonderlijk gecodificeerd evenredigheidsbeginsel (art. 4:84 Awb).12
Wanneer het gaat om boetes die worden opgelegd in samenhang met de uitvoering van het Unierecht,13 kan ook het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel van belang zijn.14 Dit beginsel verhindert volgens het HvJ EU onder meer het opleggen van een ‘harde’ gefixeerde boete (een boete waarvan de omvang van tevoren vaststaat en waarbij geen rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval).15 Verder vloeit ook uit het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel voort dat de ernst van de gedraging en de hoogte van de sanctie op elkaar moeten worden afgestemd en dat de rechter die afstemming moet kunnen beoordelen.16 Geheel duidelijk is de rechtspraak van het HvJ EU op dit punt echter niet.17 Het HvJ EU heeft namelijk ook wel geaccepteerd dat een bestuurlijke geldboete wordt berekend op een vast percentage, zonder dat de precieze hoogte van de boete kan worden aangepast aan de concrete omstandigheden van het geval.18 Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het in de betreffende casus niet ging om een fiscale bestuurlijke boete, maar om een boete wegens het doen van contante betalingen boven een bepaald drempelbedrag.19 In een ander geval – waarin het wél ging om een fiscale bestuurlijke boete – accordeerde het HvJ EU dat de boetegrondslag werd vastgesteld op het bedrag aan omzetbelasting dat verschuldigd zou zijn geweest zonder rekening te houden met de vooraftrek.20
De ernst van de gedraging is niet alleen relevant voor de toetsing en de bepaling van de strafmaat, maar kan ook al van belang zijn in het kader van het bewijs van de centrale stellingen.21 Het gaat dan om de mate van verwijtbaarheid, die bij vergrijpboetes moet worden uitgedrukt in de schuldgradatie opzet of grove schuld.22 De betekenis van de mate van verwijtbaarheid voor het bewijs van het begaan van het beboetbare feit is tamelijk statisch: vastgesteld moet worden of wel of niet is voldaan aan de in de delictsomschrijving opgenomen schuldgradatie. Afgezien van de vraag of de aard van het gemaakte verwijt past bij de gradatie opzet of grove schuld, gaat het er wat de ernst van het verwijt betreft om of de vereiste ondergrens wordt gehaald (niet elke vorm van schuld levert ook ‘grove’ schuld op).23
Als het vervolgens om de hoogte van de boete gaat, is de kwestie dynamisch geworden: er moet dan een precieze fijnafstemming plaatsvinden (‘passend’), waarbij alle omstandigheden van het geval meewegen (‘geboden’).24 Hierbij komen vragen als ‘hoe grof was de grove schuld precies?’ en ‘was er sprake van boos opzet of ‘slechts’ van voorwaardelijk opzet?’ aan de orde. Bepaalde feiten en omstandigheden kunnen een dubbelrol spelen door zowel bij te dragen aan het bewijs van de schuldgradatie als mee te wegen bij de bepaling van de strafmaat. In het verlengde hiervan kunnen financiële omstandigheden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit invloed hebben op de schuldgradatie, terwijl dergelijke omstandigheden later ook strafverminderend kunnen werken.25 De latere strafverminderende werking volgt dan echter niet zozeer uit de evenredigheid met de ernst van de gedraging, maar uit de evenredigheid met de gevolgen die het opleggen van de boete voor de boeteling heeft.