Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.4.2.1
3.4.2.1 De rechten en bevoegdheden die niet onverenigbaar zijn met het bestaan van de trust
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717284:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:127 lid 3 is ontleend aan art. 2 lid 3 HTV.
Deze situatie is mogelijk, zolang de insteller niet tevens als trustee optreedt.
Over art. 2 lid 3 HTV waaraan art. 3:127 lid 3 BWC is ontleend zegt de toelichting op het HTV het volgende: “This paragraph [lid] makes it clear that, contrary to the ‘traditional image of the trusts, the roles of the different persons involved may be mingled. Indeed, the settlor of the trust does not necessarily dissapear completely; he may still retain for himself certain decisions.” Zie: A.E. von Overbeck, Explanatory Report on the 1985 Hague Trusts Convention, HCCH Publications 1985, p. 380.
L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 1-7.
Zie voor de voorgestelde oplossing paragraaf 4.3.15.13.
De Curaçaose wetgever heeft voor de insteller de mogelijkheid gecreëerd om zich op grond van art. 3:127 lid 3 BWC1 bepaalde rechten en bevoegdheden voor te behouden ten aanzien van de trust.2 Tevens is het mogelijk dat de trustee bepaalde rechten als begunstigde heeft. Het voorgaande is krachtens de wet niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar met het bestaan van de trust.
Het Curaçaose trustrecht heeft met de introductie van art. 3:127 lid 3 BWC – naast de reeds gegeven mogelijkheden in de huidige wet om rechten en bevoegdheden aan de in de trustakte genoemde personen toe te kennen – expliciet de mogelijkheid voor de insteller geschapen om zich bepaalde rechten en bevoegdheden voor te behouden. Welke rechten en bevoegdheden de insteller van een trust zich precies kan voorbehouden, is niet geheel duidelijk en de memorie van toelichting geeft hierover evenmin uitsluitsel. Door een toelichting ten aanzien van het bepaalde in art. 3:127 lid 3 BWC achterwege te laten, heeft de wetgever in mijn ogen ongewenst veel ruimte open gelaten voor diverse interpretaties en verhoogt dit het risico op misbruik van het trustrecht.
De voornoemde wetsbepaling geeft de insteller als zodanig veel ruimte om rechten en bevoegdheden aan zichzelf toe te kennen die hij naar eigen goeddunken kan invullen. Het gevaar hiervan ligt in het feit dat de insteller de rechten en bevoegdheden die hij aan zichzelf verleent, op zodanige wijze vorm kan geven dat hij nochtans volledig de regie blijft behouden over de goederen die hij onder trustverband heeft geplaatst. De toekenning van verregaande rechten en bevoegdheden door de insteller aan zichzelf zonder formeel rechthebbende te zijn van de goederen, kan een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht van de trustee als zodanig impliceren. Men denke bijvoorbeeld aan het geval waarbij de trustee voor iedere handeling toestemming dient te vragen aan de insteller of de situatie waarin de insteller als zodanig een combinatie van rechten en bevoegdheden die normaliter toekomen aan zowel de trustee als de begunstigde, aan zichzelf toekent. Bij verreikende rechten en bevoegdheden van de insteller, kan de lijn tussen de rechten en bevoegdheden van de insteller, de trustee en de begunstigde dusdanig vaag worden, dat het gevolg is dat in strijd kan worden gehandeld met de fundamentele beginselen van het trustrecht. Dit kan resulteren in misbruik van recht of bevoegdheid, dan wel het in gevaar brengen van de posities van derden die bij de trust zijn betrokken.
Voorts verbaast het mij dat de Curaçaose wetgever een bepaling van internationaal privaatrecht in het materiële trustrecht heeft geïntroduceerd, terwijl deze bepaling uit het HTV woordelijk is overgenomen en deze een geheel ander doel en een andere functie dient dan hetgeen de trustwetgeving in het Curaçaose Burgerlijk Wetboek voor ogen heeft.3/4 Aangezien het internationaal privaatrecht en in het bijzonder het internationaal trustrecht geen regels van materieel privaatrecht geeft en het HTV voor een ruime omschrijving kiest, is een wetsbepaling als art. 3:127 lid 3 BWC naar mijn mening voor het Curaçaos materieel recht geen geschikt uitgangspunt. Een concrete wetsbepaling in de Curaçaose trustwetgeving is in mijn ogen juist noodzakelijk teneinde verkeerde interpretaties van de rechtstoepasser te voorkomen.
Ten slotte stipuleert art. 3:127 lid 3 BWC dat de trustee bepaalde rechten als begunstigde heeft. Deze wetsbepaling is echter een doublure ten opzichte van art. 3:134 lid 3 BWC, waarin is bepaald dat de trustee eveneens als begunstigde kan worden aangewezen, doch niet de enige begunstigde kan zijn. Een dergelijke regeling is derhalve overbodig.5