Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/1.5
1.5 Opzet en onderzoeksmethoden
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS355053:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zijlstra/Borman/Munneke/Van Ommeren/Schilder & Steyger, Wetgeven 2012. Par. 4.5 over vermindering van regeldruk is van de hand van Van Ommeren.
Zie bijlage 5.
Van Eijkern, De macht van de zwoegers in het vooronder 1977, p. 44-45. Die titel is tot de verbeelding blijven spreken, getuige onder meer een interview van Hans Woldendorp met Hans Bierman, Een werker in het vooronder 2006 en Van Gestel, Rol van de wetgevingsjurist 2011, p.3, die in noot 3 melding maakt van L.F.M. Verhey, De zwoegers uit het vooronder: over ambtelijke taakuitoefening, ministeriële verantwoordelijkheid en parlementaire controle, Deventer: WEJ Tjeenk Willink 2001, p. 12.
Teneinde de drie hiervoor genoemde vragen te kunnen beantwoorden heb ik in hoofdstuk 2 een begrippenkader ontwikkeld. In hoofdstuk 3 is vervolgens op wetenschappelijke wijze een kader ontwikkeld waaruit volgt in welk geval of in welke gevallen bundeling van omgevingsrecht verantwoord is. Daarmee wordt een antwoord gegeven op de eerste deelvraag. Daarbij heb ik mij beperkt tot mogelijke juridische criteria om over te gaan tot bundeling. Zoals hiervoor in paragraaf 1.3 aangegeven noemen wetgevers weliswaar mogelijke juridische, ecologische en economische voordelen van bundeling, maar mijn expertise ligt nu eenmaal op het juridische vlak. Ter ontwikkeling van het toetsingskader ter beantwoording van de eerste deelvraag van dit onderzoek zijn primair 'klassieke' juridische bronnen geanalyseerd, waaronder Nederlands-, Duits- en Engelstalige juridische literatuur en de geschiedenis van de totstandkoming van onderdelen van het omgevingsrecht waarbinnen bundeling van wetssystemen heeft plaatsgevonden.
Daarbij zal de lezer duidelijk worden, dat ik in belangrijke mate ben geïnspireerd door het boek Gesetzgebungslehre van de Zwitserse jurist Peter Noll (1926-1982). Uiteraard heb ik ook andere literatuur bestudeerd. De door mij geraadpleegde literatuur inzake wetgevingsleer en wetgevingstechniek besteedt gewoonlijk echter aanzienlijk meer aandacht aan het tot stand brengen van nieuwe wetten dan aan het bundelen van bestaande wetten. Een verhandeling over bundeling als zodanig vond ik zelfs niet in het in 2012 verschenen boek Wetgeven, dat overigens wel aandacht besteedt aan vermindering van regeldruk.1Gesetzgebungslehre was voor mij een eyeopener. Hoewel het boek bijna 40 jaar geleden is geschreven, niet specifiek het Nederlands omgevingsrecht op het oog heeft en voorbeelden uit met name het Duitse en Zwitserse recht gebruikt, zijn de daarin verwoorde inzichten mijns inziens heden ten dage nog bruikbaar voor het nadenken over bundeling van omgevingsrecht.
Daarnaast zijn ook interviews met een aantal wetgevingsjuristen en wetenschappers als onderzoeksmethode ingezet.2 Het wetgevingsproces ten departemente is voor buitenstaanders immers tamelijk ondoorzichtig. Door middel van deze interviews is getracht meer in de keuken van de wetgever te kijken teneinde de bevindingen uit de literatuur te toetsen aan de werkelijkheid, waarvan ook de departementale activiteiten deel uitmaken.
In dat verband gelden mijns inziens ook heden ten dage nog de woorden van Van Eijkern, dat de ambtelijke wetgevingsjurist een vrij grote invloed kan uitoefenen op de inzichtelijkheid en overzichtelijkheid van ons rechtssysteem. In een tamelijk vroeg stadium van voorbereiding van een wet kunnen immers al principiële beslissingen worden genomen over zaken als het gebruik van bestaande organen en het toepassen van reeds bekende en beproefde juridische constructies, dan wel over de introductie van nieuwe instellingen of het bezigen van nieuwe rechtsfiguren. Ook waar geen nieuwe wegen worden ingeslagen, is de vraag welke bestaande worden gekozen niet zonder belang. Op de aldus gedane keuzen zal niet spoedig worden teruggekomen.'3
In de hoofdstukken 4 en 5 zijn twee recente Nederlandse bundelingsoperaties getoetst aan het in hoofdstuk 3 ontwikkelde kader. Het gaat om de Wabo en de integratie van de Wet milieugevaarlijke stoffen in de Wet milieubeheer. In hoofdstuk 6 is hetzelfde gedaan voor de voorgenomen Wet natuurbescherming en in hoofdstuk 7 voor de contouren van de Omgevingswet. Doel van deze toetsing is om erachter te komen of bundeling in deze gevallen getoetst aan de ontwikkelde wetenschappelijke theorie, verantwoord is, alsmede of en zo ja in welke mate de wetgever rekening heeft gehouden met de geformuleerde aandachtspunten. Daarmee wordt een antwoord gegeven op de tweede deelvraag. Tevens is bezien of ten aanzien van elk van die vier bundelingsoperaties voorstellen kunnen worden gedaan om het resultaat daarvan beter te laten aansluiten bij de criteria die voor de ordening van samenhangende wetgevingscomplexen zijn ontwikkeld. Daarmee wordt een antwoord gegeven op de derde deelvraag.
In hoofdstuk 8 zijn conclusies getrokken uit hetgeen in de hoofdstukken 5, 6, 7 en 8 naar voren is gekomen. In dat hoofdstuk is ook de centrale vraag beantwoord en zijn aanbevelingen gedaan aan de wetgever en aan wetgevingsjuristen.