Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.5:6.5.5 Conclusie met betrekking tot de kwalificatievraag
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.5
6.5.5 Conclusie met betrekking tot de kwalificatievraag
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300642:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 (Meyer Europe/PontMeyer) en HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565 (Vodafone Libertel/European Trading Company).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Samenvattend zou men voorbehouden in de door mij gedefinieerde zin die gedurende een onderhandelingsproces worden gemaakt, kunnen kwalificeren als:
vormvereisten (met als belangrijkste rechtsgevolg dat de overeenkomst waarover wordt onderhandeld in het geheel niet tot stand komt — nietig of, zo men wil, non-existent is — tot het moment waarop de overeengekomen vorm wordt bereikt);
als een opschortende voorwaarde in de zin van art. 6:22 BW (met als belangrijkste, onderscheidende rechtsgevolg ten opzichte van het voorbehoud als vormvereiste dat de overeenkomst waarover wordt onderhandeld al direct tot stand komt, zij het onder opschortende voorwaarde en dus haar werking pas krijgt op het moment van het intreden van de voorwaarde);
als voorovereenkomst waarin een verplichting wordt opgenomen om een nadere overeenkomst (die waarover wordt onderhandeld) tot stand te brengen (met als belangrijkste, onderscheidend rechtsgevolg ten opzichte van de overeenkomst onder opschortende voorwaarde dat na de totstandkoming van de voorovereenkomst intredende beschikkingsonbevoegdheid of handelingsonbekwaamheid aan de totstandkoming van de overeenkomst waarover werd onderhandeld, in de weg staat); of
als beperking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de onderhandelende partij (met als belangrijkste, onderscheidende rechtsgevolg dat de overeenkomst waarover werd onderhandeld eerst tot stand komt — en tot die tijd dus nietig of, zo men wil, non-existent is — op het moment dat bevoegd wordt vertegenwoordigd).
Hoe men in een concreet geval een voorbehoud juridisch moet duiden, is primair een kwestie van deduceren en daarnaast, en wellicht minstens zo relevant, een kwestie van uitleg. Daarbij zouden naar mijn mening de volgende uitgangspunten kunnen worden gehanteerd:
Categorie I-voorbehouden zullen doorgaans kwalificeren als vormvoorschriften in enge zin (waarbij dogmatisch, ingeval van een overeengekomen voorbehoud, een voorovereenkomst moet kunnen worden geconstrueerd of in elk geval wilsovereenstemming over afwijking van art. 6:217 BW moet kunnen worden aangenomen, al dan niet via de weg van de wilsvertrouwenstheorie van art. 3:35 BW). De leer van de potestatieve voorwaarde zal er aan in de weg staan om categorie I-voorbehouden juridisch te kunnen kwalificeren als opschortende voorwaarden wanneer ook een andere kwalificatie mogelijk is indien men, zoals ik, bereid is om uit te gaan van de fictie dat een (bevoegd) onderhandelaar niet de bedoeling zal hebben om een potestatieve voorwaarde overeen te komen (hij krijgt dus van mij als het ware in voorkomend geval het voordeel van de twijfel). Dit is uiteraard anders indien het voorbehoud met zoveel woorden als een opschortende voorwaarde is geformuleerd en als zodanig is bedoeld (of de wederpartij dit rechtens als zodanig heeft opgevat en ook heeft mogen opvatten); alsdan deelt de categorie I-voorwaarde daarmee dan het lot van de potestatieve voorwaarde. Hooguit zou men categorie I-voorbehouden nog kunnen kwalificeren als voorovereenkomsten of als beperkingen van de vertegenwoordigings-bevoegdheid. Deze zullen zich in de praktijk echter doorgaans gemakkelijk van vormvoorschriften (in enge zin) laten onderscheiden door de wijze van formulering ("Als x gebeurt, dan zal ik overgaan tot het sluiten van een overeenkomst" (een typisch voorbeeld van een overeengekomen voorovereenkomst) versus: "Ik meld u dat slechts de directie bevoegd is tot het aangaan van de overeenkomst waarover wij onderhandelen" (een typisch voorbeeld van een voorbehoud dat is bedoeld als beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid, uitgaande van de eigen bevoegdheid daartoe door degene die het bedingt) en: "Wij zijn eerst gebonden indien de overeenkomst op schrift is gesteld" (een typisch voorbeeld van een voorbehoud dat bedoeld is als vormvereiste (in enge zin))).
Categorie II-voorbehouden zullen in veel gevallen zowel kunnen kwalificeren als een opschortende voorwaarde, als voorovereenkomst of als vormvoorschrift (in ruime zin). Als beperking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid laten zich deze voorbehouden m.i. niet kwalificeren aangezien bij een categorie II-voorbehoud de derde die al dan niet goedkeuring kan verlenen, niet vertegenwoordigingsbevoegd is (anders was het immers een categorie Ivoorbehoud) en in die zin dus niet gesproken kan worden van een beperking van de eigen vertegenwoordigingsbevoegdheid ten behoeve van een ander. Hoe de juridische kwalificatie uiteindelijk uitvalt, is met name een kwestie van deduceren en (vooral) van uitleg.
Voor de kwalificatie van categorie II-voorbehouden als vormvoorschriften of voorovereenkomsten is alleen plaats indien wilsovereenstemming uit de feiten kan worden gedestilleerd die erop neerkomt dat partijen zijn overeengekomen om af te wijken van art. 6:217 BW voor wat betreft de totstandkoming van de overeenkomst waarover werd onderhandeld, casu quo overeenstemming over de verplichting van één van partijen om, indien zich een bepaalde situatie voordoet, een nadere overeenkomst (de overeenkomst waarover werd onderhandeld) te sluiten. In geval uit het feitencomplex kan worden afgeleid dat meerdere juridische duidingen van het categorie II-voorbehoud mogelijk zijn, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het gemaakte voorbehoud mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Zeker wanneer het professionele partijen betreffen die met elkaar onderhandelen, ligt het voor de hand om daarbij in eerste instantie te kijken naar de bewoordingen waarin het voorbehoud is omschreven.1
Categorie III-voorbehouden zullen, om dezelfde redenen als categorie II-voorbehouden, naar hun aard niet kunnen kwalificeren als een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Verder meen ik dat het kwalificeren van categorie III-voorbehouden als vormvoorschriften wel een buitengewoon extensieve en m.i. onwenselijke interpretatie c.q. oprekking van het begrip vormvereiste met zich brengt, zodat ik geneigd ben categorie III-voorbehouden te zien als (misschien wel de meest zuivere) opschortende voorwaarden. Overigens zouden deze voorbehouden ook als voorovereenkomsten kunnen worden gezien. De gedachte is dan dat er sprake is van een promisse dat een bepaalde rechtshandeling verricht zal gaan worden indien zich een bepaalde feitelijke situatie voordoet of een bepaalde (andere) rechtshandeling wordt verricht.
Schematisch weergegeven geeft het voorgaande het volgende beeld:
Categorie
Aard van het voorbehoud
Mogelijke juridische kwalificaties
I
Intreden voorwaarde afhankelijk van de wil van (één van) partijen
Vormvereiste, voorovereenkomst, beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid
II
Intreden voorwaarde afhankelijk van de wil van een derde
Opschortende voorwaarde, vormvereiste, voorovereenkomst
III
Intreden voorwaarde onafhankelijk van de wil van (één van) partijen en van de wil van derden
Opschortende voorwaarde, voorover-eenkomst
Of, anders weergegeven:
De juridische verschillen in benadering/kwalificatie van voorbehouden kunnen aanzienlijk zijn. Ik wees hiervoor al op het verschil in toepasselijkheid van de artt. 3:296 lid 2 BW en 6:23 BW en de mogelijkheid tot het nemen van conservatoire (beslag)maatregelen. Daaraan voeg ik nog toe art. 3:57 BW dat bepaalt dat indien een rechtshandeling, om het beoogde gevolg te hebben, goedkeuring, machtiging, vergunning of enige andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een andere persoon, die geen partij bij de rechtshandeling is, behoeft, iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de rechtshandeling zijn geweest kan aanzeggen dat, indien niet binnen een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien zonder gevolg zal blijven. Verder wees ik op de gevolgen van een op enig moment gedurende het onderhandelingsproces zich voordoende beschikkingsonbevoegdheid of handelingsonbekwaamheid. Heeft dit, voor zover zich deze omstandigheden voordoen na het sluiten van de overeenkomst, bij het sluiten van een overeenkomst onder opschortende voorwaarden in beginsel geen verbintenisrechtelijk effect, anders is dit bij een voorovereenkomst. Tot slot wijs ik in dit verband op de verschillende grondslagen voor eventuele in te stellen vorderingen uit hoofde van afgebroken onderhandelingen. Bij een voorbehoud dat kwalificeert als een voorovereenkomst zal daarvan nakoming worden gevorderd, evenals van een overeenkomst die onder opschortende voorwaarde is aangegaan. Wie een "subject to contract"-voorbehoud is overeengekomen (een vormvereiste), maar weigert de bereikte overeenstemming schriftelijk vast te leggen, zal zich geconfronteerd zien met een vordering die is gebaseerd op onrechtmatige daad. Dit heeft uiteraard ook weer gevolgen voor het op de rechtsverhouding tussen partijen toepasselijk te achten recht in internationale verhoudingen en, in dergelijke verhoudingen, op de vraag welke rechter alternatief bevoegd is om van een gerezen geschil kennis te nemen. Tot zover enkele voorbeelden van verschillende rechtsgevolgen die aan de diverse kwalificaties verbonden zijn.
Toch lenen zich de hier behandelde kwalificaties, hoe verschillend zij in hun uitwerking op sommige punten ook zijn mogen, wel voor een gemeenschappelijke behandeling van een aantal soortgelijke problemen. Stel bijv. dat namens een vennootschap is onderhandeld "onder het voorbehoud van goedkeuring door de raad van commissarissen van de vennootschap". Stel voorts dat de bestuurder van de vennootschap of een van de commissarissen zich op enig moment jegens de onderhandelingspartner laat ontvallen dat "de behandeling door en goedkeuring van de raad van commissarissen nog slechts een formaliteit betreft" terwijl goedkeuring uiteindelijk niet blijkt te worden verleend. Of men het betreffende voorbehoud dat de raad van commissarissen goedkeuring moet verlenen nu ziet als een vormvereiste (in dit geval in ruime zin), als een opschortende voorwaarde, een voorovereenkomst of als een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid, de vraag naar de juridische consequentie van de handelwijze van het betreffende lid van de raad van commissarissen casu quo de raad van commissarissen als zodanig door goedkeuring (alsnog) te onthouden, wordt daardoor niet wezenlijk anders. Moet dit juridisch bijv. worden gekwalificeerd als afstand door de raad van bestuur van het recht om goedkeuring te onthouden of wellicht zelfs als misbruik van recht? Of moet de betreffende handelwijze wellicht als onrechtmatig worden aangemerkt? En dient de opmerking van de bestuurder te worden gezien als rechtsverwerking ten aanzien van het recht om zich op het voorbehoud te kunnen beroepen? Deze (en andere) vragen spelen ongeacht het betreffende voorbehoud.