Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.2.3
10.2.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587136:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 551; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 264 en 267; Losbladige Verbintenissenrecht 2001 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:145, aant. 1; Van Achterberg 1999, nr. 17 (fine); Wibier 2009a, nr. 25; T&C Vermogensrecht 2002 (T.J. Mellema-Kranenburg), art. 6:145, aant. 1; HR 18 november 2005, NJ 2006, 190 (Nap/Rabobank). Vgl. ten aanzien van verpanding: Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 835a; Reehuis 1987, p. 241; Rank-Berenschot 1997b, p. 49-50; Verdaas 2008a, nr. 428; lastgeving: Asser 1999, 5.11 en 5.12; Van der Grinten 1993a, nr. 23 (p. 27); Mijnssen 1971, p. 933; Kortmann 1994a, p. 222 en nt. 14; Beuving 1996, nr. 7.3.2, p. 118 en nt. 32; Groefsema 1993, p. 118; Schoordijk 1987, p. 64; Mijnssen 1971, p. 933; Busch 2000, p. 442 r.k. e.v.; en derdenbeslag: Heyning-Plate 1969, p. 106; H. Stein 1992, p. 236; Broekveldt 2003a, nr. 42 e.v., nr. 210 e.v. en nr. 297 e.v.; Faber 2005, nr. 267, nt. 115; Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 99; Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10.
Broekveldt 2003a, nr. 210 e.v. duidt het beginsel bij derdenbeslag aan als het non-peius- beginsel, dat inhoudt als dat de schuldenaar van de beslagen vordering door het beslag niet in een slechtere positie mag komen te verkeren. De schuldenaar kan echter volgens hem bijvoorbeeld niet een arbitragebeding aan de beslaglegger tegenwerpen (zie hierna nr. 569).
Algemeen gesteld, door een verandering van zeggenschap ten aanzien van een vordering verandert de rechtspositie van de schuldenaar niet, omdat de vordering niet verandert, maar alleen de persoon met zeggenschap.
Vgl. hiervóór nr. 555.
Zie hierna nr. 606 (verrekening) en nr. 611 (eis in reconventie).
Zie bijvoorbeeld art. 6:130 lid 2 BW.
557. Als een derde inningsbevoegd wordt ten aanzien van andermans vordering, treedt hierdoor geen verandering (verslechtering noch verbetering) op in de rechtspositie van de schuldenaar voor zover deze betrekking heeft op de vordering.1 Bedingen, overeenkomsten en vonnissen die nader de inhoud van de vordering bepalen, kan de schuldenaar aan de inningsbevoegde derde tegenwerpen. De derde oefent slechts andermans recht uit; om die reden kan rechtens geen verandering in de rechtspositie van de schuldenaar ten aanzien van de vordering optreden.2 De inningsbevoegde derde kan niet meer rechten uitoefenen dan aan de schuldeiser toekomen. De verklaring is een toepassing van de nemo-plus-regel.3 Net als bij de overgang van de vordering blijft de vordering bij de uitoefening door een ander dan de schuldeiser ongewijzigd. Net als de rechtsverkrijger, kan de derde niet meer rechten uitoefenen dan de ( oorspronkelijke) schuldeiser. De overgang van de vordering en de uitoefening van de vordering door een derde komen daarom op hetzelfde neer: alleen de persoon die de vordering uitoefent, verandert, niet de vordering zelf, en daardoor verandert evenmin de rechtspositie van de schuldenaar ten aanzien van de vordering.4 Hiervoor bestaat een vergelijkbare rechtvaardiging als bij de overgang van vorderingen, namelijk dat de schuldenaar door de verandering in inningsbevoegdheid buiten zijn instemming niet in een slechtere (of betere) rechtspositie mag komen. 5
Door de uitoefening van de vordering door een derde blijven, net als bij de overgang van de vordering, alleen de bevoegdheden en de verweermiddelen van de schuldenaar ten aanzien van de vordering onveranderd. Alleen in zoverre blijft de rechtspositie van de schuldenaar dezelfde. In andere opzichten blijft de rechtspositie van de schuldeiser niet ongewijzigd. Afgezien van een feitelijke verandering van de inningsbevoegde persoon die de vordering op een andere manier kan innen dan de schuldeiser, 6 kan de toekenning van de exclusieve inningsbevoegdheid aan een derde bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de bevoegdheid van de schuldenaar om te verrekenen of een eis in reconventie in te stellen.7 Ook in dit opzicht is de uitoefening van vordering door een derde vergelijkbaar met de overgang van vorderingen. Alleen een wettelijke bepaling kan ervoor zorgen dat de rechtspositie van de schuldenaar ongewijzigd blijft, of dat binnen bepaalde redelijke grenzen de rechtspositie van de schuldenaar, voor zover die betrekking heeft op bestaande of redelijk te verwachten bevoegdheden, zoveel mogelijk wordt beschermd tegen de gevolgen van de uitoefening van de vordering door een derde.8