Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.5.2
4.5.2 Pleitbaar standpunt
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270129:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De terminologie ten aanzien van het fiscale pleitbare standpunt heeft zich ontwikkeld gedurende de tijd: HR 11 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:BH6683, BNB 1984/268 – “zodanig pleitbaar”, HR 7 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3892, BNB 1988/319, r.o.4.4. – “in die mate verdedigbaar”, HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6. – “lichtvaardig handelen”.
Zie ook Besluit van 9 november 2000, nr. RTB2000/2474M, BNB 2001/13.
Het eerste pleitbaar standpunt arrest stamt uit 1984: HR 11 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:BH6683, BNB 1984/268.
Kors 2018a.
HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR:3719 al heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich in 2001 al wel over het pleitbaar standpunt uitgelaten: HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD:4466, NJ 2002/221.
Bruijsten 2012, onderdeel 3.3.
HR 14 februari 1916, ECLI:NL:HR:1916:BG9431, NJ 1916/681 (Melk en waterarrest).
De Bont 2005a, onderdeel 3.
HR 30 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2299, BNB 1999/17.
HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, BNB 2002/118.
HR 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822, BNB 1987/26, r.o. 4.2.
Voor een voorbeeld van een zaak waarin een boete op grond van art. 67f AWR van tafel werd geveegd: Hof Amsterdam 22 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1476.
Bruijsten 2012, onderdeel 3.4.
Bruijsten 2012, onderdeel 3.4.
HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5.
Bruijsten 2012, onderdeel 4.3.verwijst naar Hof Amsterdam 7 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:BR0740.
Bruijsten 2012, onderdeel 4.3 verwijst naar Hof Arnhem 29 juli 2005, nr. 03/0762, V-N 2005/38.4, overweging 9.
Dit geldt ook, zij het in mindere mate voor lagere rechtspraak (in mindere mate want: rechtseenheid is geen functie die gekoppeld is aan het werk van lagere rechters) en voor advies van een A-G (in mindere mate want: is onafhankelijk advies).
Bruijsten 2012, onderdeel 4.2 verwijst naar Hof ‘s-Hertogenbosch 14 augustus 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:0155, r.o. 4.7.
Bruijsten 2012, onderdeel 4.1. verwijst naar Hof ‘s-Hertogenbosch 30 november 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BL7431, r.o. 4.6.
Bruijsten 2012, onderdeel 4.4.
P.J. van Hagen & A.C.M. Klaasse, Alle boetes fiscale eenheid OB van tafel(?), BTW-bulletin 2018/28 en C. Hofman en G.J.M.E. de Bont, De fiscale eenheid als (medeplegende) boeteling, WFR 2018/119.
Hof ’s-Hertgenbosch 21 juni 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:BL8459 via HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4466, NJ 2002/221.
Conclusie A-G Wattel van 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897.
De Bont en Vissers 2015, onderdeel 3.
Kors 2017, p. 169-171 en 186-188.
De Hullu 2018, p. 372.
Zie bijvoorbeeld: HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105, BNB 1993/193.
Bruijsten 2012, onderdeel 2.3.
HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4466, NJ 2002/221 en HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2912:BQ8596, NJ 2012/176 r.o. 7.3 en 7.4.
In dit arrest verschafte de Hoge Raad duidelijkheid op een wijze die nauw aansluit bij de definities in het fiscale boeterecht.
De Bont en Vissers 2015, onderdeel 1.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, BNB 2017/162 (Credit Suisse). Bijvoorbeeld HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542, NJ 2018/270 en HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3056.
Van derden gekochte winstvennootschappen die zijn ingezet in het kader van investeringen dan wel financieringen. De betreffende investeringen dan wel financieringen zijn zodanig vormgegeven dat in de Nederlandse vennootschappen rentelasten ontstonden die effectief ten laste konden komen van de (gerealiseerde en voorzienbare) fiscale winsten van de winstvennootschappen. Voor de voordelen die werden verwacht in het kader van de investeringen en financieringen van de winstvennootschappen, hebben de winstvennootschappen aanspraak gemaakt op toepassing van de deelnemingsvrijstelling.
Rb. Noord-Holland 6 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11321, r.o. 4.42, waarop bijvoorbeeld commentaar werd geleverd door Baron en Bekker 2014 en 2015.
Hof Amsterdam 8 oktober 2015, ECLI:N:GHAMS: 4098, r.o. 4.5.6. t/m 4.5.8.
De redactie van de Vakstudie-Nieuws in V-N 2015/53.10.
Wattel op dit punt: “Wel meen ik met de Staatssecretaris dat voor een pleitbaarheidsoordeel niet dragend kan zijn dat (r.o. 4.5.6) in het maatschappelijk klimaat ten tijde van het opzetten en implementeren van de structuur en het doen van de aangiften, in de maatschappelijke kringen waarvan belanghebbenden en haar adviseurs deel uitmaakten structuren als de onderhavige als legaal en toelaatbaar werden beschouwd’. De Staatssecretaris klaagt mijns inziens terecht dat de aard van de kringen waarin iemand verkeert zijn standpunt niet pleitbaar (of niet-pleitbaar) maakt. Dat leidt echter niet tot cassatie omdat het Hof al op grond van de wettekst, de wetsgeschiedenis, en de vakliteratuur tot het oordeel was gekomen dat belanghebbendes standpunt pleitbaar was.”
Conclusie A-G Wattel van 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897, overweging 9.23.
Conclusie A-G Wattel van 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897, overweging 9.31.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, BNB 2017/162 (Credit Suisse).
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, BNB 2017/162 (Credit Suisse).
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, BNB 2017/162 (Credit Suisse).
Leenders en Klaasse (2018, onderdeel 4.3.) lijken te menen van wel: Volgens Leenders en Klaasse is de uitdrukkelijke koppeling van het pleitbare standpunt aan het opzetbegrip wel een bevestiging van het boze opzet in de AWR.
Terwijl Kors (2017) op p. 263 en 264 anders concludeert.
HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542, NJ 2018/270 en HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3056, NJ 2018/271.
Kors 2018b.
Op grond van paragraaf 4 lid 2 van het BBBB is van een pleitbaar standpunt sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is1 dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.2
Het pleitbaar standpunt is een typisch fiscale constructie,3 al wordt ook wel gespeculeerd over de toekenning van een rol aan dit beginsel buiten het fiscale recht.4 Ook al is het pleitbaar standpunt typisch fiscaal, op 8 februari 2005 heeft ook de strafkamer van de Hoge Raad het pleitbaar standpunt (voor het eerst) in een fiscale strafzaak aanvaard.5 In het hiernavolgende zal op de verschillen tussen de fiscale en strafrechtelijke benadering in worden gegaan. Alvorens daartoe over te gaan is het goed om in eerste instantie stil te staan bij het gevolg van het aannemen van een pleitbaar standpunt.
Het rechtsgevolg van een pleitbaar standpunt
Het pleitbaar standpunt heeft namelijk invloed op de verwijtbaarheid van gedrag: een standpunt dat pleitbaar is, maar onjuist, levert geen verwijtbaar gedrag op. In aansluiting hierop: ten aanzien van de vraag naar de pleitbaarheid wordt volgens Bruijsten altijd een tweewaardig antwoord verlangd: het standpunt is pleitbaar of niet pleitbaar. De vraag is namelijk of al dan niet een sanctie kan worden opgelegd. Er is geen tussenweg (‘een beetje pleitbaar’).6
Dat verwijtbaarheid een vereiste is voor bestraffing is overigens reeds sinds het Melk en Waterarrest bekend.7
Vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid sluit een pleitbaar standpunt het opleggen van een verzuimboete, een vergrijpboete,8 alsook een strafrechtelijke sanctie uit.9
Een aantal voorbeelden: uit een arrest van de Hoge Raad van 20 september 1998 kan worden afgeleid dat een boete niet op zijn plaats is indien een belastingplichtige heeft miskend dat een voordeel belastbaar is, “waaromtrent blijkens ’s Hofs – zij het onjuiste – oordeel verschillend inzicht mogelijk is.”10 De wetgever gaf in datzelfde jaar aan dat geen sprake is van opzet bij een belastingplichtige die niet helemaal duidelijk weet of hij een bate moet aangeven of een uitgave mag aftrekken, en die redelijkerwijs kan menen juist te handelen door in de aangifte het voor hem meest gunstige, pleitbare standpunt in te nemen.11 En uit een arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2002 blijkt dat een pleitbaar standpunt niet slechts aan bewijs van grove schuld in de weg staat, maar tevens opzet aan de zijde van de belastingplichtige onmogelijk maakt.12 Overigens was al eerder zo geoordeeld door de Hoge Raad:
“De omstandigheid dat het door belanghebbende in haar aangifte ingenomen standpunt (…) door het Hof als juist is aanvaard, noopt tot de gevolgtrekking dat (…) niet kan worden gezegd dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de primitieve aanslag te laag is vastgesteld. Mitsdien is in de navorderingsaanslag ten onrechte een verhoging begrepen.”13
Is kortom sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belastingplichtige geen verwijt worden gemaakt dat door zijn toedoen geen of te weinig belasting is geheven, waardoor een straf uit den boze is.14
Pleitbaar?
Nu helderheid is verschaft omtrent het rechtsgevolg van een pleitbaar standpunt, zal stil worden gestaan bij het waarderen van de pleitbaarheid van een standpunt.
Volgens Bruijsten gaat het niet alleen om het aantal argumenten dat ten bewijze van de pleitbaarheid wordt aangedragen, maar ook om het gewicht van elk van de argumenten afzonderlijk. Hij meent dat het zwaartepunt ligt bij de analyse of er ten minste enige argumentatie pro bestaat die de opzet of grove schuld buiten de deur houdt. Zijn die argumenten wel aanwezig maar minimaal en zijn er wel argumenten tegen het ingenomen standpunt, dan kan zeer worden betwijfeld of er dan toch nog sprake is van een pleitbaar standpunt. Bruijsten denkt dus dat een kwalitatieve benadering van het pleitbaar standpunt gepast is.15 Over een kwantitatieve benadering schrijft hij:
“Als we het aantal argumenten pro en contra kunnen tellen en de waardering in een getal zouden kunnen uitdrukken, dan zouden we een kwantitatieve analyse kunnen maken van de argumentatie pro of contra een bepaald standpunt. In de praktijk is het echter niet zo simpel om het gewicht van argumenten vast te stellen. Daarbij komt dat de waardering van het gewicht van argumenten deels een subjectieve aangelegenheid is. Het is dus niet verwonderlijk dat de Hoge Raad nooit voor deze oplossing heeft gekozen.”16
Het is al met al erg lastig om concreet aan te geven waar de grens ligt tussen pleitbare standpunten en niet pleitbare standpunten. De Hoge Raad heeft in een arrest van 12 maart 2012 in ieder geval geoordeeld dat een pleitbaar standpunt op rechtskundige, en dus niet op feitelijke, oordelen moet zijn gebaseerd.17 Er zijn nog meer aanwijzingen of vuistregels en Bruijsten geeft hiervan een overzicht (grotendeels afgeleid uit jurisprudentie).
In de eerste plaats geldt dat bij de beoordeling van de inhoud van de feiten op de belastingplichtige een onderzoeksplicht rust en deze plicht geldt op de tweede plaats ook ten aanzien van het recht.18 Zo moet een ingenomen standpunt consistent zijn met niet voor uiteenlopende uitleg vatbare wetgeving en rechtspraak van de Hoge Raad. Dat een ingenomen standpunt inconsistent is met vergelijkbare lagere rechtspraak, een conclusie van een A-G en/of opvattingen in de literatuur neemt niet weg dat het standpunt pleitbaar kan zijn.19 Een belastingplichtige heeft voorts een pleitbaar standpunt als in een vergelijkbare zaak de Hoge Raad eenzelfde standpunt heeft ingenomen.20 Als een belastingplichtige een standpunt inneemt ten aanzien van de uitleg van een arrest van de Hoge Raad (bijvoorbeeld ten aanzien van de reikwijdte), kan sprake zijn van een pleitbaar standpunt. De vraag is dan in hoeverre een arrest van de Hoge Raad voor uiteenlopende uitleg vatbaar is en in hoeverre de uitleg van het arrest van de Hoge Raad door de belastingplichtigen kan worden onderbouwd.21 Ook de afwezigheid van rechtspraak kan een standpunt pleitbaar maken.22
Bruijsten meent dat ter onderbouwing van een standpunt een beroep kan worden gedaan op de mening van een auteur. Hij schrijft dat de autoriteit van de betreffende auteur een rol speelt en ook is volgens hem relevant hoe de autoriteit van de bron/vindplaats moet worden gewogen. Ik ben er huiverig voor Bruijsten hier te volgen. Hij stelt bijvoorbeeld ook dat zolang er in de literatuur een oprecht verschil van mening bestaat, niet te snel tot niet-pleitbaarheid worden geconcludeerd.23 Zo zijn er bijvoorbeeld op het gebied van de mogelijkheid een fiscale eenheid te beboeten twee stromingen in de literatuur.24 Ik kan me niet voorstellen dat een belastingplichtige fiscale eenheid een boete met recht kan bestrijden door de pleitbaarheid van zijn standpunt te onderbouwen middels verwijzing naar de gezaghebbende maar verdeelde literatuur op dit punt.
Voorts geldt het volgende ten aanzien van de communicatie tussen de Belastingdienst en belastingplichtige. De belastingplichtige moet zijn zienswijze aan de inspecteur kenbaar maken. Wanneer hij het innemen van zijn standpunt in de aangifte achterwege laat, dan handelt hij – in geval van standpunten die niet pleitbaar zijn – dermate lichtvaardig dat een boete kan worden opgelegd, aldus Sitsen.25 Zo wees Hof ‘s-Hertogenbosch op 21 juni 2000 een beroep op een pleitbaar standpunt af omdat niet aannemelijk was dat de verdachte zijn standpunten zoals bedoeld bij de Belastingdienst is gaan bepleiten.26 Aan de andere kant brengt het innemen van een standpunt waarvan de belastingplichtige weet dat dit de Belastingdienst (mogelijk) onwelgevallig zal zijn, niet mee dat de aangifte niet op die manier mocht worden ingediend.27
Objectieve of subjectieve interpretatie?
Na inzicht te hebben verschaft in de rechtsgevolgen van een pleitbaar standpunt en in argumenten die bijdragen aan de mate van pleitbaarheid, wordt nu stilgestaan bij de verschillen die ten aanzien van de interpretatie van het begrip pleitbaar standpunt in het fiscale bestuurlijke boeterecht enerzijds en het fiscale strafrecht anderzijds. Voordat de verschillen nader worden toegelicht is belangrijk dat duidelijk is waarom de verschillen ertoe doen. Wattel beschrijft de relevantie als volgt:
“Zeker is het uit een oogpunt van rechtseenheid wenselijk dat uw strafkamer het pleitbare standpunt op dezelfde wijze invult als uw belastingkamer. Het meest sprekende argument daarvoor is dat de keuze tussen bestuurlijke beboeting en strafrechtelijke vervolging afhangt van bestuurlijke opportuniteit en discretionaire keuzes op basis van bestuurlijke beleidsregels tot toepassing van de una via-regeling (artt. 5:44 Awb en 243(2) WvSv.)”28
Met De Bont en Vissers meen ik dat het problematisch is dat de invulling die door de belastingkamer en de strafkamer aan bepaalde leerstukken wordt gegeven niet altijd synchroon loopt. Het problematische element is gelegen in het feit dat een bepaald verweer binnen de ene doctrine bevrijdend kan werken, terwijl binnen de andere doctrine dat verweer niet zal slagen. In het geval van het pleitbare standpunt schrijven zij dat het in theorie mogelijk is dat degene ten aanzien van wie op enig moment komt vast te staan dat hij wel een objectief, maar geen subjectief pleitbaar standpunt heeft, dus juist strafrechtelijk kan worden vervolgd teneinde bestraffing mogelijk te maken. Fiscaal zou die persoon immers geen beboetbaar verwijt kunnen worden gemaakt. Een dergelijk onderscheid is volgens De Bont en Vissers onwenselijk en leidt tot rechtsongelijkheid.29
Dan nu terug naar de verschillen in de interpretatie van het begrip pleitbaar standpunt in het fiscale bestuurlijke boeterecht en het fiscale strafrecht. Ten eerste is de fiscale interpretatie altijd geweest dat een pleitbaar standpunt leidde tot het ontbreken van opzet en grove schuld, terwijl in het strafrecht lange tijd onduidelijk is geweest of een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet of tot toepasselijkheid van een strafuitsluitingsgrond zou leiden.30 Zo noemt De Hullu het pleitbaar standpunt de fiscale variant binnen de deelvarianten van de ongeschreven schulduitsluitingsgrond avas. De Hullu maakt – binnen avas – een onderscheid tussen feitelijke dwaling en rechtsdwaling, ook al benoemt hij direct dat het onderscheid niet altijd gemakkelijk te maken valt. Feitelijk dwaling zou kunnen betekenen dat belastingplichtige niet duidelijk heeft hoeveel omzet hij heeft gemaakt. Rechtsdwaling is fiscaal gezien wellicht beter voorstelbaar. In dat geval wordt een fiscale faciliteit bijvoorbeeld niet op de juiste wijze toegepast.31
Het tweede verschil heeft te maken met de wijze van toetsing van de pleitbaarheid (waaronder het moment ervan). In het fiscale recht is de objectieve benadering altijd de geldende geweest.32 Bij een objectieve benadering gaat het om de objectieve houdbaarheid van het door de belastingplichtige ingenomen standpunt, die kan worden afgeleid uit (de eventuele afwezigheid van) voldoende argumenten ter ondersteuning van zijn standpunt, los van de vraag of de belastingplichtige deze argumenten daadwerkelijk zelf heeft aangedragen.33 De strafrechtelijke opvatting over het pleitbaar standpunt wordt subjectief genoemd. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2001 is bepalend of de verdachte, toen hij aangifte deed, niet in de veronderstelling verkeerde dat de wijze waarop de aangifte was gedaan ontoelaatbaar was.34
De Bont en Vissers halen een voorbeeld aan van de strafkamer van de Hoge Raad van 6 maart 2012, waarin de verdachte in de strafzaak op de proppen kwam met opinies van twee professoren in het belastingrecht (waardoor sprake kon zijn van een objectief pleitbaar standpunt), maar vaststond dat hetgeen zij betoogden hem niet voor ogen had gestaan ten tijde van het doen van aangifte (dus geen subjectief pleitbaar standpunt):
“Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat inden de verdachte het verweer voert dat hij bij het doen van belastingaangifte heeft gehandeld op grond van een zogenoemd fiscaal pleitbaar standpunt, de rechter dient te beoordelen of hij redelijkerwijs kon en mocht menen dat de wijze waarop hij die aangifte heeft gedaan, toelaatbaar was (vgl. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/35835). Indien de rechter evenwel vaststelt dat de verdachte, toen hij deze aangifte deed niet in de veronderstelling verkeerde dat de wijze waarop deze aangifte is gedaan toelaatbaar was, stuit het verweer reeds op die vaststelling af.”36
Credit Suisse
Op 21 april 2017 is door de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen, waarin duidelijkheid werd verschaft over de interpretatie van het pleitbaar standpunt in het fiscale boeterecht en strafrecht.37 Dit arrest staat bekend als het Credit Suisse arrest, en was opzienbarend omdat deze gelijknamige bank van grote reputatie door de Belastingdienst werd geconfronteerd met een forse vergrijpboete vanwege fiscale grensverkenning.38
Heel kort gezegd meende de inspecteur in deze zaak de centraal staande fiscale constructie met fraus legis te kunnen bestrijden (zie later, paragraaf 3.5.4) en de bank verweerde zich met een beroep op het pleitbaar standpunt. Het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 6 november 2013 deed in eerste instantie veel stof opwaaien, omdat een vergrijpboete na fraus legis in stand werd gelaten.39 Het Hof Amsterdam oordeelde op 8 oktober 2015 dat sprake was van een pleitbaar standpunt, waardoor de boete moest vervallen. Een van de overwegingen van het Hof Amsterdam luidde als volgt:
“4.5.6. (…) Bij zijn oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen dat in het maatschappelijk klimaat ten tijde van het opzetten en implementeren van de structuur en het doen van de aangiften, in de maatschappelijke kringen waarvan belanghebbenden en haar adviseurs deel uitmaakten structuren als de onderhavige als legaal en toelaatbaar werden beschouwd. Hun standpunt dient derhalve, in termen van de jurisprudentie van de Hoge Raad, als objectief pleitbaar te worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de boeten, ook voor zover daaraan (subsidiair) grove schuld ten grondslag is gelegd, dienen te worden vernietigd. 4.5.7. (…) 4.5.8. Aan het voorgaande doet niet af de stelling van de inspecteur dat het niet zo kan zijn dat agressieve tax planning die als fraus legis moet worden gekwalificeerd, een ‘loterij zonder nieten’ wordt ingeval daarop geen fiscale boete kan worden gesteld. Voor zover geen sprake is van een wettelijke bepaling waarop zo’n boete zou kunnen worden gebaseerd – en dat geval doet zich hier naar ’s Hofs oordeel voor – is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om in een op dit punt aanwezig geacht rechtstekort te voorzien.”40
Terecht wijst het hof op het feit dat bestraffing zonder voorafgaande wettelijke en duidelijke bepaling niet kan. Voorts staat het hof een objectieve interpretatie van het pleitbaar standpunt voor, al is opmerkelijk dat als één van de maatstaven van pleitbaarheid de maatschappelijke opvattingen in een bepaald milieu gelden. Met de redactie van de Vakstudie-Nieuws meen ik dat het ver gaat dat het hof mede in aanmerking heeft genomen dat in het maatschappelijke klimaat ten tijde van het opzetten van de structuur in de maatschappelijke kringen waarvan belanghebbenden en hun adviseurs deel uitmaakten, dergelijke structuren als legaal en toelaatbaar werden beschouwd.41
Wat hiervan ook zij,42 de staatssecretaris meent dat uit rechtspraak van de Hoge Raad af te leiden valt dat voor de vraag of de belastingplichtige een pleitbaar standpunt heeft, een (beperkt) subjectieve toets dient te worden aangelegd, en geen objectieve, zoals het hof haar toets uitdrukkelijk noemt. Naar aanleiding van dit middel heeft A-G Wattel de vraag opgeworpen of het pleitbare standpunt in het fiscale boeterecht anders wordt beoordeeld en tot andere uitkomsten leidt dan in strafzaken. A-G Wattel bepleit een objectieve benadering van het pleitbaar standpunt in het fiscale recht:
“Uw boven geciteerde rechtspraak houdt mijns inziens in dat niet beslissend is welke ideeën of argumenten (if any) de belastingplichtige had toen hij zijn aangifteformulier op een bepaalde wijze invulde (en daarmee een ‘standpunt’ innam); niet beslissend is of hem een bepaalde onderbouwing van een standpunt voor ogen stond of dat hij voetstoots ergens van uitging of juist niet van uitging (of maar wat deed). Uw maatstaf houdt niet in dat ‘zodanige argumenten’ waren aan te voeren, maar dat ‘zodanige argumenten’ zijn aan te voeren. Van belang lijkt dus slechts dat er (achteraf) zodanige argumenten voor een uit de aangifte volgend standpunt kunnen worden aangevoerd dat het (objectief) niet lichtvaardig zou zijn geweest om de aangifte te doen zoals gedaan als de belanghebbende toen die argumenten had bedacht. De argumenten moeten er wel zijn, maar hoeven niet ten tijde van de aangifte reeds bedacht te zijn.”43
A-G Wattel sluit af door de fiscale benadering te vergelijken met de strafrechtelijke benadering:
“Als de strafkamer al een andere koers vaart (ik vermoed dat de uitkomst zelden anders zal zijn), dan zal dat denkelijk komen doordat het strafrecht binnen diens subjectieve opzetdogmatiek niet uit de voeten kan met objectieve pleitbaarheid als disculperende omstandigheid. De oplossing daarvoor ligt echter binnen het strafrecht en voor de hand. Zoals Ilsink al opmerkte (zie 9.14 hierboven) kan het punitief-bestuursrechtelijke objectief pleitbare standpunt in de strafrechtelijke dogmatiek ingepast worden in het strekkingsvereiste van de opzetdelicten van art. 69 AWR: als een standpunt objectief pleitbaar blijkt te zijn, strekte de gedraging er (dus) (objectief) niet toe dat te weinig belasting wordt geheven en is dus dat delictsbestanddeel niet vervuld, zodat vrijspraak volgt, geheel in lijn met uw bestuurlijk-punitieve rechtspraak. Ik merk op dat het strekkingsvereiste juist in de strafwet is gekomen om de te lage heffing aan het opzetverband te onttrekken, dus om te objectiveren. U formuleerde het aldus dat: “op grond van de ontstaansgeschiedenis van art. 69 AWR moet worden aangenomen, [dat, PJW] voor de beantwoording van de vraag of de gestelde gedraging ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven beslissend is of die gedraging […] naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.”44
Vervolgens overweegt de Hoge Raad, in zijn arrest van 21 april 2017, als volgt ten aanzien van de interpretatie van het pleitbaar standpunt in het fiscale boeterecht:
“3.4.5. Indien een onjuiste belastingaangifte wordt gedaan, kan ter zake daarvan geen vergrijpboete als bedoeld in de artt. 67d en 67e AWR worden opgelegd indien aan die aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat die aangifte onjuist is dan wel dat daardoor te weinig belasting is geheven, ook al wordt het aan die aangifte ten grondslag liggende standpunt later door de rechter onjuist bevonden. Omdat de pleitbaarheid van dat standpunt naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld, en mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.4 is vooropgesteld, is in dit verband niet van belang of de belastingplichtige bij het doen van de aangifte de pleitbare maar later onjuist bevonden uitleg voor ogen heeft gestaan. 3.4.6. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergrijpboete van art. 67f AWR, indien aan een ontoereikende voldoening of afdracht van belasting op aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht.”45
De Hoge Raad kiest dus met duidelijke taal voor de objectieve benadering van het pleitbaar standpunt. Deze benadering lijkt ook in het fiscale strafrecht te moeten gelden, zo blijkt uit de volgende overweging, waar een koppeling wordt gemaakt met het fiscale strafrecht:
“3.4.7. Met betrekking tot een mogelijke strafvervolging geldt het volgende. Indien een onjuiste of onvolledige belastingaangifte wordt gedaan, maar de betrokkene ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte juist en volledig was, bijvoorbeeld omdat deze gebaseerd was op een pleitbaar standpunt als hiervoor in 3.4.5 bedoeld, kan niet worden gezegd dat hij opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan die ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, e.e.a. in de zin van art. 69, lid 2, AWR.”46
De Hoge Raad is kortom om gegaan: objectief is de maatstaf, zowel in het fiscale bestuursrecht, als in het fiscale strafrecht. Het vervolg van de rechtsoverweging geeft aan dat een achteraf benadering (ook in het kader van de aanname van voorwaardelijk opzet) noodzakelijk is:
“Daartoe is immers vereist dat de betrokkene opzettelijk heeft gehandeld, dus minst genomen met voorwaardelijk opzet, hetgeen betekent dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ten onrechte geen onderscheidenlijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Dat laatste doet zich niet voor indien, al dan niet achteraf bezien, de door de betrokkene aanvaarde kans dat de aangifte onjuist of onvolledig zou blijken te zijn, niet aanmerkelijk was.”47
Tot nu toe bleek het lastig, of zelfs onmogelijk, het pleitbaar standpunt in te passen in de strafrechtelijke doctrine van kleurloos opzet. Ondanks het feit dat argumenten te bedenken zijn voor de aanname van boos opzet, waardoor het pleitbaar standpunt wel zou passen, is de Hoge Raad op dit punt (van de kleur van opzet) niet expliciet om gegaan.48 Sinds het Credit Suisse arrest is duidelijk dat de Hoge Raad het pleitbaar standpunt niet inpast in de kleur van opzet, maar in de gradatie. Zoals De Bont het verwoordt: bij een pleitbaar standpunt is geen aanmerkelijke kans aanwezig op een onjuiste aangifte.49
Op 3 oktober 2017 en op 1 december 2017 heeft de strafkamer van de Hoge Raad expliciet overwogen dat het pleitbaar standpunt objectief moet worden geïnterpreteerd.50 Onder andere Kors meent dat de Hoge Raad middels deze arresten heeft willen duidelijk maken zich aan te sluiten bij het Credit Suisse arrest,51 al bleek uit dit laatstgenoemde arrest al duidelijk dat de Hoge Raad een eenduidige interpretatie voor ogen had. Uniforme uitleg lijkt – via welke weg dan ook – een goede ontwikkeling, aangezien een pleitbaar standpunt verweer in het fiscale boeterecht in dat geval niet tot andere conclusies meer kan leiden dan in het fiscale strafrecht.