Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/10.2.2.2
10.2.2.2 Bedrijfsfusie
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395939:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In art. 2, letter c Richtlijn is de faciliteit rondom inbreng van activa verwoord “als de rechtshandeling waarbij een vennootschap, zonder ontbonden te worden, haar gehele dan wel een of meer takken van haar bedrijvigheid inbrengt in een andere vennootschap, tegen verkrijging van bewijzen van deelgerechtigdheid in het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap welke de inbreng ontvangt.”
Kamerstukken II, 1991-1992, 22338, nr. 3, blz. 13 en Kamerstukken II, 1991-1992, 22338, nr. 5, blz. 3.
De wetgever heeft voor het eerst een bedrijfsfusiefaciliteit geregeld in het Besluit VPB 1942 (art. 18 lid 2). Deze bepaling hield in dat er bij de overdracht van alle vermogensbestanddelen van een NV aan een andere NV niet hoefde te worden afgerekend als de tegenprestatie bestond in de toekenning van aandelen in de overnemende vennootschap en latere heffing van vennootschapsbelasting verzekerd was. In de praktijk werd er volgens de parlementaire toelichting bij de Wet VPB 1969 weinig gebruikt gemaakt van de regeling, omdat de meeste fusies aandelenfusies zouden zijn en omdat er een gebrek aan duidelijkheid rondom de bedrijfsfusieregeling zou bestaan.1 Toch werd de regeling niet afgeschaft.
Bij de invoering van de Wet VPB 1969 werd in artikel 14 voor het eerst een tweedeling aangebracht. Aan de ene kant vloeide de aanspraak op de geruisloze overdracht van een onderneming voor de door de wetgever gewenste gevallen voort uit de wet en aan de andere kant werd de aanspraak op de geruisloze overdracht voor bepaalde gevallen alleen mogelijk na het stellen van (ministeriële) voorwaarden.
Verburg merkt op dat de wetgever geen aanleiding heeft gevonden de wettelijke terminologie aan die van de in 1992 geïmplementeerde Fusierichtlijn aan te passen. In art. 14 Wet VPB 1969 werden de begrippen “overdragen’’ en “(zelfstandig onderdeel van de) onderneming’’ niet vervangen door de in de Richtlijn gebruikte begrippen “inbreng van activa’’ en “tak van bedrijvigheid’’.2 De wetgever was van mening dat de begrippen in overeenstemming met elkaar waren.3 Het in hoofdstuk 10.2.1.2 beschreven Leur-Bloem arrest was voor de wetgever aanleiding om de wettelijke regelingen voor de bedrijfsfusie (en ook de aandelenfusie) bij de belastingherziening 2001 te herzien. Tegelijkertijd werden tevens alle in de Nederlandse wet geldende antimisbruikbepalingen voor toepassing van aandelenfusie, bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing zoveel mogelijk gestroomlijnd. Daarmee werd getracht een betere aansluiting te vinden bij de bepalingen uit de Fusierichtlijn.4 De huidige regels omtrent de bedrijfsfusie worden verder besproken in hoofdstuk 10.2.3.2.