Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/7.4
7.4 Getraceerde hoofdzaken zonder aangebracht opheffingskortgeding (vergelijkingsverzameling)
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498275:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.3 over de samenstelling van deze verzameling.
Een factor die hierbij kan meespelen is dat de voorzieningenrechter tijdens het opheffingskortgeding veelal al heeft getracht om partijen nader tot elkaar te brengen.
Een factor die hierbij kan meespelen is dat de voorzieningenrechter tijdens het opheffingskortgeding veelal al heeft getracht om partijen nader tot elkaar te brengen.
34 van de 57 vonnissen, hetgeen overeenkomt met 27% van de gevonden hoofdzaken en 13% van de verzameling zonder opheffingskortgeding.
Zoals aan het begin van deze paragraaf reeds werd opgemerkt, komt dit overeen met het landelijke beeld.
Voor deze vergelijkingsverzameling1 met daarin beslagen zonder opheffingskortgeding werden 267 rekesten geselecteerd, waarbij 124 resultaten in hoofdzaak werden gevonden. De gegevens van deze hoofdzaken zijn vergeleken met de hoofdzaken waarin wél een opheffingskortgeding op het beslag volgde (tabellen 23 en 24, rechter helft).2
Hierbij valt direct op dat in de verzameling zaken zonder opheffingskortgeding een groot aantal verstekuitspraken3 voorkomt (eenendertig zaken, hetgeen overeenkomt met ruim de helft van het aantal vonnissen, een kwart van het aantal getraceerde hoofdzaken en ruim 10% van het totaal aantal zaken: grijs gearceerd in de rechter helft van tabel 24). De verstekzaken vormen de meest voorkomende vorm van afdoening, terwijl deze bij de hoofdzaken met opheffingskortgeding verwaarloosbaar is. Geschillen waarin beslag wordt gelegd en vervolgens verstek verleend, lenen zich blijkbaar niet voor een opheffingskortgeding. Het aantal afwijzingen wegens ongegrondheid van de vordering lag in de vergelijkingsgroep grofweg de helft lager dan bij een opheffingskortgeding (veertien zaken, ofwel 25% van de vonnissen, 11% van de gevonden hoofdzaken en 5% van het totaal). Dit resultaat wijst in de richting van een terecht aangekaart probleem met de hoofdvordering in de gevallen waarin wel een opheffingskortgeding werd ingesteld. Mogelijk is er sprake van een verband tussen het aantal hoofdzaken waarin verstek werd verleend en het aantal hoofdzaken waarin de vordering ongegrond werd bevonden. Het is niet ondenkbaar dat het grotere aantal ongegronde vorderingen, in hoofdzaken waaraan een beslag en een opheffingskortgeding voorafging, mede wordt veroorzaakt doordat in deze zaken tegenspraak heeft plaatsgevonden en dit soort zaken in deze groep vaker voorkomt dan in de vergelijkingsgroep. Een schikking ter zitting had in zaken zonder voorafgaand opheffingskortgeding tweemaal zo vaak plaats (tien gevallen, 9% van de getraceerde hoofdzaken, 4% van alle zaken) als in gevallen waar wel een opheffingskortgeding aan voorafging (vijf gevallen, 4% van de getraceerde hoofdzaken, 2% van alle hoofdzaken).4
Het aantal geheel en gedeeltelijk toegewezen hoofdvorderingen is vrijwel gelijk in situaties met en zonder opheffingskortgeding: geheel toegewezen werden vijf, respectievelijk vier zaken, hetgeen overeenkomt met 10% respectievelijk 7% van het aantal vonnissen, 4% respectievelijk 3% van de gevonden hoofdzaken en 2% respectievelijk 1% van alle 267 zaken met opheffingskortgeding. Gedeeltelijk toegewezen werden in beide situaties acht zaken (ca. 15% van de vonnissen, 6% van de gevonden hoofdzaken en 3% van alle zaken met opheffingskortgeding). Het beeld wordt duidelijker wanneer de toewijzende resultaten (verstek en vordering geheel toegewezen) tezamen worden genomen en vergeleken in de zaken met en zonder opheffingskortgeding: deze namen in de vergelijkingsgroep een ruime meerderheid (60% van alle resultaten met vonnis) voor hun rekening.5 Dat is aanzienlijk meer dan in de hoofdzaken met opheffingskortgeding (zes, overeenkomend met 11% van de vonnissen, 5% van de gevonden hoofdzaken en 2% van alle zaken waarbij geen opheffingskortgeding werd geëntameerd). Wellicht speelt hier mee dat de groep debiteuren die bij verstek wordt veroordeeld weinig geneigd is om op zaken, die met incasso en tenuitvoerlegging te maken hebben, te reageren.6
Ook de afdoening door een royement zonder vonnis en een intrekking bij zaken met opheffingskortgeding en zonder, verschilde vrijwel niet van elkaar: royement vond respectievelijk vijfendertig en zesendertig maal plaats, hetgeen overeenkomt met percentages van 30% en 29% van de getraceerde hoofdzaken, en 13-14% van alle hoofdzaken. Ingetrokken werd zeven keer in zaken met opheffingskortgeding en acht maal in zaken zonder opheffingskortgeding (6-7% van de getraceerde zaken en 3% van alle zaken).7 De vijf korte gedingen die als hoofdzaak hebben te gelden leidden in twee gevallen na een eerder opheffingskortgeding alsnog tot een opheffing van het beslag en in twee gevallen niet.