Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/7.5
7.5 Doorlooptijden in hoofdzaken
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495782:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 700 lid 3 Rv dient binnen ten minste acht dagen na het beslag een eis in hoofdzaak te worden ingesteld. Daar wel de datum afgifte beslagverlof bekend is en veelal niet de precieze datum beslag, en omdat bekend is dat beslag vrijwel altijd zeer kort na verlofverlening plaatsvindt, is bij berekening van doorlooptijden uitgegaan van de datum 1e verlofverlening als startdatum.
Dit gemiddelde ligt een fractie lager dan het landelijk gemiddelde 2006 handelszaken met verweer, dat ligt op 524 dagen gemiddeld (75 weken, ofwel 17,5 maand). Bron: <http://www.rechtspraak.nl/NR/rdonlyres/D073870B-9ED9-401F-8737-18AF32823EA /0/ JaarverslagRechtspraak2006.pdf>, p. 32. Tussen 2005 en 2010 is landelijk een daling in de doorlooptijden van handelszaken met verweer gerealiseerd van gemiddeld tachtig naar gemiddeld zestig weken.
De gemiddelde waarden in beide categorieën liggen aanzienlijk hoger dan het landelijk gemiddelde handelszaak zonder verweer (verstek) 2006. Bron: zie voorgaande verwijzing, p. 32. Het landelijk gemiddelde ligt binnen acht weken. Bron: Eshuis 2011, p. 118-119.
Indien meer afzonderlijke beslagen zijn gelegd, is gerekend vanaf de dag van het eerste verlof. Geen rekening is gehouden met eventuele termijnverlengingen.
Voor een indicatie van de doorlooptijden in de hoofdzaken die in het onderzoek bekend waren als een zaak met (inhoudelijk) vonnis, is de periode berekend die ligt tussen het verlenen van het beslagverlof en de datum van de einduitspraak in de betreffende zaak.1 Hetgeen hierbij in het oog springt is dat de doorlooptijden in zaken waarin een opheffingskortgeding wordt geëntameerd aanzienlijk hoger lagen dan in zaken waarin dit niet het geval was: respectievelijk 514 dagen (zeventien maanden)2 in de eerste situatie en 322 dagen (ruim tien maanden) in de laatste. Dit kan worden gezien als een indicatie van een grotere complexiteit in zaken waarin een opheffingskortgeding werd aangevraagd. Ook voor de verstekuitspraken en de hoofdzaken waarin op de datum van sluiting onderzoek nog geen einduitspraak beschikbaar was, geldt dat de gemiddelde doorlooptijd in zaken met opheffingskortgeding aanzienlijk hoger was dan in gevallen waarin geen opheffingskortgeding werd geëntameerd (tabel 26). Verstekzaken gaven een doorlooptijd van ruim vijf respectievelijk ruim twee maanden te zien.3
Doorlooptijden in HOOFDZAKEN, met vonnis
2006
Opheffingskortgeding
N = 50 vonnissen*)
Geen Opheffingskortgeding
N = 57 vonnissen*)
Doorlooptijden in HOOFDZAKEN, met vonnis
Dagen
Maanden
Dagen
Maanden
Hoofdzaken zonder verstek
514
17,0
322
10,7
Verstek
159
5,3
79
2,6
Opheffingskortgeding
N = 5
Geen opheffingskortgeding
N = 11
Dagen
Maanden
Dagen
Maanden
Lopende zaak op 1 april 2009**)
1234
41,0
964
32,0
* Vonnissen met een inhoudelijke uitspraak over de hoofdvordering die aan het beslag ten grondslag heeft gelegen.
** Datum sluiting aanleveren gegevens t.b.v. onderzoek.