Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/9.3.2
9.3.2 Bonusaandelen en claims
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456556:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 6 januari 1993, BNB 1993/82 iets soortgelijks beslist in geval van uitreiking van agiobonusaandelen in de periode waarin sprake was van een zgn. aflopend aanmerkelijk belang volgens de oude aanmerkelijkbelangregeling. In de agiobonusaandelen waren volgens de Hoge Raad rechten ondergebracht die aanvankelijk lagen besloten in het aandelenbezit dat voldeed aan de kwantitatieve criteria van art. 39, derde lid, (oud) Wet IB. Zie T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 99, Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling. Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 82, FED, Deventer, 1995; R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, academisch proefschrift, blz. 225-226, Kluwer, Deventer, 1996.
In dezelfde zin de Vakstudie in aantekening 33 op art. 20d Wet IB en aantekening 111 op art. 20f Wet IB.
In dezelfde zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.10.A,b, Gouda Quint, Deventer.
In dezelfde zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 19. blz. 180 en blz. 236 e.v., Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed's fiscale brochures, blz. 224-225, FED, Deventer, 1995; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand- en studieboeken nr. 2, blz. 475, Kluwer, Deventer, 1994; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.4.1 l.B.g, Gouda Quint, Deventer. Zie tevens de Vakstudie in aantekening 112 op art. 20f Wet IB en het aldaar opgenomen voorbeeld.
In deze zin Hof Leeuwarden 20 september 1971, BNB 1972/169. Zo ook T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 180 en blz. 231 e.v., Kluwer, Deventer, 1993; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand- en studieboeken nr. 2, blz. 475, Kluwer, Deventer, 1994; de Vakstudie in aantekening 33 op art. 20d Wet IB en aantekening 113 op art. 20fWetIB.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 22.
Interessant is nog te bezien welke aandelen tot het fictieve aanmerkelijk belang moeten worden gerekend, indien op de aandelen die tot het fictieve aanmerkelijk belang behoren na het ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang bonusaandelen of stockdividenden worden uitgereikt. Aangezien de aandelen slechts voor wat betreft de vervreemdingsvoordelen tot het aanmerkelijk belang behoren, leidt uitreiking van de bonusaandelen of stockdividenden tot belastingheffing volgens de bron 'inkomsten uit vermogen' op grond van art. 29, eerste lid, Wet IB. De belastingheffing op basis van art. 29, eerste lid, Wet IB wijkt overigens - afgezien van het toepasselijke tarief - niet materieel af van de belastingheffing op grond van art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB. Onder de oude aanmerkelijkbelangregeling heeft de Hoge Raad in HR 17 november 1965, BNB 1966/39 geoordeeld dat de na het ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang verkregen bonusaandelen ten laste van de reeds op het moment van ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang aanwezige agioreserve tot het fictieve aanmerkelijkbelangpakket moeten worden gerekend, zodat eventuele vervreemdingswinst daarop aan de aanmerkelijkbelangheffing is onderworpen.1 Mijns inziens heeft dit arrest onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling zijn belang behouden.2 Voorts heeft mijns inziens hetzelfde te gelden voor ten laste van ten tijde van het ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang bij de vennootschap aanwezige winstreserves uitgereikte winstbonusaandelen die eveneens worden belast op basis van art. 29, eerste lid, Wet IB.3 Uiteraard zal de regeling van art. 20c, achtste lid, Wet IB (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.1) van overeenkomstige toepassing zijn, hetgeen tot een herrekening van de fictieve verkrijgingsprijs van de oorspronkelijk verkregen aandelen kan leiden.4 Het gevolg hiervan is dat nieuwe aandelen die worden verkregen uit ten laste van nieuwe winst uitgereikte stockdividenden geen deel uitmaken van de fictieve aanmerkelijkbelangclaim. Een vergelijkbaar standpunt kan worden ingenomen met betrekking tot na het ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang toegekende claims.5 Hoewel in de memorie van toelichting in het algemeen de opmerking is gemaakt dat nieuwe aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de vennootschap die na het ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang door de belastingplichtige worden verworven, buiten het fictieve aanmerkelijk belang blijven, kan deze opmerking mijns inziens enkel zien op de situatie waarin deze aandelen of winstbewijzen van derden worden verkregen en niet van de vennootschap zelf.6 Worden de aandelen of winstbewijzen van de vennootschap zelf verkregen, dan dient blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad nader te worden gedifferentieerd tussen agio-en winstreserves die aanwezig waren ten tijde van het ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang en agio- en winstreserves die nadien zijn ontstaan. Op deze laatstgevormde agio- en winstreserves rust geen aanmerkelijkbelangclaim, zodat het niet juist zou zijn om deze aandelen of winstbewijzen tot het fictieve aanmerkelijk belang te rekenen. Zijn de aandelen of winstbewijzen daarentegen uitgereikt ten laste van reeds op het moment van ontstaan van het fictieve aanmerkelijk belang aanwezige agio- en winstreserves, dan rust op deze agio-en winstreserves wel degelijk mede de fictieve aanmerkelijkbelangclaim. Het past dan in de regeling van het fictieve aanmerkelijk belang om ook deze nieuw uitgereikte aandelen of winstbewijzen tot het fictieve aanmerkelijk belang te rekenen. Met name kan het niet zo zijn dat door uitkering van de agio- en winstreserves in de vorm van aandelen of winstbewijzen de fictieve aanmerkelijkbelangclaim de facto verloren gaat.