Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.4:6.4 Conclusie
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.4
6.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248568:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het citaat in de inleiding van dit hoofdstuk uit de evaluatie van de Sociale Raad over de representativiteit van raadsleden illustreert goed dat er over representativiteit en vertegenwoordiging verschillend gedacht kan worden. In paragraaf 6.2 is beschreven hoe deze concepten zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld en hoe er vandaag de dag tegenaan gekeken wordt. Het bleek dat er op dit moment drie verschillende zienswijzen van het concept van vertegenwoordiging in het wettelijk kader zijn geïnstitutionaliseerd, namelijk de klassiek-liberale, de partijpolitieke en een zienswijze die uitgaat van individuele autonomie. Verschillende belangen worden door de verschillende zienswijzen centraal gesteld en kunnen niet altijd tegelijkertijd behartigd worden. In het geval dat er conflicterende belangen zijn, dienen volksvertegenwoordigers zelf een keuze te maken over welk belang zij laten prevaleren. Het lastverbod is bedoeld als veiligheidsklep om hen daartoe in staat te stellen. Het institutionaliseren van initiatieven die werken met vormen van loting is in beginsel niet strijdig met dit systeem. Het klopt dat loting als methode om vertegenwoordigingen samen te stellen zich slecht verhoudt tot de klassiek-liberale zienswijze op vertegenwoordiging en de zienswijze die uitgaat van individuele autonomie en dat het in de praktijk daarnaast ook niet goed scoort als methode om partijpolitieke vertegenwoordiging te realiseren. Maar dat het leidt tot een vorm van vertegenwoordiging staat buiten kijf en dat deze op gespannen voet kan staan met andere vormen van vertegenwoordiging is nauwelijks problematisch aangezien dit type frictie op dit moment al in ons vertegenwoordigende stelsel is ingebakken. Geïnstitutionaliseerde initiatieven die werken met loting worden pas problematisch op het moment dat de gemeenteraad zich op voorhand committeert aan hun oordelen. Hun vorm van vertegenwoordiging komt dan in de plaats van die van de raad en de ruimte die het lastverbod biedt aan raadsleden om een eigen afweging te maken tussen verschillende vormen van vertegenwoordiging wordt materieel tenietgedaan. Een dergelijke opzet kan om die reden op dit moment niet gerealiseerd worden binnen het wettelijk kader en elke wijziging van het wettelijk kader die beoogt een dergelijke opzet te faciliteren, moet om dezelfde reden gekwalificeerd worden als een principiële wijziging van dat wettelijk kader.
In de inleiding van dit hoofdstuk is daarnaast herhaald dat de Sociale Raad een tweede volksvertegenwoordiging wenste te zijn naast de gemeenteraad. Zolang een dergelijk initiatief niet over eigen bevoegdheden beschikt, levert dit vanuit het hoofdschap geen probleem op. Net als dat er op dit moment niet-bindende referenda mogen worden georganiseerd, kan er ook een initiatief worden opgetuigd als de Sociale Raad. Het streven om een tweede volksvertegenwoordiging te zijn stuit echter op bezwaren wanneer een dergelijk initiatief wel over bevoegdheden beschikt en onafhankelijk van de raad wenst te opereren. Het hoofdschap kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden, maar houdt altijd in dat de raad het laatste woord dient te hebben over de hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid. Dat garandeert dat de raad het politieke primaat toekomt. Op dit moment is dat vormgegeven door de eindverantwoordelijkheid van de raad en een aantal essentiële bevoegdheden die hem niet kunnen worden ontnomen zonder het hoofdschap aan te tasten. Kort en goed betekent dit dat bevoegde initiatieven altijd aan een bepaalde mate van invloed van de raad onderhevig moeten zijn. Een andere conclusie staat op gespannen voet met het exclusieve karakter van het hoofdschap. Alleen door het hoofdschap te deconstitutionaliseren, kan hierin verandering gebracht worden. Een dergelijke wijziging van het wettelijk kader zou uiteraard neerkomen op een principiële wijziging omdat er inbreuk zou worden gemaakt op het eerste fundamentele beginsel van de gemeentelijke democratie.