Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.1
II.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242915:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In maart 1623 trachtten ontevreden ‘participanten’ (aandeelhouders) van de Verenigde Oost-Indische Compagnie een bestuursmodel tot stand te brengen dat overeenkomsten vertoont met het huidige monistische bestuursmodel. Zie Calkoen 2012, p. 265-266; Frentrop 2002, p. 104; en De Jongh 2014, p. 99-100.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 752, 2, p. 9.
Zie Kamerstukken II 2007/08, 29 752, 5, p. 2.
Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Stb. 2011, 275. De inwerkingtreding op 1 januari 2013 volgt uit het Besluit van 4 oktober 2012, gepubliceerd in Stb. 2012, 455.
De gedachte aan een bestuursmodel waarbij de toezichthouders deel uitmaken van het bestuursorgaan, kwam reeds op in 1623.1 Sindsdien kenden steeds enkele vennootschappen een bestuursstructuur waarbij het bestuur door middel van een vergaande taakverdeling de facto uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestond. In 2004 ontstond de idee om deze praktijk voor Nederlandse vennootschappen te codificeren.2 Grofweg drie jaar later, bij brief van 12 november 2007 over de voortzetting van de modernisering van het Nederlandse ondernemingsrecht, kondigde de toenmalige Minister van Justitie de invoering van een regeling voor het opnemen van uitvoerende en toezichthoudende bestuurders in één orgaan aan.3 Uiteindelijk duurde het nog tot 1 januari 2013 voordat deze regeling, ook wel de Wet bestuur en toezicht genoemd, in werking trad.4
In dit hoofdstuk analyseer ik de komst van de niet-uitvoerende bestuurder in Nederland. In een chronologische volgorde bespreek ik alle relevante ontwikkelingen die zich vanaf 1623 in het Nederlandse ondernemingsrecht hebben voorgedaan met betrekking tot de wijze waarop bestuur en toezicht vennootschapsrechtelijk kunnen worden vormgegeven. Met deze historische analyse beoog ik een beter begrip te krijgen van de huidige wettelijke regeling.
Omdat tijdens de parlementaire behandeling van de Wet bestuur en toezicht is stilgestaan bij de vraag of met de wettelijke verankering van het monistische bestuursmodel niet een – in de woorden van de leden van de PvdA-fractie – ‘stukje Nederlands cultuurhistorisch erfgoed’ verloren zou gaan, besteed ik in § II.2 aandacht aan de oorsprong en evolutie van het dualistische en monistische bestuursmodel in Nederland. In deze paragraaf ga ik in op het ontstaan en de ontwikkeling van het dualistische bestuursmodel voor de codificatie, de evolutie van het monistische en het dualistische bestuursmodel in de tijdperken 1811-1971 en 1971-1976 en de ontwikkeling van de twee bestuursmodellen na de invoering van Boek 2 BW. Ik sluit § II.2 af met een schets van de ontwikkeling van de one and a half tier board.
In § II.3 staat de eerste Nederlandse regeling die aan het monistische bestuursmodel een wettelijke basis gaf centraal: de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap. Deze wet bevat in aanvulling op de Verordening betreffende het statuut van de Europese vennootschap enkele voorschriften voor niet-uitvoerende bestuurders van een in Nederland gevestigde Europese vennootschap. Na een korte weergave van het kader waarin de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap moet worden geplaatst, bespreek ik de lange en roerige totstandkomingsgeschiedenis van de Europese vennootschap. Vervolgens sta ik stil bij de structuur van de Europese vennootschap, in het bijzonder bij de juridische vormgeving van het monistische bestuursmodel in een Nederlandse Societas Europaea. Tot slot beantwoord ik de vraag of, en zo ja, op welke wijze een in Nederland gevestigde Europese vennootschap de structuurregeling moet toepassen.
Het laatste onderwerp dat in dit hoofdstuk aan bod komt, is de invoering van het monistische bestuursmodel in Boek 2 BW. In § II.4 ga ik allereerst uitgebreid in op de voor- en wordingsgeschiedenis van de Wet bestuur en toezicht, alsook op de motieven voor de wettelijke verankering van het monistische bestuursmodel in Boek 2 BW. Omdat tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel discussie is gevoerd over de wijze waarop de wetgever het op de Anglo-Amerikaanse leest geschoeide monistische bestuursmodel heeft geïntroduceerd in het Nederlandse ondernemingsrecht, komt vervolgens het onderscheid tussen het in Nederland vigerende Rijnlandse model en het Anglo-Amerikaanse model aan de orde. Daarna sta ik stil bij de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht en het Voorstel toepasbaarheid Code op one tier boards. Ik sluit af met een blik op de nabije toekomst.