Speaking the same language
Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.4.1.5:3.4.1.5 De bevoegdheid om bepaalde maatregelen te nemen ter bescherming van het trustfonds
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.4.1.5
3.4.1.5 De bevoegdheid om bepaalde maatregelen te nemen ter bescherming van het trustfonds
Documentgegevens:
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717283:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvT Landsverordening trust, Publicatieblad 2011, nr. 67, p. 14.
Het leerstuk van de schijnhandeling (simulatie) kan mijns inziens analoog in zulks geval worden toegepast. Zie in dit kader: C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Kluwer 2018, nrs. 153-156.
Zie de voorgestelde oplossing paragraaf 4.3.15.12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Blijkens art. 3:158 BWC kan in de trustakte worden bepaald dat één of meer personen worden aangewezen die de bevoegdheid verkrijgen om bepaalde maatregelen te nemen ter bescherming van het trustfonds onder de in de trustakte omschreven omstandigheden. Deze wetsbepaling is in tamelijk vage bewoordingen geschreven en het is mij derhalve niet duidelijk wat de wetgever verstaat onder de woorden ‘bescherming’ en de ‘maatregelen’ die ter bescherming in casu genomen zouden kunnen worden. Over dit artikel vermeldt de memorie van toelichting slechts het volgende:
“Deze bepaling behoeft geen verdere toelichting.”1
Naar mijn mening is een toelichting in casu echter noodzakelijk, omdat het wetsartikel zonder concretisering ruimte laat voor speculatie en zich derhalve gemakkelijk leent voor misbruik van bevoegdheid of een schijnhandeling2. Een ander belangrijk punt is dat het niet duidelijk is of de gecreëerde bevoegdheid op basis van art. 3:158 BWC van goederenrechtelijke aard kan zijn, met als gevolg dat de impact ervan op de positie van derden niet altijd in te schatten is. Gezien het bovenstaande, is het dan zeer de vraag of de Curaçaose wetgever over dient te gaan tot herformulering, dan wel schrapping van deze wetsbepaling.3