Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/5.2.5
5.2.5 De bescherming van het ‘eigendomsrecht’ van emissierechten
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608213:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de termen van artikel 40 lid 1 Verordening (EU) 389/2013: ‘fungibel’.
Artikel 40 lid 1 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 5:1 BW.
Artikel 3:2 BW.
De bijschrijving op rekening levert dan ook het prima facie bewijs dat de rekeninghouder rechthebbende is van het emissierecht (artikel 40 lid 2 Verordening (EU) 389/2013).
Artikel 41 Verordening (EU) 389/2013.
Dit sluit aan bij het Nederlandse uitgangspunt. Immers, in Nederland wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn (artikel 3:119 lid 1 BW).
Van Hooff 2012, p. 17-27.
Gerechtshof Arnhem, 3 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5240, r.o. 5.10. Vergelijkbaar: Rb Den Haag (vz.), 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:16034, r.o. 22, Gerechtshof Amsterdam 1 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6320, r.o. 4.6. In cassatie is dit laatste arrest door de Hoge Raad gedeeltelijk vernietigd, maar dit betrof niet het onderdeel over de kwalificatie ‘zaak’. In r.o. 3.5 van het arrest is zelfs te lezen dat ook de Hoge Raad een onderscheid maakt tussen zaken en digitale bestanden (HR 27 april 2012, ECLI: NL: HR: 2012: BV1301, r.o. 3.5).
Van Hooff 2012, p. 27.
Kleve 2004, p. 160 en 161.
Idem.
Neppelenbroek 2006a, p. 562. Zie ook de kritische reactie hierop van Groeneveld: Groeneveld 2006, p. 1697 en 1698, en het naschrift hierop: Neppelenbroek 2006b, p. 1698 en 1699.
Neppelenbroek 2006a, p. 562 en 563.
Neppelenbroek 2006a, p. 563 en artikel 5: 14 BW.
Artikel 5: 16 BW.
Neppelenbroek 2006a, p. 563.
Van der Steur 2003, p. 176-182.
Gerechtshof Arnhem, 3 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5240, r.o. 5.10. Vergelijkbaar: Rb Den Haag (vz.), 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:16034, r.o. 22, Gerechtshof Amsterdam 1 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6320, r.o. 4.6. In cassatie is dit laatste arrest door de Hoge Raad gedeeltelijk vernietigd, maar dit betrof niet het onderdeel over de kwalificatie ‘zaak’. In r.o. 3.5 van het arrest is zelfs te lezen dat ook de Hoge Raad een onderscheid maakt tussen zaken en digitale bestanden (HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, r.o. 3.5).
HvJ EU 3 juli 2012, C-128/11 (Usedsoft).
Zie in dit kader het kritische commentaar van Quaedvlieg: Quaedvlieg 2014, p. 719-738.
Van Engelen 2012a en Van Engelen 2012b.
Idem.
Ook is kritiek geleverd door Wibier en Diamant (Wibier &; Diamant 2012). Echter, hun analyse gaat ervan uit dat het Hof in Usedsoft oordeelde over de overdracht van de gebruikslicensie. Deze visie is terecht bestreden door Van Engelen in zijn naschrift (Van Engelen 2012b). Het Hof had wel degelijk een overdracht van eigendom op een onlichamelijke zaak op het oog. De overdracht van standaardsoftware wordt bovendien ook door de Hoge Raad vooralsnog niet als een overdracht van een vermogensrecht of zaak gekwalificeerd (HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, r.o. 3.5). Echter, mijns inziens moet dit fenomeen van overdracht van een onlichamelijke zaak worden beschouwd binnen, en beperkt tot, de werking van Softwarerichtlijn en staat in zoverre dus los van het toepasselijke Nederlandse recht, zij het dat het wel de contractuele vrijheid aanzienlijk beperkt.
HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301.
Zie in dit kader ook specifiek: HvJ EU 3 juli 2012, C-128/11 (Usedsoft), r.o. 39-41.
Zie voor dergelijke kritiek: Quaedvlieg 2014, p. 719-738.
De implementatie van de Softwarerichtlijn in de Auteurswet moet dan eveneens in het licht van het Usedsoft-arrest worden uitgelegd en vormt daarmee een lex specialis op ons BW. In dit kader moet wel worden opgemerkt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 27 april 2012 overwoog: ‘In al deze opzichten bestaat geen aanleiding de aanschaf van standaardsoftware te onderscheiden van de koop van zaken en vermogensrechten.’
Artikel 40 lid 1 Verordening (EU) 389/2013 en artikel 16.40 Wm jo. artikel 3: 6 BW. Zie tevens: Ahmad 2006, p. 126.
In het betreffende lid wordt de term ‘eigendomsrecht’ gehanteerd, maar dit kan in de context van het Nederlands recht dus beter worden gelezen als ‘recht’. Er is dan ook geen sprake van een ‘eigenaar’ van een emissierecht, maar van een ‘rechthebbende’.
Artikel 40 lid 3 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 104 lid 2 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 40 lid 3 Verordening (EU) 389/2013.
Zie in dat kader overweging 8 van de considerans van Verordening (EU) 389/2013. Zie tevens: Van Angeren, in: T&;C Wet Milieubeheer, artikel 16.42 Wm, aant. 2 (online, laatst geraadpleegd op 6 oktober 2016). Zie ook: MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 73.
Artikel 40 lid 3 jo artikel 70 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 70 lid 1 Verordening (EU) 389/2013.
Dit volgt uit artikel 70 lid 3 Verordening (EU) 389/2013, dat luidt: ‘Als de administrateur van de rekening vaststelt dat het verzoek aan de voorwaarden van lid 1 voldoet en hij met het verzoek instemt, kan hij voorstellen de transactie in het EU-register terug te draaien.’ Met andere woorden, de nationale administrateur mag slechts een ongedaanmaking verzoeken, als het verzoek van de rekeninghouder binnen de termijn is gedaan en aan alle overige voorwaarden voldoet. Het verzoek van de nationale administrateur is aan de centrale administrateur gericht en moet door de centrale administrateur in beginsel worden gehonoreerd (artikel 70 lid 6 Verordening (EU) 389/2013).
Artikel 40 lid 3 Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 40 lid 4 Verordening (EU) 389/2013.
Zoals een vordering op een emissierecht wanneer een transactie per abuis is geïnitieerd. Vgl. een vordering uit onverschuldigde betaling naar Nederlands recht (artikel 6:203 BW).
De rechtsbescherming van de bezitter van een emissierecht is sterk. Artikel 40 Verordening 389/2013 regelt enige privaatrechtelijke aspecten van (de bezitter van) een emissierecht. Een emissierecht is een gedematerialiseerd instrument dat onderling verwisselbaar is met andere emissierechten 1 en op de markt kan worden verhandeld.2 Uit deze definiëring volgt reeds dat een emissierecht dus geen voorwerp van eigendom kan zijn in het Nederlands recht. Immers, eigendom heeft slechts betrekking op zaken,3 en emissierechten voldoen niet aan de definitie van een zaak, waarbij het immers moet gaan om een ‘voor de menselijke beheersing vatbare stof’.4 Uit met name de definiëring dat emissierechten gedematerialiseerd zijn, vloeit voort dat een emissierecht dus niet fysiek bestaat, maar wordt overgeschreven op rekeningen in het register, en er evenmin een fysiek bewijs voor wordt afgegeven.5
Desalniettemin bestaan deze emissierechten dus wel digitaal, zij worden gecreëerd door registratie in het register.6 Bijschrijving op de rekening in het register wordt als prima facie bewijs gezien van het ‘eigendomsrecht’ (deze term wordt in de context van de Verordening gehanteerd en moet dus niet verward worden met de juridische betekenis van eigendom uit artikel 5:1 BW) van het emissierecht. 7In de literatuur is wel verdedigd dat digitale bestanden kunnen worden aangemerkt als een zaak. Dus kan ook de vraag opgeworpen worden, of emissierechten een ‘zaak’ in de zin van artikel 3:2 BW zijn en dus aan het eigendomsrecht zijn onderworpen. Hieronder zal slechts een greep uit de literatuur rondom digitale bestanden worden behandeld, om een beeld te scheppen van de discussie. Dit proefschrift is immers bestuursrechtelijk en leent zich derhalve niet voor een te gedetailleerde uitwerking van deze ‘niche’ van het privaatrecht. In zijn scriptie ter afronding van zijn studie verdedigde Van Hooff dat digitale bestanden ook als ‘zaken’ kunnen worden gekwalificeerd. 8Hij zette zich hiermee af tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem, dat in 2011 oordeelde dat digitale bestanden op een DVD niet als ‘zaak’ zijn te kwalificeren. 9Slechts de gegevensdrager, de DVD, is een zaak. Met name de redenering van Van Hooff, over de stoffelijkheid van software, is interessant. Van Hooff stelt dat, hoewel niet duidelijk is of een digitaal bestand fysieke ruimte inneemt, het in ieder geval ruimte inneemt op bijvoorbeeld een harde schijf (ook kan uiteraard worden gedacht aan USB-sticks etc.). Bovendien hecht Van Hooff waarde aan het dagelijks spraakgebruik, waarbij databestanden als objecten worden beschouwd.10 Voor dit laatste geeft Van Hooff overigens geen bronvermelding en is betwistbaar. Wat betreft de ruimte die wordt ingenomen op een harde schijf, moet in ieder geval de harde schijf als het stoffelijk object worden beschouwd. Echter, het is betwistbaar en in ieder geval in de rechtspraak nog niet aangenomen dat de gegevens op de harde schijf stoffelijk zijn. Interessant in dit kader is de redenering van Kleve. Hij stelt dat niet zozeer de inhoud van de software (het intellectuele eigendom), maar de elektronische golven die worden opgeslagen als stoffelijk kunnen worden gekwalificeerd.11 Hij maakt daarbij de vergelijking met een boek, dat bestaat uit het papier en de inkt. Het is de interpretatie van die inkt, het onstoffelijke gedachtegoed, dat weer onderdeel uitmaakt van het intellectuele eigendom.12
Mijns inziens heeft deze kwalificatie weinig toegevoegde waarde. Immers, als een digitaal bestand als een zaak wordt aangemerkt, maakt het op zijn beurt dan niet weer deel uit van de gegevensdrager en eventueel de computer in het geval van een ingebouwde harde schijf? Neppelenbroek beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij stelt dat digitale bestanden niet los kunnen bestaan van de gegevensdrager.13 Bovendien moet in geval van een computer, de computer als hoofdzaak worden aangemerkt, een ‘multipurpose machine’ die ook zonder de bestanden op allerlei manieren kan functioneren.14 De gegevens veranderen de identiteit van de computer zijns inziens niet en worden door natrekking onderdeel van de computer.15 Ook dit standpunt is overigens weer betwistbaar. Immers, een besturingssysteem verandert de identiteit van een computer wel degelijk, nu zonder een besturingssysteem een computer niet voor de gebruikelijke toepassingen kan worden ingezet. In dat geval sluit de installatie van een besturingssysteem op een computer dus eerder aan bij de zaaksvorming,16 waar volgens Neppelenbroek sprake van is bij opslag van muziek op bijvoorbeeld een CD. (De CD moet volgens hem worden vergeleken met een boek of schilderij, dat door zaaksvorming ontstaat. De CD krijgt een nieuwe identiteit door de opslag van bijvoorbeeld muziek.)17 Van der Steur beargumenteert, weer anders, dat de software bestanddeel is van de computer. De software is niet los van de drager individualiseerbaar en is dus niet als een zelfstandige zaak te beschouwen. Zij stelt verder dat door het maken van een kopie sprake is van zaaksvorming. Daarmee lijkt zij te suggereren dat hiermee de software als zaak is gevormd en bestanddeel is van de drager.18
Mijns inziens is duidelijk dat de kwalificatie van een digitaal bestand als ‘zaak’ vooral tot verwarring leidt, en daarmee tot rechtsonzekerheid. Zodra digitale bestanden als zaak worden gekwalificeerd, ontstaat er een wel erg ingewikkelde discussie met betrekking tot natrekking en zaaksvorming, of discussie over het digitale bestand als zelfstandige zaak. De kwalificatie van digitale bestanden als zaken is daarom mijns inziens terecht in de rechtspraak niet geaccepteerd.19
Ter afsluiting moet nog worden gewezen op het Usedsoft-arrest van het Hof van Justitie.20 In dit arrest oordeelde het Hof dat geen onderscheid gemaakt moet worden tussen fysieke en immateriële kopieën van software, waar het de uitputtingsleer van het auteursrecht betreft. Indien een immateriële kopie van een computerprogramma met een onbeperkte licentie is verkocht, dan moet de doorverkoop daarvan gelijk staan aan de doorverkoop van een fysieke kopie en is de uitputtingsleer van toepassing. Hiermee heeft het Hof een tweedehandsmarkt voor digitale producten gecreëerd die echter ook dwars door het terrein van ons burgerlijk recht gaat.21 Door Van Engelen is zelfs gesteld dat het Hof hiermee feitelijk het bestaan van de ‘onlichamelijke zaak’ heeft erkend.22 Van Engelen stelt dat meer nodig is dan alleen een nieuwe lezing van artikel 3: 2 BW (definitie van het zaaksbegrip), ons goederenrecht zou zelfs op dit arrest moeten worden aangepast.23
Op dit punt kan ik de door Van Engelen beschreven problematiek niet volgen.24 Immers, ook het niet kwalificeren van een digitaal bestand als zaak, of als vermogensrecht, naar Nederlands recht maakt koop- en verkoop van dat bestand mogelijk. Zulks volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2012, waarin de Hoge Raad overwoog dat boek 7 BW van toepassing is op de koop en verkoop van standaardsoftware, zijnde evenals in Usedsoft, software waar een in tijd onbeperkte licentie op is gegeven. De Hoge Raad overwoog daarbij dat er ‘geen aanleiding [bestaat] de aanschaf van standaardsoftware te onderscheiden van de koop van zaken en vermogensrechten’.25 Wat betreft de ‘overdraagbaarheid’ en ‘eigendom’ zoals deze door het Hof worden uitgelegd, moeten deze worden gezien in de context van het toepasselijke EU-recht. Het aannemen van een overdracht van eigendom door het Hof werd gezien in de context van artikel 4 lid 2 Softwarerichtlijn. Niet gesteld door het Hof is dat hiermee ook een overdracht van eigendom in nationaalrechtelijke zin moet worden aangenomen.26 Met andere woorden, de overdracht als aangenomen door het Hof moet worden beperkt tot de EU-rechtelijke context en staat los van het nationale recht inzake overdracht. Het is zeer goed mogelijk op koop en verkoop van standaardsoftware alleen boek 7 BW toepasselijk te achten, en tegelijk te voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de interpretatie die het Hof aan artikel 4 lid 2 Softwarerichtlijn heeft gegeven. Wel wordt de contractsvrijheid aanzienlijk beperkt door het arrest van het Hof en kan om die reden dit arrest sterk worden bekritiseerd.27 Voor zover dit arrest stand blijft houden in latere rechtspraak kan het echter als een EU-rechtelijke uitzondering op ons burgerlijk recht worden gelezen, en is een aanpassing van ons goederenrecht niet nodig, daar de mogelijkheid van koop van software reeds in het burgerlijk recht wordt erkend en boek 7 BW daar naar analogie op wordt toegepast.28 Het arrest doet aan mijn bovenstaande standpunt verder niet af: het kwalificeren van digitale bestanden als ‘zaak’ leidt tot nodeloze verwarringen en complexiteiten. De Nederlandse rechtspraak heeft derhalve terecht nog altijd de kwalificatie van een digitaal bestand als zaak niet geaccepteerd.
Wat betreft emissierechten, die dus digitaal worden gecreëerd door registratie in het register, geldt dat zij in ieder geval wel te kwalificeren zijn als een vermogensrecht, nu zij overdraagbaar zijn,29 en wijken hiermee dus af van standaardsoftware.
Een emissierecht is zelf een ‘vermogensrecht’ in de zin van artikel 3:6 BW. Uit artikel 40 lid 2 Verordening (EU) 389/2013 volgt dat een registratie van een emissierecht op een rekening een bewijsvermoeden voor het recht op een emissierecht levert.30 Lid 3 regelt dat de onderlinge inwisselbaarheid van emissierechten impliceert dat terugvorderings- of restitutieverplichtingen die met betrekking tot een emissierecht uit de nationale wetgeving voortvloeien, slechts voor emissierechten als ‘soort’ kunnen gelden. Met andere woorden, er kan geen vorderingsrecht op een specifiek emissierecht bestaan.
Behoudens uitzonderingen die door de Verordening zelf worden gemaakt, kunnen eenmaal geïnitieerde transacties niet worden teruggedraaid. Nationaalrechtelijke voorzieningen betreffende de nietigheid van overeenkomsten of transacties kunnen niet leiden tot het ongedaan maken van een transactie die op grond van de Verordening definitief en onherroepelijk is geworden.31 Een transactie is definitief wanneer een mededeling door het EUTL aan het register is gedaan dat de transactie is voltooid.32 De definitieve afronding veronderstelt tevens de onherroepelijke afronding.33 Dit bevordert de rechtszekerheid voor de verkrijger van het emissierecht in het kader van de handel in emissierechten, hetgeen zeker voor de (vliegtuig)exploitanten in het kader van hun inleverplicht wenselijk is.34
De Verordening maakt een uitzondering waarin het ongedaan maken van een transactie nog wel mogelijk is nadat een transactie is voltooid. Dit betreft de situatie waarin emissierechten per abuis zijn ingeleverd of afgeschreven, of internationale kredieten per abuis zijn ingewisseld.35 Een dergelijke ongedaanmaking moet worden verzocht aan de administrateur van zijn rekening (bij bovengenoemde rekeningtypen is dat de nationale administrateur), binnen vijf werkdagen na definitieve afronding van de transactie.36 Deze termijn is fataal.37 Andere typen overdrachten, waaronder dus overdracht van emissierechten tussen tegoed- of handelsrekeningen, kunnen dus niet worden teruggedraaid.
Het voorgaande betekent niet dat een rekeninghouder of derde belet mag worden de uit een onderliggende transactie voortvloeiende rechten of aanspraken uit te oefenen die zij in rechte kunnen aanvoeren (bijvoorbeeld indien per abuis een transactie is verricht). Daaronder vallen onder meer de terugvordering, restitutie of schadeloosstelling met betrekking tot een transactie die in het EU-register definitief is geworden. Een en ander mag echter niet leiden tot een ongedaanmaking van de transactie in het EU-register.38 Bovendien geldt dat een koper of houder van een emissierecht die te goeder trouw handelt het ‘eigendomsrecht’ op een emissierecht verkrijgt, ‘vrij van de gebreken van het eigendomsrecht van de cedent’.39
Uit het bovenstaande kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
een transactie in het EU-register is na afronding definitief en onherroepelijk;
voorzieningen in nationale wetgeving kunnen niet leiden tot terugdraaiing, herroeping of ongedaanmaking van een transactie;
de Verordening staat evenwel niet in de weg aan een vordering, zolang deze betrekking heeft op emissierechten als soort (en dus niet op een specifiek emissierecht);40
dus, de Verordening staat niet in de weg aan een vordering tot de levering van emissierechten naar soort;
een verkrijger te goeder trouw verwerft evenwel de eigendom op het emissierecht, vrij van de gebreken van het eigendomsrecht van de cedent;
en dus sluit de Verordening vorderingsrechten op de verkrijger te goeder trouw uit.