Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.2.1.4
10.4.2.1.4 Compenserende werking van bijstand advocaat
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495909:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 28 oktober 2010 (Leonid Lazarenko t. Oekraïne), § 50.
EHRM 27 november 2008 (Salduz t. Turkije), NJ 2009, 214; FED 2009/96 (m.aant. Thomas); AB 2010/82 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik), § 54.
Dit verband wordt ook gelegd in § 65 en § 83 van het arrest van 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), NJ 2009, 215 (m.nt. Reijntjes). Daarbij wordt eraan herinnerd dat ‘the right to silence and the privilege against self-incrimination (…) are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6’.
EHRM 9 juni 1998 (Texeira de Castro t. Portugal), NJ 2001, 471 (m.nt. Knigge).
A-G Knigge, conclusie bij HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349 (m.nt. Schalken), pt. 7.8. Uit de zaken Allan, Heglas en Bykov volgt dat niet alle undercoveroperaties het recht tegen gedwongen zelfbelasting ondermijnen. Daarvan is geen sprake wanneer de verdachte nog niet is ‘charged with a criminal offence’ en de undercover-agent zich passief opstelt (zodat de vrije wil van de verdachte niet werkelijk wordt beïnvloed).
EHRM 15 oktober 2009 (Kuralić t. Kroatië), § 45-50.
Hetzelfde zal wel hebben te gelden wanneer de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand.
Het Hof weerspreekt althans niet uitdrukkelijk klagers standpunt dat hij had verklaard zoals hij had gedaan, omdat hij vreesde voor (herhaalde) mishandeling door de politie (§ 47).
Het EHRM legt meermaals een relatie tussen het recht op rechtsbijstand en het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Eerstgenoemd recht kan beperkingen op laatstgenoemd recht compenseren. Zie het arrest in de zaak Leonid Lazarenko. Daarin overweegt het Hof dat het de tijdige bijstand van een advocaat steeds heeft opgevat als een procedurele waarborg voor de realisatie van het recht tegen gedwongen zelfbelasting en als een fundamentele waarborg tegen mishandeling, nu de verdachte vanwege de spanning van de situatie en de toenemende complexiteit van de strafwetgeving vooral in het beginstadium van de strafprocedure in een kwetsbare positie verkeert.1
In Salduz overweegt het Hof dat deze kwetsbare positie in de meeste gevallen enkel adequaat kan worden gecompenseerd door de bijstand van een advocaat, wiens taak het is om (onder meer) te helpen zeker te stellen dat het recht om zichzelf niet te hoeven belasten gerespecteerd wordt.2 Het Hof voegt hieraan toe dat ‘[e]arly access to a lawyer is part of the procedural safeguards to which the Court will have particular regard when examining whether a procedure has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination’.3
Zie in dit verband Knigge die meent dat het Hof in de zaak Salduz onderzoekt of het ontbreken van rechtsbijstand ‘has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination’. Als dit laatste het geval is, dan zijn de rechten van de verdediging onherstelbaar aangetast (‘irretrievably prejudiced’). Daarbij wijst hij op een duidelijke parallel die zich aftekent met de zaak Texeira de Castro.4 Daarin ging het om het verbod van uitlokking bij pseudokoop. De schending van dit verbod door de Portugese autoriteiten, maakte volgens het Hof dat de verdachte was ‘right from the outset (…) definitively deprived of a fair trial’. De verklaring lijkt ook hier te moeten worden gezocht in de verklaringsvrijheid (of beter: keuzevrijheid) van de verdachte. Het recht om in vrijheid de eigen proceshouding te bepalen, was tot op het bot uitgehold.5
Ik wijs hier ook op de zaak Kuralić. Daaruit volgt dat de bijstand van een advocaat tot gevolg kan hebben dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting minder snel wordt geschonden wanneer verklaringen die van de verdachte zijn verkregen voor het bewijs van de criminal charge worden gebruikt. De Kroatische nationale rechter had klagers veroordeling mede gebaseerd op verklaringen die hij bij de onderzoeksrechter had afgelegd, nadat hem de cautie was gegeven en terwijl hij werd bijgestaan door een advocaat. Met inachtneming van het overige bewijs en de mogelijkheid om (het gebruik van) dat bewijs in de nationale strafprocedure te betwisten, oordeelt het EHRM dat de procedure als geheel ‘fair’ was geweest.6 Van belang is ook dat het Hof overweegt dat de verklaringen die klager bij de onderzoeksrechter had afgelegd, gelet op de cautie en de bijstand door een advocaat ‘expressions of his true will’ waren.7 Hierin kan worden gelezen dat genoemde procedurele waarborgen de dwang die bij de bewijsgaring op de verdachte wordt uitgeoefend, compenseren.8