Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.3.4
5.3.3.4 “Rechtstreeks voortvloeien”
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480531:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Schuijling, noot bij Hof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2011, JOR 2012/25 (Rabobank Venray/Sunquality), nr. 4; en bij Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2010, JOR 2010/139 (Nassau Beheer/Rabobank Breda), nr. 5. In vergelijkbare zin Rongen 2012/944.
Vgl. HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle) en HR 3 december 2010, JOR 2011/ 63, m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.). Anders: Biemans 2009, p. 99-100. Volgens Biemans bestaat voor de uitoefening van een wilsrecht geen rechtsverhouding waaruit de (door uitoefening ontstane) vordering rechtstreeks voortvloeit.
Schuijling, noot bij Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2010, JOR 2010/139 (Nassau Beheer/Rabobank Breda), nr. 5. Vgl. ook het daarmee samenhangende gebruik van begrippen als “rechtstreeks in de tweede graad” door M.B. Beekhoven van den Boezem 2005 en “onmiddellijkheid in de tweede graad” door W.M. Kleijn, in zijn noot bij HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
Vgl. HR 15 maart 1940, NJ 1940/848, m.nt. E.M. Meijers (De Boer/Haskerveenpolder); HR 10 januari 1992, NJ 1992/744, m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/NMB Postbank Groep); en HR 25 januari 1991, NJ 1992/172, m.nt. H.J. Snijders (Van Berkel/Tribosa). Zie ook Nota II, Kamerstukken 2003/04, nr. 5, p. 8.
Vgl. HR 25 maart 1988, NJ 1989/200, m.nt. W.M. Kleijn (Staal Bankiers/Ambags q.q.) met betrekking tot de zekerheidscessie van de vordering van een uittredende vennoot uit hoofde van een voortzettingsregeling in een maatschapsovereenkomst.
HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle), r.o. 3.5.
Vgl. HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338, m.nt. A. van Hees, NJ 2006/203, m.nt. H.J. Snijders (Van den Bergh/Van der Walle). Anders: Biemans 2009, p. 99.
Vgl. de vorderingen die onder het begrip “dezelfde rechtsverhouding” vallen in de zin van de art. 6:52 lid 2 BW (opschorting) en 6:130 BW (verrekening).
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 500 (verrekening ex art. 6:130 BW). Zie daarover Faber 2005/253. Zie ook Rongen 2012/9.
Vgl. HR 3 december 2010, JOR 2011/63, m.nt. B.A. Schuijling (ING/Nederend q.q.).
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 500; en MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 209.
Voor beslag is deze beperking terug te voeren op HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285, m.nt. P. Scholten (Staat/Buitenlandsche Bankvereeniging). Wat betreft stille verpanding bij voorbaat is zij recent door de Hoge Raad bevestigd in HR 17 februari 2012, JOR 2012/234, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/605, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Kézér q.q.).
Vgl. HR 10 januari 1975, NJ 1976/249, m.nt. B. Wachter (Giro/Standaardfilms) ter zake van verrekening ex art. 53 lid 1 Fw. Zie daarover Faber 2005/453.
Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 397.
Vgl. ook (ten aanzien van art. 53 lid 1 Fw) HR 27 januari 1989, NJ 1989/422, m.nt. P. van Schilfgaarde (Otex/Steenbergen q.q.) en HR 15 april 1994, NJ 1994/607, m.nt. P. van Schilfgaarde (Verhagen q.q./INB I).
Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 22 januari 2013, JOR 2013/89, m.nt. A. Steneker (Kaasnegotie). Een lastige kwestie in dit verband betreft de afdracht van gelden door een coöperatie aan haar die zien op de verkoopopbrengsten van goederen die het lid (statutair of contractueel verplicht) door de coöperatie moeten laten verkopen. Zie reeds Rapport Landbouwkrediet 1960, p. 280 en Stein 1963, p. 6-7 over de onzekerheid omtrent het rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding van melk- en veilinggelden van een lid op zijn coöperatie. In bevestigende – maar mijns inziens niet overtuigende – zin: Hof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2011, JOR 2012/25, m.nt. B.A. Schuijling (Rabobank Venray/Sunquality).
Vgl. HR 24 maart 1995, NJ 1996/447, m.nt. H.J. Snijders (Jahn/Nask) met betrekking tot derdenbeslag onder de tussenpersoon.
Vgl. HR 6 april 2012, JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/ Achmea).
Vgl. HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.).
Vgl. HR 18 december 1992, NJ 1993/734, m.nt. P. van Schilfgaarde (Harko/Groen-Kelderman q.q.) en HR 9 juli 2004, JOR 2004/222, m.nt. J.J. van Hees (Bannenberg q.q./NMB-Heller).
Vgl. Rongen 2012/941. Zie ook Houwing 1940, p. 82.
Vgl. Rongen 2012/941.
Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2010, JOR 2010/139, m.nt. B.A. Schuijling (Nassau Beheer/Rabobank Breda) ten aanzien van een raamovereenkomst tot het verrichten van onderhoud aan nader aan te wijzen objecten.
Vgl. echter Hof Arnhem 23 januari 2001, JOR 2001/101 (Lanfermeijer/SNS Bank) met betrekking tot de toekomstige provisievorderingen van een assurantietussenpersoon ten aanzien van toekomstige verzekeringsovereenkomsten die door zijn bemiddeling tot stand zullen komen.
Vgl. Rongen 2012/939. Anders: Spierings 2013, p. 112-114 (aanbod); en Biemans 2009, p. 99 (koopoptie).
212. Naast het bestaan van een rechtsverhouding is vereist dat de toekomstige vordering rechtstreeks uit deze rechtsverhouding voortvloeit. De precieze betekenis van deze beperking is niet geheel duidelijk. Uit de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie volgen slechts enkele (algemene) aanwijzingen ter bepaling van het antwoord op de vraag of een vordering rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding. Het woord “rechtstreeks” geeft in ieder geval aan dat het enkele bestaan van enige rechtsverhouding tussen de toekomstig schuldeiser en schuldenaar niet volstaat.
Er moet een voldoende verband bestaan tussen de rechtsverhouding en de vordering. Naar mijn mening gaat het uiteindelijk erom dat een voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen de vordering en de bestaande rechtsverhouding waarmee zij in verband wordt gebracht.1 Of daarvan sprake is, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. De vaststelling dat een bepaalde vordering rechtstreeks voortvloeit uit een bepaalde rechtsverhouding is voornamelijk een feitelijke kwestie en afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Voor de beantwoording van de vraag of de toekomstige vordering rechtstreeks voortvloeit uit een rechtsverhouding, komt het naar mijn mening erop aan of de bestaande rechtsverhouding de toekomstige vorderingen die uit haar zouden worden verkregen in voldoende mate inhoudelijk heeft gevormd. Met andere woorden, het inhoudelijke fundament van de toekomstige vordering moet al in de bestaande rechtsverhouding besloten liggen. Het gegeven dat de vordering inhoudelijk nader geconcretiseerd wordt door een op deze rechtsverhouding voortbouwende rechtshandeling, zoals het uitoefenen van een wilsrecht of het sluiten van een nadere overeenkomst, hoeft geen obstakel te zijn voor het aannemen van dit verband.2 Ook indien een vordering mede wordt teweeggebracht door een nadere handeling van of met een derde, kan de vordering desalniettemin voldoende rechtstreeks verband houden met de reeds bestaande rechtsverhouding. In deze zin werkt het woord “rechtstreeks” (of “onmiddellijk”) eerder verwarrend dan verhelderend.3 Relevante factoren voor het aannemen van een rechtstreeks verband tussen een rechtsverhouding en een vordering die door nadere handelingen is geconcretiseerd, zijn de mate waarin de rechtsverhouding reeds (in de kiem) de verplichting bevat tot het doen van bepaalde toekomstige betalingen of tot het nadere handelen waar de vordering uiteindelijk het gevolg van is. Deze abstracte grenzen van het grondslagvereiste worden inzichtelijker aan de hand van meer concrete gevalstypen, zoals ontleend aan de parlementaire geschiedenis en rechtspraak. Zoals hierna aan de orde komt, vormt het element “rechtstreeks voortvloeien” vooral een beperking voor (algemene) vorderingen tot afdracht van gelden en goederen die de schuldenaar ten behoeve van de schuldeiser onder zich krijgt. Het onderstaande spitst zich toe op vorderingen uit contractuele rechtsverhoudingen, maar leent zich voor overeenkomstige toepassing op toekomstige vorderingen die uit andersoortige rechtsverhoudingen voortvloeien.
213. De vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een obligatoire overeenkomst zijn in de eerste plaats de vorderingen die corresponderen met de verbintenissen die de partijen in hun onderlinge verhouding hebben beoogd te creëren door het sluiten van de overeenkomst. Ten aanzien van een aantal benoemde duurovereenkomsten volgt zonder enige twijfel uit de jurisprudentie dat de bedongen tegenprestatie rechtstreeks wordt verkregen uit het contract. Voor de toekomstige loonvorderingen van een werknemer uit hoofde van de bestaande arbeidsovereenkomst met zijn werkgever kan worden gewezen op HR 25 februari 1932, NJ 1932/301 (Ontvanger/Schermer). In dit arrest overwoog hij – in het kader van derdenbeslag – dat de arbeidsovereenkomst de rechtstreekse grondslag vormt van de verplichting tot uitbetaling van de nadien vervallende loontermijnen. Hetzelfde geldt ten aanzien van andere overeenkomsten waar de tegenprestatie kan bestaan uit loon, zoals bij opdracht (vgl. art. 7:405 BW) of bewaarneming (vgl. art. 7:601 BW). Dat de toekomstige huurvorderingen van de verhuurder op de huurder rechtstreeks voortvloeien uit de tussen hen bestaande huurovereenkomst, vindt eveneens bevestiging in de rechtspraak van de Hoge Raad.4
Ten aanzien van andere overeenkomsten kan men als uitgangspunt eveneens een ruime opvatting hanteren. Zo zal een gesloten verzekeringsovereenkomst de rechtstreekse bron zijn van de vorderingen van de verzekeraar op de verzekeringnemer tot betaling van de premie en van de vordering van de verzekeringnemer op de verzekeraar tot het doen van een uitkering. Een vennootschapscontract zal voor de vennoten de rechtstreekse bron vormen voor bijvoorbeeld hun vorderingen tot (een voorschot op de) uitkering van de winst, maar tevens voor de eventuele vordering tot uitkering van het batig saldo bij vereffening als gevolg van een (partiële) ontbinding of opzegging van de vennootschap. Ook de vordering van een uittredend vennoot tot vergoeding uit hoofde van een in het vennootschapscontract overeengekomen voortzettingsregeling wordt rechtstreeks verkregen uit deze overeenkomst.5 Als laatste voorbeeld noem ik de kredietovereenkomst (geldlening). De kredietovereenkomst vormt de rechtstreekse bron voor de kredietnemer voor zijn vordering op de kredietgever tot uitbetaling van (een deel van) het bedrag aan krediet.6 Vanuit het perspectief van de kredietgever vormt de overeenkomst niet alleen de onmiddellijke bron voor zijn vordering tot terugbetaling van het verstrekte krediet, maar tevens voor zijn vorderingen tot betaling van rente over het geleende bedrag. Dat de kredietnemer het krediet eerst nog dient op te vragen, maakt dit niet anders.7
De groep vorderingen die rechtstreeks uit een contractuele rechtsverhouding kunnen ontstaan, is niet beperkt tot de (hoofd)verbintenissen die de contractspartijen in het leven roepen.8 Zo zal een vordering tot betaling van (vervangende en aanvullende) schadevergoeding als gevolg van een tekortkoming rechtstreeks uit de door de overeenkomst ontstane rechtsverhouding worden verkregen.9 Hetzelfde geldt voor vorderingen tot (aanvullende) schadevergoeding of tot ongedaanmaking van verrichte prestaties als het gevolg van de ontbinding van de overeenkomst. Daarbij is het naar mijn mening niet relevant of de schadevergoedings- of ongedaanmakingsvordering voortvloeit uit de wet of contractueel is bedongen.10 Mocht de overeenkomst nietig blijken of worden vernietigd dan kunnen ook de vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling in dat verband worden gezien als vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit de door de overeenkomst gecreëerde rechtsband tussen de contractanten. Het gegeven dat de overeenkomst niet geldig is geweest, doet daar niet aan af.11
– Afdrachtvorderingen
214. De vraag naar voldoende rechtstreeks verband rijst in het bijzonder bij toekomstige vorderingen die voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding tussen de toekomstig schuldeiser en schuldenaar, maar die pas ontstaan door een nadere handeling tussen beide of door één van deze partijen, dan wel door of met een derde persoon. De eis dat de vorderingen rechtstreeks moeten voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding strekt vooral tot uitsluiting van toekomstige vorderingen uit een rechtsverhouding die de ene partij in het algemeen verplicht gelden en goederen af te dragen die hij als gevolg van andere rechtshandelingen ten behoeve van de andere partij later onder zich krijgt. Dergelijke vorderingen staan in een onvoldoende rechtstreeks verband tot die rechtsverhouding.
Het belangrijkste voorbeeld van deze categorie is de toekomstige vordering van een rekeninghouder op zijn bank uit hoofde van de creditering van zijn bankrekening met een van een derde afkomstig bedrag.12 De bestaande rechtsverhouding tussen de rekeninghouder en bank vormt niet de rechtstreekse grondslag voor de afdrachtvordering uit hoofde van de creditering, maar wordt “slechts” geboekt in de tussen de rekeninghouder en de bank bestaande rekening-courant. De rechtstreekse grondslag voor de vordering is buiten de rechtsverhouding met de bank gelegen, namelijk in de girale betaling of storting door de derde.13 Dit betekent dat de vorderingen ter zake van toekomstige banksaldi, voor zover zij het gevolg zijn van stortingen door derden, niet vatbaar zijn voor stille cessie of verpanding bij voorbaat.
Daarmee is niet gezegd dat dergelijke toekomstige vorderingen niet openbaar bij voorbaat verpand kunnen worden. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, ontbreekt de eis van een bestaande grondslag bij de openbare verpanding bij voorbaat van toekomstige vorderingen. Door mededeling van de verpanding aan de bank waar de rekening wordt (of zal worden) aangehouden, kunnen ook de toekomstige vorderingen van de rekeninghouder op de bank uit hoofde van toekomstige creditsaldi bij voorbaat door hem worden verpand.14 Vervolgens kan de pandhouder op de voet van art. 3:246 lid 4 BW aan de pandgever de bevoegdheid verlenen om – tot nader order of onder een ontbindende voorwaarde – de verpande vordering uit hoofde van het creditsaldo te incasseren of anderszins daarover feitelijk te beschikken. Op deze wijze kunnen de bestaande en toekomstige vorderingen van een rekeninghouder uit hoofde van een bankrekening openbaar worden verpand, terwijl het resultaat praktisch gezien overeenstemt met een stille verpanding.
Voor andersoortige rechtsverhoudingen die leiden tot algemene afdrachtverplichtingen van gelden en goederen die de ene partij (de tussenpersoon) ontvangt ten behoeve van de andere partij (de achterman) geldt dezelfde benadering: de toekomstige vorderingen tot afdracht van de achterman op de tussenpersoon die het gevolg zijn van andere rechtshandelingen vloeien onvoldoende rechtstreeks voort uit de rechtsverhouding die tussen hen bestaat.15
215. Een uitzondering op het voorgaande kan gelden in die gevallen waarin tevoren vaststaat dat de rechtsverhouding tussen de toekomstig schuldeiser en schuldenaar is gericht op het ontvangen en afdragen van bepaalde door partijen tevoren aangewezen gelden, zoals een incasso-opdracht aan een advocaat of de inschakeling van een notaris bij de levering van een registergoed. Uit de parlementaire toelichting volgt dat in die gevallen de concrete afdrachtverplichting toch als voldoende rechtstreeks voortvloeiend uit de rechtsverhouding kan worden aangemerkt.16 Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat de toekomstige vorderingen tot afdracht van derdengelden jegens een advocaat of notaris reeds hun grondslag hebben in de overeenkomst tussen de cliënt en de advocaat of notaris dat de laatstgenoemde ten behoeve van die cliënt (specifieke) derdengelden zal ontvangen.17 Dat de tussenpersoon vervolgens zelf een tussenpersoon inschakelt, doet aan het voorgaande overigens niets af. Tussen de situatie waarin de gelden door de tussenpersoon rechtstreeks zouden zijn ontvangen van de schuldenaar, en die waarin de gelden door de schuldenaar zijn betaald aan de lasthebber van de tussenpersoon, bestaat geen relevant verschil.18
Uit het voorgaande volgt dat het enkele gegeven dat de vordering mede wordt teweeggebracht door een nadere handeling door een derde, nog niet betekent dat een toekomstige vordering niet haar rechtstreekse grondslag kan vinden in een bestaande rechtsverhouding tussen de toekomstig schuldeiser en schuldenaar. De uitsluiting van bepaalde afdrachtvorderingen door het element “rechtstreeks”, is veeleer gelegen in de abstractie (in de zin van een gebrek aan concretisering) in de onderliggende rechtsverhouding. De betekenis van de eis dat de toekomstige vordering rechtstreeks moet worden verkregen uit een bestaande rechtsverhouding dient naar mijn mening daarom niet ruim geïnterpreteerd te worden. Toekomstige vorderingen die ontstaan door een nadere handeling, kunnen zeer wel voldoende rechtstreeks verband houden met een reeds bestaande rechtsverhouding. Een typisch voorbeeld is de toekomstige vordering tot uitkering van de verzekerde op de verzekeraar uit hoofde van een schadeverzekeringsovereenkomst. Deze vordering houdt rechtstreeks verband met de verzekeringsovereenkomst, ongeacht of het verzekerde risico zich verwezenlijkt door het handelen van een derde. Een ander voorbeeld is de regresvordering van een hoofdelijke schuldenaar (of borg) op zijn medeschuldenaar (of hoofdschuldenaar). De regresvordering is voor haar ontstaan afhankelijk van de betaling door de hoofdelijk verbonden partij.19 Dat verhindert niet dat deze vordering rechtstreeks kan voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding die bestaat tussen de toekomstig schuldeiser en toekomstig schuldenaar van de regresvordering.20 Dit vindt onder meer bevestiging in de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 53 Fw.21
– Raam- en voorovereenkomsten
216. Verwant aan de hiervoor besproken problematiek is de vraag naar het verband tussen een toekomstige vordering uit overeenkomst en de aan deze overeenkomst ten grondslag liggende raamovereenkomst of voorovereenkomst. Zo kan tussen de toekomstige schuldeiser en schuldenaar een afspraak bestaan over de (periodieke) levering van goederen en diensten of de terbeschikkingstelling van gelden krachtens nog te sluiten (nadere) overeenkomsten. Kan in deze gevallen worden gezegd dat de vordering rechtstreeks voortvloeit uit de raam- of voorovereenkomst? Het antwoord op deze vraag is mijns inziens genuanceerd. Enerzijds brengt het gegeven dat de vordering mede haar oorsprong vindt in een nadere handeling tussen beide partijen, nog niet met zich dat de vordering onvoldoende rechtstreeks uit de raam- of voorovereenkomst voortvloeit. Anderzijds mag men niet steeds aannemen dat het bestaan van de raam- of voorovereenkomst een voldoende grondslag oplevert voor de vorderingen die mede ontstaan door nadere handelingen onder die overeenkomst. In dit verband is van belang in hoeverre de raam- of voorovereenkomst de verplichting in het leven roept tot nader contracteren. Zo zal een vrijblijvende raamovereenkomst, die partijen tot niets verplicht, niet eenvoudig de grondslag kunnen opleveren van de vorderingen die voortvloeien uit contracten die onder deze raamovereenkomst worden aangegaan.22 Hetzelfde moet worden aangenomen voor het enkele gegeven dat partijen regelmatig zaken met elkaar hebben gedaan (vgl. art. 6:52 lid 2 BW).23 Bevat een overeenkomst daarentegen een concrete verplichting tot het aangaan van nadere overeenkomsten, dan kan men zonder bezwaar aannemen dat de vorderingen die uit deze nadere overeenkomsten zullen voortvloeien, reeds hun onmiddellijke grondslag vinden in de onderliggende raam- of voorovereenkomst.24 Zo zou ik ook willen aannemen dat het loon van de bemiddelaar voor het tot stand doen brengen van bepaalde overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden al rechtstreeks voortvloeit uit de bemiddelingsovereenkomst.25 Op vergelijkbare wijze kan een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst, een optierecht of een onderhandelingsfase de rechtstreekse grondslag vormen van een toekomstige vordering die voortvloeit uit de aanvaarding van het aanbod, het uitoefenen van het optierecht of het voltooien van de onderhandelingen door wilsovereenstemming.26