Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.3.2:4.3.2 Rechtspraak
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.3.2
4.3.2 Rechtspraak
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436757:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof 's-Hertogenbosch 13 mei 2003, te kennen uit NJ 2004, 295 (PV); Rb. Maastricht 23 januari 2004, te kennen uit IVIPR 2004, 222; Hof 's-Hertogenbosch 23 december 2004, LJN AS2634.
Hof 's-Hertogenbosch 28 juni 2005, NJPR 2005, 221.
Hof 's-Gravenhage 3 december 2003, NJPR 2004, 8; Hof 's-Gravenhage 30 november 2005, NJPR 2006, 11.
Hof Arnhem 21 december 2004, NJPR 2005, 218.
Rb. Zutphen 24 november 2005, LJN AU7462.
Zie par. 3.5.3 e.v.
Zie ook S. Rutten, Perpetuatio fort in ouderlijke gezagskwesties', IVIPR 2005, p. 16-17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechtspraak omtrent art. 5 Rv, in zijn tot 1 mei 2006 geldende vorm, illustreert dat de rechtsmachtbeperkende functie van art. 5 Rv niet goed is doorgedrongen tot de Nederlandse gerechten. De rechtspraak worstelt met de vraag wanneer art. 5 Rv in formeel en materieel opzicht van toepassing is. De gevallen waarin de Nederlandse rechter zich door juiste toepassing van art. 5 Rv onbevoegd verklaart, zijn schaars.1 In één geval achtte het Hof 's-Hertogenbosch zich bevoegd op grond van art. 5 Rv, terwijl de bevoegdheid volgde uit het HKbV 1961.2 En in twee andere gevallen paste het Hof 's-Gravenhage het HKbV 1961 analoog toe om zich onbevoegd te verklaren, terwijl zulks had moeten geschieden volgens art. 5 Rv.3 Verder zijn er gevallen waarin de Nederlandse rechter bevoegdheid ontleende aan art. 5 Rv in zaken die niet onder het begrip 'ouderlijke verantwoordelijkheid' kunnen worden gebracht. Het ging dan bijvoorbeeld om een verzoek tot verlening van vervangende toestemming voor de erkenning van een kind (art. 1:204 lid 1 sub c jo. lid 3 BW)4 of het verzoek tot vaststelling van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige.5 Naar mijn mening had de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in beide gevallen bepaald moeten worden volgens art. 3 sub a Rv.6
In Hof ' s-Hertogenbosch 23 december 2003, LJN AS2634, komt de vraag naar de peildatum van de rechtsmacht aan de orde. Geldt voor de toepassing van art. 5 Rv het beginsel van perpetuatio fori? Volgens dit beginsel zijn voor het bepalen van de rechtsmacht, doorslaggevend de feiten en omstandigheden zoals deze bestaan ten tijde van het inleiden van de procedure in eerste instantie. Geldt dit beginsel ook voor art. 5 Rv? Is voor de toepassing van art. 5 Rv doorslaggevend de gewone verblijfplaats van het kind bij het inleiden van de procedure? In de Nederlandse commune rechtsmachtregeling geldt perpetuatio fori als uitgangspunt, doch uitzonderingen zijn denkbaar als het belang van het kind dat vereist.7 Aldus ook het hof:
`Deze uitzondering op het `perpetuatio fori-beginsel' is in het belang van het kind omdat de autoriteiten van het land van de gewone verblijfplaats meer mogelijkheden hebben om maatregelen te treffen en uit te voeren ter bescherming van de minderjarigen dan Nederland waar [naam dochter] feitelijk niet verblijft. (zie HR 28 mei 1999, NJ 2001/212)'