Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.4.4.2
4.4.4.2 De bevoegdheid ten aanzien van een verzekeraar gevestigd in een lidstaat
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399542:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 18 van de Richtlijn bepaalt dat de benadeelde een rechtstreekse vordering ter beschikking dient te staan. Is het aansprakelijke voertuig gewoonlijk gestald in een lidstaat, dan dient het bij een in een lidstaat gevestigde verzekeraar te zijn verzekerd en heeft de benadeelde dus een rechtstreekse vordering tot zijn beschikking. Zie omtrent de onduidelijkheden die door deze gewijzigde formulering werden veroorzaakt Koppenol-Laforce, Bevoegdheid, p. 313 e.v., meer in het bijzonder p. 316 e.v.
Zie art. 8, 9 en 10 van de Verordening Brussel I. Zie voor de verzekeringsplicht par. 33.53. Ook de verzekeraar die vanuit een derde land in Nederland in dienstverrichting werkzaam is, dient een schadeafhandelaar in Nederland aan te stellen die de verzekeringsonderneming ook in rechte moet kunnen vertegenwoordigen. Zie par. 3.43.
HvJ EG 13 december 2007, nr. C-463/06 (FBTO Schadeverzekeringen NV/Jack Odenbreit), Jur. 2007, p. I-11321, NJ2009,144 m.n. PV. De vraag voor welke gerechten een gesubrogeerde sociale verzekeraar de Wam-verzekeraar is, is inmiddels beslist in het arrest Vorarlberger Gebietskrankenkasse/ WGV-Schwdbische Algemeine Versicherungs AG (zie hierna).
Opgemerkt zij, dat de verordening zich niet beperkt tot 'Wam-zaken' en zelfs niet tot verkeersongevallen. De Nederlandse algemene aansprakelijkheidsverzekeraar tegen wie een rechtstreekse vordering mogelijk is in gevallen van personenschade op grond van art. 7:954 BW, kan derhalve ook voor de gerechten van andere lidstaten worden opgeroepen, vooropgesteld dat de benadeelde verblijfplaats in een andere lidstaat heeft.
Deze laatste twee landen nadat zij het verdrag tot aanpassing van het Verdrag van Lugano aan Verordening Brussel I hebben geratificeerd; tot dan zal het Verdrag van Lugano de geschillen beheersen. Zie par. 4.4.4.1.
HvJ EU 17 september 2009, nr. C-347/08 (Vorarlberger Gebietskrankenkasse/WGV-Schwdbische Algemeine Versicherungs AG),Jur. 2009, p. 2208.
Zie rechtsoverweging 22 van het arrest, waaruit blijkt dat dit aspect voor het Landesgericht Feldkirch aan de orde is geweest. Het hof gaat daar niet op in.
Lid 2 van art. 28, dat de verwijzing en voeging op verzoek van een der partijen in het geval van samenhangende vorderingen onder omstandigheden mogelijk maakt, biedt geen soelaas, omdat de voorwaarde daarvoor is dat het gerecht waarnaar wordt verwezen bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Op grond van het Vorarlberger-arrest is de rechter van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar niet bevoegd van de vordering van deze partij kennis te nemen.
Zie ook overweging 11 bij Verordening Brussel I.
Verordening Brussel I geeft een speciale bevoegdheid in verzekeringszaken, ook voor de vordering van de benadeelde. Art. 9 bepaalt dat de verzekeraar niet alleen kan worden opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, maar ook - indien het de vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft - in een andere lidstaat voor het gerecht van de woonplaats van de eiser. Verzekeraars met vestiging in een lidstaat kunnen voor geschillen betreffende de exploitatie van een filiaal, agentschap of andere vestiging ook in een andere lidstaat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn.
Ingevolge art. 10 kan de verzekeraar in geval van onder meer aansprakelijkheidsverzekeringen ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.
Daarnaast kan de co-assuradeur ook worden gedaagd voor het gerecht waar de vordering tegen de eerste verzekeraar is ingesteld. Voor motorrijtuigverzekering is deze extra jurisdictie niet van praktisch belang.
Een aansprakelijkheidsverzekeraar kan ook in vrijwaring worden opgeroepen voor het gerecht waar de rechtsvordering van de getroffene tegen de verzekerde aanhangig is, indien de voor dit gerecht geldende wetgeving het toelaat.
Art. 11 lid 2 van de verordening verklaart deze regels (ook) van toepassing op de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar, indien die vordering mogelijk is.1 Dat betekent dat de benadeelde kan procederen voor:
de gerechten van de plaats van vestiging van de verzekeraar;
het gerecht van de plaats van het schadeveroorzakende feit;
zijn eigen woonplaats.2
Dit laatste is enige tijd niet zeker geweest. Deze onzekerheid was het gevolg van een wijziging van de formulering ten opzichte van dezelfde bepaling in het EEX-Verdrag waarvoor Verordening Brussel I in de plaats is gekomen.
Onder het EEX-Verdrag had de benadeelde voor wat betreft zijn vordering tegen de verzekeraar in een andere lidstaat geen bevoegde rechter in de lidstaat van zijn woonplaats.
De 5e Richtlijn deed reeds een poging om deze onduidelijkheid uit de wereld te helpen door in art. 5 te bepalen dat in de considerans van de 4e Richtlijn een overweging 16bis wordt toegevoegd die verklaart dat de benadeelde "overeenkomstig artikel 11, lid 2 jo. artikel 9, lid 1, onder b) van Verordening (EG) 44/2001 (...) een rechtsvordering (kan) instellen tegen de WA-verzekeraar in de lidstaat waar hij zijn verblijfplaats heeft."
Bij deze vorm van wetgevingstechniek kunnen vraagtekens worden geplaatst. Is een Richtlijn wel het instrument om een interpretatie te geven van een verordening? Men zou toch menen dat de uitleg van de instrumenten van de EU de taak is van het Hof van Justitie. Aan het hierna te bespreken Odenbreit-arrest van het EG-Hof, rechtsoverweging 20, valt te ontlenen dat de Commissie - die naast de verweerder in het hoofdgeding en een aantal lidstaten opmerkingen bij het hof heeft ingediend - van oordeel is, dat de gemeenschapswetgever met de invoeging van overweging 16bis in de 5e Richtlijn geen bindende uitleg van de verordening heeft gegeven, maar dat er een belangrijk argument in te lezen valt voor de erkenning van de bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de benadeelde.
Inmiddels is de kwestie definitief beslecht door het EU-Hof in zijn Odenbreitarrest.3 Het hof komt op grond van zowel een grammaticale als een teleologische uitleg van art. 11 lid 2 jo. art. 9 lid 1 onder a en b van Verordening Brussel I tot het oordeel dat de getroffene rechtstreeks een vordering kan instellen tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar voor het gerecht van zijn woonplaats, indien een dergelijke vordering mogelijk is en de verzekeraar op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft. De ratio hiervan ziet het hof in de beschermingsgedachte: de benadeelde derde verkeert niet in een sterkere positie tegenover de verzekeraar dan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde.
Nu de Richtlijn in art. 18 de rechtstreekse vordering tegen de Wam-verzekeraar voorschrijft, betekent dit dat de benadeelde - voor zover te beschouwen als zwakke partij, zie hierna - de vordering tegen een verzekeraar met woonplaats in een andere lidstaat voor het gerecht van zijn, benadeelde's, woonplaats, kan instellen.4 Voor wat betreft Noorwegen, IJsland en Zwitserland5 geldt dat de Afdeling in het Verdrag van Lugano betreffende de bevoegdheid in verzekeringszaken gelijkluidend is aan die in Verordening Brussel I, zodat ook verzekeraars met vestiging in deze landen door de (zwakke) benadeelde voor de gerechten van diens woonplaats kunnen worden gedaagd.
In zijn arrest van 17 september 2009 (Vorarlberger-arrest)6 , in paragraaf 4.2.1 reeds aan de orde geweest bij de bespreking van het begrip 'benadeelde' in de Richtlijn, heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de vraag of art. 11 lid 2 van Verordening Brussel I ook regresnemende (particuliere en) sociale verzekeraars beschermt. Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend.
Het hof overweegt daarbij - samengevat - dat, om de volle werking en een autonome uitlegging van de Verordening te waarborgen, hoofdzakelijk rekening moet worden gehouden met het stelsel en de doelstellingen ervan. In overweging 11 van de Verordening wordt overwogen dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Daarom is de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, ongeacht zijn nationaliteit, in het stelsel van de Verordening het algemene beginsel, dat is neergelegd in art. 2 lid 1.
Art. 3 lid 1 van de Verordening wijkt af van dat algemene beginsel. Het bepaalt immers dat degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, voor het gerecht van een andere lidstaat kunnen worden opgeroepen, maar enkel krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van de Verordening gegeven regels. De bevoegdheidsregels die van het algemene beginsel afwijken, mogen niet aldus worden uitgelegd dat zij ook gelden buiten de door de verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.
Afdeling 3 van hoofdstuk II van de Verordening voert een autonoom stelsel in voor de gerechtelijke bevoegdheidsverdeling in verzekeringszaken. Volgens overweging 13 van de Verordening is het doel van deze afdeling de zwakke partij te beschermen door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.
Uit de beschermende functie van deze bepalingen volgt dat de ter zake in de Verordening voorziene bijzondere bevoegdheidsregels niet mogen worden uitgebreid tot personen die deze bescherming niet nodig hebben. Een dergelijke, in de rechten van de rechtstreeks getroffene gesubrogeerde persoon, die zelf als een zwakke partij kan worden beschouwd, moet daarentegen gebruik kunnen maken van de bijzondere bevoegdheidsregels die in de genoemde bepalingen worden gedefinieerd. Dat is, zoals de Spaanse regering in haar opmerkingen aan het hof heeft betoogd, met name het geval voor de erfgenamen van de benadeelde van een ongeval.
De conclusie van het hof luidt dan ook dat een sociale verzekeraar die is gesubrogeerd in de rechten van de door een auto-ongeval rechtstreeks getroffene, geen beroep kan doen op art. 9 lid 1 sub b jo. art. 11 lid 2, van de Verordening om bij de rechter van zijn lidstaat van vestiging rechtstreeks een vordering in te stellen tegen de in een andere lidstaat gevestigde verzekeraar van de persoon die verantwoordelijk zou zijn voor het ongeval. Er is niet aangevoerd dat de Vorarlberger Gebietskrankenkasse een economisch zwakkere en juridisch minder ervaren partij is dan een wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar, zoals de WGV-Schwdbische Allgemeine Versicherungs AG. Algemeen heeft het hof reeds vastgesteld dat geen bijzondere bescherming nodig is wanneer het gaat om betrekkingen tussen beroepsmensen uit de verzekeringssector, die geen van allen kunnen worden geacht in een zwakkere positie te verkeren dan de andere.
Zie de rechtsoverwegingen 35 tot en met 44.
De conclusie moet luiden dat in elk geval particuliere en sociale verzekeraars zich niet op art. 11 lid 2 van Verordening Brussel I kunnen beroepen. Het begrip 'getroffene' mag echter niet zo beperkt worden uitgelegd dat daaronder alleen het slachtoffer zelf is te verstaan. Zie hetgeen is opgemerkt bij de bespreking van het arrest in paragraaf 4.2.1. Afgeleide benadeelden - zoals erfgenamen van een overleden slachtoffer - kunnen zich in beginsel ook op art. 11 beroepen. Ik zou menen dat het arrest ook ruimte biedt om aan te nemen dat rechtspersonen een beroep kunnen doen op art. 11 lid 2, vooropgesteld dat zij als zwakke partij te betitelen zijn. Ik leid dit af uit rechtsverweging 42 waar wordt overwogen dat:
"niet (is) aangevoerd dat een socialezekerheidsorgaan, zoals VGKK, een economisch zwakkere en juridisch minder ervaren partij is dan een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeraar, zoals WGVSAV."
Kennelijk acht het hof een dergelijk beroep in beginsel mogelijk. Dat biedt mogelijkheden voor werkgevers die een eigen recht op vergoeding van doorbetaald loon hebben op de voet van art. 6:107a BW.
Een tweetal kritische kanttekeningen wil ik nog maken: in de eerste plaats brengt het arrest mee dat met elkaar in verband staande procedures voor gerechten in verschillende lidstaten zullen moeten worden gevoerd.7 Wellicht kan langs de weg van art. 28 van Verordening Brussel I worden voorkomen dat onderling onverenigbare uitspraken tot stand komen. Het eerste lid van dat artikel maakt het in geval van samenhangende vorderingen mogelijk dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, de zaak aanhoudt.8
In de tweede plaats valt op dat het hof onduidelijkheid laat bestaan rond het begrip 'zwakkere partij' en dat staat enigszins haaks op het door het hof in rechtsoverweging 36 ook benadrukte belang van 'in hoge mate' voorspelbare bevoegdheidsregels.9