De notaris en gelijk oversteken
Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/7:Paragraaf 7 Conclusie
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/7
Paragraaf 7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941776:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toen ik circa vijf jaar geleden begon met mijn onderzoek over de notaris en gelijk oversteken, kon ik enige teleurstelling niet onderdrukken toen ik kennis nam van regelgeving als de Beleidsregel en het Reglement. Het huidige systeem – met zijn narecherche – lijkt zo goed als waterdicht en is bovendien in de afgelopen jaren steeds efficiënter geïmplementeerd door de notariële praktijk. Nu, ten tijde van de afronding van mijn onderzoek, zie ik de recherches als slechts een noodoplossing. Recherches zijn noodzakelijk omdat, vanaf het moment dat partijen een voornemen om (onroerend) goed en geld te ruilen op papier zetten, betrekkelijk weinig hoeft te gebeuren om de afwikkeling van de transactie te dwarsbomen. Aan de wens van partijen om genot en eigendom te scheiden is door de wetgever tegemoet gekomen door middel van vijf zakelijke genotsrechten. Echter, van de wens om transacties te verrichten – meer nauwkeurig; de wens om zeker te weten dat transacties doorgaan – is mijns inziens tot op heden te weinig rekenschap gegeven.
Reeds vóór Van Velten zich sterk heeft gemaakt voor de mogelijkheid tot het inschrijven van de koopovereenkomst, heeft De Vries in het WPNR opgemerkt dat “Aan de normale afwikkeling van het normale economische gebeuren voorrang gegeven moet worden boven de uitzonderlijke gang van zaken gelegen in beslag en executie”. Daarom moeten wij “ons niet stellen op basis van een abstract systeem van enkel en alleen de volgorde (...) doch eerst analyseren wat het normale maatschappelijke gebeuren is – de correcte afwikkeling van koopovereenkomsten en hun financiering – en daarop de regeling afstemmen”.1
Het is hier interessant om op te merken dat ook in andere jurisdicties dan de onze het besef dat het volgens het “wie het eerst komt, het eerst maalt” principe functionerende systeem van beschikkingsbevoegdheid en uitwinbaarheid, niet per se de meest wenselijke uitkomsten produceert. In de context van faillissement beargumenteert Worthington dan ook dat het huidige Anglo-Amerikaanse stelsel valt te vergelijken met een stoelendans, omdat het stelsel slechts oog heeft voor wie op welk moment het dichtst bij een stoel is, zonder in ogenschouw te nemen dat een alternatieve verdeling van de stoelen wenselijker kan zijn. Zij pleit dan ook voor een nieuwe aanpak op basis van een meer normatieve analyse, in plaats van traditionele doctrinaire argumenten.2 Het Zuid-Afrikaanse Sarrahwitz-arrest vormt een fraaie constitutioneel van aard zijnde illustratie van deze gedachte in de context van het probleem dat centraal staat in dit onderzoek. Echter, ook het Nederlandse stelsel zou mogelijkerwijs gebaat zijn bij een dergelijke alternatieve inrichting. In de context van registergoedtransacties stelt De Vries in de hierboven genoemde publicatie voor dat de notaris een soort beslag op de bij een transactie betrokken percelen kan leggen ten behoeve van de afwikkeling. “Wie in die periode recherche neemt, stuit op het beslag ter verwezenlijking van de onder handen zijnde transactie en kan vervolgens onder de notaris beslag leggen met de bedoeling, dat het saldo-effect (art. 507b lid 1 Rv formuleert het inmiddels als het deel van de koopprijs dat de notaris ten behoeve van de verkoper onder zich houdt) van de desbetreffende partij te zijner beschikking komt”. De charme van deze suggestie is bovendien dat, in tegenstelling tot de Vormerkung, ook (bijvoorbeeld) een hypotheekhouder van deze bescherming profiteert.
Het ideaal waar De Vries mee afsluit: “een vlekkeloze afwikkeling, waarin onverhoedse pech-risico’s niet meer mogelijk zijn”, is een ideaal dat ook in 2023 nog niet verwezenlijkt is. Echter, dankzij het bestaan van bijvoorbeeld artikel 7:3 BW ligt het bereiken van dit ideaal wel degelijk binnen handbereik van de notariële praktijk. Het verwezenlijken van dit ideaal vormt mijns inziens een dermate groot belang dat het (a) de moeite waard is om de oplossingsrichtingen die dit boek bevat nader te verkennen en (b) best wat mag kosten. Immers, omdat door een juiste implementatie van mijn suggesties niet langer rekening hoeft te worden gehouden met “onverhoedse pech-risico’s”, krijgen we er – bijvoorbeeld in de vorm van lagere recherchekosten – ook iets voor terug.