Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.2.3
2.2.3 Het onderzoek als de kern van het enquêterecht
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369697:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 27 september 2000, NJ 2000, 653, JOR 2000/217 m.nt. Brink (Gucci), r.o. 4.2: “Het in rov. 3.11 van haar beschikking neergelegde oordeel van de Ondernemingskamer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats blijkt immers uit de bewoordingen en het stelsel van de wet dat de Ondernemingskamer pas bevoegd is tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 in verbinding met art. 2:356“indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken”. In de tweede plaats volgt ook uit de ontstaansgeschiedenis van de onderhavige bepalingen – zoals vermeld in de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 5.2.5.1 tot en met 5.2.6.1 – dat de wetgever heeft bedoeld dat voormelde voorzieningen pas kunnen worden getroffen nadat de eerste procedure is geëindigd met het verslag van het onderzoek en voorzover daaruit blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid van de rechtspersoon. In de derde plaats moet ook op grond van de strekking van de wet worden aangenomen dat de Ondernemingskamer niet de bevoegdheid heeft gekregen zelfstandig op basis van door haar vastgestelde feiten te oordelen dat van wanbeleid is gebleken en op basis van uitsluitend haar eigen oordeel voorzieningen te treffen. Die strekking houdt in dat de wet voorziet in een aparte rechtsgang bij een daartoe speciaal aangewezen rechterlijke instantie ter zake van het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Dat onderzoek vormt de kern van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht. De Ondernemingskamer kan in aansluiting op het verslag van dat onderzoek voorzieningen treffen, doch nodig is dat niet. Indien er geen aanleiding bestaat voor het instellen van een onderzoek als hier bedoeld en behoefte bestaat aan voorzieningen staat de gewone procedure bij de burgerlijke rechter, met alle daaraan verbonden waarborgen, open.”
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer (Text Lite).
Kamerstukken TK 32 887, nr. 3 (MvT), p. 23 en 34 en nr. 6 p. 2.
HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Maeijer (RNA). Zie hierover Veenstra (Diss.) par. 3.3.5.2.
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer (Text Lite) r.o. 4.7.1.
HR 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt. Doorman (DSM).
In de periode 2000 t/m 2007 werd 323 keer om een onderzoek verzocht en in 255 van deze gevallen werd tevens om onmiddellijke voorzieningen verzocht, derhalve in 80% van alle gevallen. In de eerste vijf jaar dat het mogelijk was om onmiddellijke voorzieningen te treffen (1994 t/m 1999) werd in de helft van alle gevallen ook om onmiddellijke voorzieningen verzocht (in 44 van de 84 gevallen). Zie Cools/Kroeze, tabel H en L. Het verschil wordt mogelijk verklaard door het feit dat onmiddellijke voorzieningen in de periode 1994 t/m 1999 minder bekendheid genoten. Dat verklaart waarschijnlijk ook het lagere aantal enquête verzoeken.
In zijn Gucci-beschikking oordeelde de Hoge Raad dat het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken “de kern van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht” is.1 Eerder had de Hoge Raad dit onderzoek reeds als “de basis van het enquêterecht” bestempeld.2 Tijdens de parlementaire behandeling van het Wetsvoorstel aanpassing enquêterecht werd deze opvatting bevestigd.3
Dat roept de vraag op waarom het onderzoek de kern van het enquêterecht zou zijn. Op dit punt is de motivering van de Gucci-beschikking niet helemaal eenduidig. In de desbetreffende rechtsoverweging wordt namelijk niet alleen ingegaan op de kern van het enquêterecht, maar ook op de cassatieklacht (die inhield dat de ondernemingskamer ten onrechte had geoordeeld dat zij ook zonder onderzoek wanbeleid kon vaststellen mits de feiten duidelijk zijn). Het is daarom niet geheel duidelijk welke argumenten waar op zien. Zie ik het echter goed, dan ziet de Hoge Raad om de navolgende redenen het onderzoek als de kern van het enquêterecht:
De wettelijke regeling van de enquêteprocedure is gebouwd rond het onderzoek.
De enquêteprocedure is een bijzondere procedure, waaraan niet dezelfde waarborgen zijn verbonden als aan een gewone procedure voor de civiele rechter. Zonder de waarborg van het onderzoek is er onvoldoende basis om definitief te oordelen over het gevoerde beleid en het op basis van dat oordeel treffen van voorzieningen.
Het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken is geen optioneel onderdeel van de enquêteprocedure. Het oordeel dat sprake is van wanbeleid en het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen zijn wel optioneel.
Dat het onderzoek de kern van het enquêterecht is, kan bovendien worden geïllustreerd aan de hand van het verband dat bestaat tussen het onderzoek, wanbeleidsoordeel en (onmiddellijke) voorzieningen. Ten eerste dient het wanbeleidsoordeel in hoofdzaak te zijn gebaseerd op het verslag van het onderzoek.4 Ten tweede dienen eindvoorzieningen om een eind te maken aan het wanbeleid, of om de gevolgen van het wanbeleid ongedaan te maken.5 Ten derde dient de ondernemingskamer bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor ogen te houden dat te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, voor het treffen van eindvoorzieningen slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon.6 Daaruit blijkt dat de ondernemingskamer, alvorens onmiddellijke voorzieningen te treffen, alvast moet proberen vooruit te kijken naar het moment dat aan de hand van het onderzoeksverslag kan worden bepaald welke eindvoorzieningen zijn geïndiceerd.
Het is daarmee duidelijk dat het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken en het daarmee samenhangende oordeel over het beleid en de gang van zaken een centrale rol speelt in alle facetten van de enquêteprocedure.
Uit het feit, dat het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken de kern van de enquêteprocedure vormt, kan men echter niet concluderen dat het onderwerp van dit onderzoek – (onmiddellijke) voorzieningen – slechts bijzaak zou zijn. In de overgrote meerderheid van de gevallen dat om een onderzoek wordt verzocht, wordt tevens om onmiddellijke voorzieningen verzocht.7 Sterker nog, justitiabelen dienen vaak juist een enquêteverzoek in met het oog op de mogelijkheid dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Ik kom daarop terug in par. 3.2.