Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.6.3
1.6.3 De legis actio sacramento in rem
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644865:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kaser, RIDA/1967, p. 281. Overigens procedeerde men in die tijd ook over de status van een persoon, dat wil zeggen of een persoon een vrij man was of een slaaf via de legis actio sacramento in rem. Partijen in zo’n proces waren aan de ene kant de persoon die beweerde vrij te zijn en aan de andere kant de eiser die stelde dat de persoon zijn slaaf was. Zie Kaser/Hackl (1996), p. 102 e.v.
Doordat de partijen teksten (formules) tegen elkaar moesten uitspreken, was de aanwezigheid van de partijen bij het proces zelf een vereiste. Zie Gaius 4, 16 voor deze teksten.
Gaius 4, 16.
Runia (2016), p. 12; Manthe (2016), p. 18.
Gaius 4, 16: “(…): qui vindicabat, festucam tenebat; deinde ipsam rem adprehendebat, velut hominem, et ita dicebat: Sicut dixi, ecce tibi, vindictam inposui, et simul homini festucam inponebat; adversarius eadem similiter dicebat et faciebat (…).”
De rituele weddenschap ging om een geldsom (sacramentum), ofwel 500 asses ofwel 50 asses. Deze bedragen stonden symbool voor vijf keer de waarde van één rund (100 asses) en 5 keer de waarde van één schaap (10 asses): de inleg die men moest betalen voor een proces kwam eerst ten goede aan de koning, daarna aan de opperpriester en weer later aan de staatskas. De hoogte van het bedrag hing af van de waarde van het object waarover het geschil ging. Was een litigieuze zaak of prestatie meer dan 1000 asses waard, dan moesten de partijen 500 asses betalen, was de zaak/prestatie minder waard dan diende de partijen 50 asses in te leggen. Oorspronkelijk moest ieder der partijen het totale bedrag inleggen. Degene die kon bewijzen dat zijn bewering juist was, won de weddenschap en de zaak en dus het proces. Degene die het proces had gewonnen, dat wil zeggen degene die een (relatief) sterker recht op de zaak had, kreeg zijn inleg terug, de verliezer was het geld kwijt. Later moesten de partijen zekerheden afgeven voor de betaling van deze kosten, waarna na afloop van het proces de verliezende partij het bedrag moest betalen. Het sacramentum dat de veroordeelde moest betalen, was te beschouwen als een boete. Zie: Mommsen (1877), p. 66. Gaius 4, 13; Vermoedelijk hadden de partijen een eed afgelegd waarin ze voor de goden de waarheid van de rechtsbewering verklaarden. Degene die het proces verloor brak zijn eed en kreeg de wraak van de goden over zich heen. Hij kon zich echter met een reinigingsoffer (piaculum) bevrijden van deze “godenwraak”. Waar het offer eerst bestond uit het leveren van vee, ontwikkelde het zich later tot een boete in geld die in de staatskas vloeide. Zie: Runia (2016), p. 10 e.v.; Kaser/Hackl (1996), p. 83 e.v; Coenraad (2000), p. 28 en Manthe (2016), p. 19.
Gaius 4, 16: “(…) deinde qui prior vindicaverat, dicebat: Quando tu iniuria vindicavisti, quingentis assibus sacramento te provoco; adversarius quoque dicebat similiter: Et egote; (…).”
Kaser/Hackl (1996), p. 94; Kaser (1971), p. 432.
Kaser (1971), p. 127.
Met het “moderne” begrip roerende zaak wordt hier bedoeld alle zaken niet zijnde grond. De eiser kon productie van zowel res mancipi (slaven, dieren) als res nec mancipi eisen.
Kaser/Hackl (1996), p. 91.
Manthe (2016), p. 26.
Kaser/Hackl (1996), p. 98. Ook de voorman kon zijn voorganger in het proces oproepen, indien hij de zaak van die voorganger via mancipatio had verkregen en zo voort, totdat men uiteindelijk uitkwam bij diegene die de zaak op een oorspronkelijke wijze had verkregen.
Zie ook: Runia (2016), p. 15.
Gaius 4, 93: “Per sponsionem vero hoc modo agimus: provocamus adversarium tali sponsione: SI HOMO QUO DE AGITUR EX IURE QUIRITIUM MEUS EST, SESTERTIOS XXV NUMMOS DARE SPONDES?”
Behrends (1974), p. 7; Kaser/Hackl (1996), p. 106; Runia (2016), p. 15-16. Een ander verschil tussen het verloop van de wettelijke acties bij wege van aanvrage van een rechter en de legis actio sacramento in rem was dat de 25 sestertiën waarover Gaius repte niet was te beschouwen als een boete. Het bedrag diende als een belofte om een procedure te beginnen. Zie: Gaius, 4, 94 en Runia (2016), p. 16.
Runia (2016), p. 17.
Kaser/Hackl (1996), p. 106-107.
Runia (2016), p. 15-16.
De legis actio sacramento kon gericht zijn in personam of in rem. Stelde iemand bijvoorbeeld dat hij een recht had dat de basis vormde voor het rechtmatige bezit van een zaak, dan kon diegene dit recht bij een ander opeisen met de legis actio sacramento in rem.1 Deze eigenaardige procesvorm, door Gaius besproken in zijn Instituten (Gaius 4, 12 e.v.), ging als volgt in zijn werk. Vóór de praetor stelden beide partijen in rituele bewoordingen een recht te hebben op de zaak.2 Tijdens het uitspreken van de vooraf vastgestelde bewoordingen (formula), moest de eiser de zaak waarover werd geproduceerd vastpakken en aanraken met een staf.3 De eiser stelde met de vindicatio dat hij een sterker recht op de zaak had dan de wederpartij, die op haar beurt met de contravindicatio de bewering van de eiser weersprak en aangaf dat zij een sterker recht op de zaak had. De wederpartij was dus strikt genomen niet aan te merken als een gedaagde, maar als iemand die, evenals de eiser, ook een zakelijke vordering instelde.4 Toch zullen we in het vervolg de vindicans aanmerken als eiser, omdat hij het proces begon, en de contravindicans als gedaagde, omdat hij reageerde. De twee partijen beweerden beiden een relatief sterker zakelijk recht op de zaak te hebben. Gaius beschreef een geschil over de eigendom van een slaaf:
“… de eiser hield een stok in de hand, pakte vervolgens de zaak zelf, bijv. een slaaf, vast en zei: ‘Ik beweer dat deze slaaf mij naar Quiritisch recht toebehoort op grond van zijn rechtspositie; zie toe gij, overeenkomstig hetgeen ik gezegd heb, heb ik hem de staf opgelegd.’ En tegelijkertijd legde hij dan de stok op de slaaf. De wederpartij zei en deed hetzelfde op dezelfde manier.”5
Na het uitspreken van de formuleringen daagden partijen elkaar uit tot een rituele weddenschap (provocare sacramento) over de juistheid van hun bewering.6
“… Vervolgens zei degene die als eerste gevorderd had: ‘Vermits gij onrechtmatig hebt gevorderd, daag ik u uit tot een rituele weddenschap om 500 asses.’ Dienovereenkomstig zei ook de wederpartij: ‘En ik u.’”7
Het doel van de zakelijke actie was om het bezit te krijgen.8 De vindicatio werd niet alleen gebruikt door de eigenaar van de zaak, het eigendomsbegrip was niet zo vastomlijnd zoals dat later het geval was, maar ook beperkt gerechtigden die recht hadden op het bezit konden met de vindicatio de zaak opeisen. In het proces was men niet zozeer op zoek naar het antwoord op de vraag wie van de partijen eigenaar was van de zaak, zoals later bij het proces waarin de revindicatie werd ingesteld, maar veeleer naar het antwoord op de vraag wie van de strijdende partijen een sterkere positie had ten aanzien van de zaak.
De precieze voorgeschiedenis van de vindicatie is niet bekend, waardoor het gevaar van speculatie op de loer ligt. Een theorie over de achtergrond van de vindicatie is dat de actie tot opeising van de zaak in verband staat met de diefstalactie.9 Niet alleen werd iemand aangemerkt als een dief als hij het bezit van een roerende zaak10 had verkregen tegen de wil van de eigenaar in, maar ook als hij het bezit van een zaak zonder de medewerking van de eigenaar had verkregen. Hij moest aantonen dat hij het bezit van de zaak rechtmatig had verkregen. Als hij dat niet kon werd hij veroordeeld tot het betalen van een geldsom en verloor hij bij een veroordeling tevens ook de zaak, zodat het doel van het instellen van een zakelijke actie werd bereikt: de eiser verkreeg de zaak. Dit laatste was een nevengevolg bij het instellen van de diefstalactie.11 Een uitzondering wat betreft de diefstalverdenking gold voor de gevallen waarin iemand het bezit van de zaak had verkregen door middel van de mancipatio. Voor die gevallen hadden de Romeinen de legis actio sacramento in rem gemaakt. Degene die het bezit van de zaak via de mancipatio had verkregen, kon de diefstalverdenking en daarmee een juridische procedure afweren, door de vorige bezitter van de zaak aan te wijzen (auctorem laudare).12 Deze voorman (auctor) werd nu verdacht van diefstal, maar ook hij kon deze verdenking “doorgeven” door diegene te noemen waarvan hij weer het bezit had verkregen, totdat men uiteindelijk terecht kwam bij de “eerste” onrechtmatige bezitter van de zaak die niet onder de diefstalverdenking uit kon komen. Van deze voorman was met de actio auctoritatis een geldbedrag te vorderen dat het dubbele van de koopprijs bedroeg.13 Aangezien de verkrijger, die van een beschikkingsonbevoegde een zaak via de mancipatio had verkregen, niet met de diefstalactie aan te spreken was, kon de eiser de zaak vindiceren via de actio legis sacramento in rem. Deze procesvorm was dus in eerste instantie beperkt tot de res mancipi. Later heeft men ook de zakelijke acties voor de res nec mancipi toegestaan, aangezien immers een bezitter, niet-eigenaar van een roerende zaak niet direct een dief hoefde te zijn. De eigenaar kon tegen hem de diefstalactie niet instellen en had behoefte aan een zakelijke actie. Kortom met de actio legis sacramento in rem konden zowel de res mancipi als de res nec mancipi worden opgeëist.
Vanuit de legis actiones sacramento in rem ontwikkelde zich later het proces per sponsionem. In dat proces daagde de eiser de wederpartij niet uit met een sacramentum, maar met een vormelijke belofte, een zogenaamde sponsio praeiudicialis.14 Gaius gaf een voorbeeld hoe dat in zijn werk ging:
“Met een vormelijke belofte procederen wij op de volgende manier: wij dagen de wederpartij uit tot het afleggen van een vormelijke belofte, zoals: indien de slaaf waarover geprocedeerd wordt naar Quiritisch recht aan mij toebehoort, belooft gij dan 25 sestertiën te geven?”15
De eiser won het proces pas, als hij kon aantonen dat de litigieuze zaak van hem was. Voor het proces per sponsionem was een aparte procedure geschapen, namelijk de legis actio per iudicis postulationem.16 Tijdens deze procedure was niet langer sprake van twee partijen die allebei de zaak opeisten, maar een partij die beweerde een zakelijk recht op de zaak te hebben en daarom de zaak opeiste bij de bezitter. Zo was in het proces per sponsionem sprake van een eiser en een gedaagde.17 De bewijslast lag bij de eiser, aangezien hij beweerde een zakelijk recht op de zaak te hebben. De bezitter had een beschermde positie, althans zolang de eiser zijn recht niet kon bewijzen. In de procedure per sponsionem kwam zodoende de absoluut gerechtigde te staan tegenover de bezitter. Het onderscheid tussen een absoluut recht zoals bijvoorbeeld het eigendomsrecht en het bezit werd hierdoor steeds scherper gemaakt.18
Door de ontwikkeling van de sponsio praeiudicialis werd het gebruik van de legis actio in sacramento in rem meer en meer teruggedrongen. Door een andere ontwikkeling raakte laatstgenoemde procedure zelfs vrijwel in onbruik.19 Deze ontwikkeling, de opkomst van de formula petitoria, komt hieronder aan bod.