Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.1
2.1 Wanneer wordt het begrip godsdienst uitgelegd?
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457605:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1974, p. 45.
Deze aspecten hebben dus betrekking op de twee fasen die ik noem op p. 14: enerzijds de erkenning van het religieuze karakter van een rechtsobject en anderzijds de fase van het verbinden van religieuze rechten aan een rechtsobject met een religieus karakter.
Mogelijk gaat het dan om: rechten die kunnen worden ontleend aan de Zondagswet (met deze regeling wordt de christelijke ‘viering’ van de zondag en overige feestdagen beschermd tegen gerucht en ordeverstoringen), de rechten op financiering van ambtsopleidingen van een aantal kerkgenootschappen, de rechten van kerkgenootschappen op belastingvoordelen (ANBI-regeling en de OZB-vrijstelling), het recht van kerkgenootschappen (art. 99 lid 2 Wet gemeentelijk basisadministratie) op inzicht in de gegevens van het bevolkingsregister (verhuizing, naamswijziging, e.d.) en het ‘recht’? van het (orthodox-)christelijke volksdeel dat ‘God zij met ons’ op enkele euromunten is geplaatst (art. 3 Muntwet 2002).
De factoren die bepalen of de wetgever of rechter een wettelijk object met een religieus karakter (nader) definieert of als zodanig kwalificeert worden gedisciplineerd door de systematiek van het positieve recht. Binnen deze systematiek speelt normenhiërarchie een grote rol. Een belangrijk uitgangspunt in deze systematiek is dat de grondwetgever de grondrechten en de wijze van totstandkoming van wetgeving heeft vastgelegd in de Grondwet. Het huidige onbepaalde godsdienstbegrip is in belangrijke mate het werk van de grondwetgever, neergelegd in artikel 6 Grondwet. De grondwetgever heeft de bevoegdheid om het godsdienstbegrip te veranderen of aan te vullen of om direct bepaalde uitingen en gedragingen als godsdienstig te kwalificeren. Daarnaast kan het godsdienstbegrip op grond van de aan de formele wetgever geattribueerde wetgevende bevoegdheid (artikel 81 Grondwet) in bepaalde mate worden ingevuld door de totstandkoming van wetten waarin religie een rol speelt en waarin uitwerking wordt gegeven aan de grondwettelijke en in het EVRM opgenomen term godsdienst. Het ligt gezien de onbepaalde definitie van de grondwetgever niet voor de hand dat de formele wetgever een welomschreven definitie geeft van godsdienst. Wel zou de wetgever direct invloed kunnen uitoefenen door zelf in wetgeving concrete objecten als godsdienst(ig) te kwalificeren. Ook is het aannemelijk dat de wetgever bij het regelen van een bepaald onderwerp – waarin religie een rol speelt – de betekenis van godsdienst binnen die context nader afbakent. Deze nadere afbakening is in feite een abstracte definiëring van het begrip godsdienst. Deze afbakening kan ook door de rechter geschieden. Voor de rechter geldt des te meer, vanwege de uitgangspunten van de trias politica (hij zal niet op de stoel van de wetgever willen gaan zitten), dat het niet voor de hand ligt dat hij een welomschreven definitie van godsdienst zal geven.
Een ander belangrijk normen-hiërarchisch uitgangspunt is dat artikel 93 van de Grondwet bepaalt dat ieder verbindende bepalingen van verdragen en van volkenrechtelijke organisaties verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt, en bepaalt artikel 94 van de Grondwet dat deze bepalingen voorgaan op nationale wettelijke bepalingen. Hierdoor wordt het juridische godsdienstbegrip tevens beheerst door verdragsbepalingen. Met name artikel 9 EVRM legt groot gewicht in de schaal. Aangezien de grondwetgever net als de formele wetgever en de rechter is gebonden aan ieder verbindende verdragsbepalingen kunnen we stellen dat van het verdragsrecht zelfs de grootste invloed kan uitgaan op het juridische begrip van godsdienst. Ook kunnen verdragsbepalingen bepaalde uitingen en gedragingen als godsdienstig kwalificeren. Zoals we echter zullen zien geven ook de relevante verdragsbepalingen geen inhoudelijke definitie van godsdienst.
Ten slotte is een belangrijk uitgangspunt van de systematiek van het positieve recht dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat de wetgever en de rechter zich gebonden weten aan hun beslissingen van het verleden.1 In het verleden heeft men keuzes gemaakt die bepalen hoe het recht in de huidige tijd omspringt met kwesties die betrekking hebben op rechten met een religieus object. Daarbij geldt het uitgangspunt dat ze vanuit de ‘eenheid der wet’ worden uitgelegd, dat wil zeggen dat ze worden uitgelegd vanuit de rechtsorde als geheel waarin elke wetsbepaling steeds in verband met andere moet worden begrepen. Het is bijvoorbeeld minder wenselijk wanneer uitingen en gedragingen in het strafrecht als religieus worden gekwalificeerd terwijl de religieuze aard van dergelijke uitingen en gedragingen in het bestuursrecht wordt ontkend.
Naast bovengenoemde algemene uitgangspunten ten aanzien van de juridische systematiek van het positieve recht geldt dat het begrip van godsdienst wordt bepaald door de ‘grondrechtensystematiek’. Deze systematiek bestaat uit vijf aspecten. Ten eerste de afbakening van de reikwijdte van het rechtsobject van het grondrecht van de godsdienstvrijheid,2 ten tweede de interpretatie en toepassing van de beperkingsclausule van de godsdienstvrijheid, ten derde de horizontale werking van en botsing tussen grondrechten, ten vierde de samenloop van de godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM) met het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM) en ten vijfde de organisatorische of inrichtings-dimensie van de godsdienstvrijheid.3
Bij het tweede aspect, de interpretatie van de beperkingsclausule van het rechtsobject speelt het begrip van godsdienst geen rol. De vraag hoe het begrip godsdienst moet worden uitgelegd is bij het opleggen van in de wet opgenomen beperkingen niet aan de orde omdat die vraag hieraan vooraf gaat. Anders gezegd, de toepassing van het grondrecht is een tweetrapsraket: eerst komt de vraag aan de orde of het rechtsobject religieus van aard is en pas wanneer dit vaststaat kan de beperkingsclausule worden toegepast. Voor het derde aspect, de horizontale werking van en botsing tussen grondrechten, geldt dat het begrip van godsdienst niet verschilt met dat naar aanleiding van de verticale werking van de godsdienstvrijheid. Dit betekent dat er drie aspecten zijn van de grondrechtensystematiek die invloed kunnen hebben op het begrip godsdienst. Ten eerste de reikwijdte van het grondrechtsobject, ten tweede de samenloop van de godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM) met het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM) en ten derde de organisatorische of inrichtings-dimensie van de godsdienstvrijheid. Het eerste aspect bespreek ik in paragraaf 2, het tweede in paragraaf 3 en het derde in paragraaf 4.
Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er ook rechten zijn met een religieus object die hun bestaansgrond niet vinden in het grondrecht van de godsdienstvrijheid. In beginsel zou de uitleg van het religieuze object van deze rechten ook invloed kunnen hebben op het (algemene) begrip van godsdienst. We moeten dan denken aan rechten die hun oorsprong vinden in de historische verstrengeling van kerk en staat. Sinds halverwege de 19e eeuw, toen de scheiding tussen kerk en staat haar intrede deed, is er een proces van ontvlechting aan de gang waarbij enerzijds de kerk haar bevoorrechte positie verloor en anderzijds de overheidsbemoeienis van de kerk werd teruggesnoeid. Mogelijk zijn er nog enkele restanten van de ooit zo sterke verwevenheid van de staat met de kerk. Welke rechten dit precies zijn vergt nader onderzoek.4 Het ligt in de rede dat de wetgever of rechter vanwege het ideaal van rechtseenheid de reikwijdte van het rechtsobject van deze rechten zoveel mogelijk zal uitleggen aan de hand van andere rechten met een religieus object die wel hun oorsprong vinden in het grondrecht van de godsdienstvrijheid (artikel 6 Grondwet of artikel 9 EVRM).