De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.1:6.1 Inleiding
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393596:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ongeval in het internationale wegverkeer is pas geheel afgewikkeld nadat de partij die de schade in eerste instantie met de benadeelde heeft geregeld de betaalde schade of door hem gemaakte kosten heeft kunnen verhalen op de partij in het andere betrokken land die de schade heeft te dragen. Dit verhaal is essentieel voor zowel het functioneren van het groenekaartstelsel als van de effectieve bescherming van het bezoekende slachtoffer. Zonder de mogelijkheid van de regelende partij om regres te nemen op de uiteindelijk draagplichtige partij kan de regelende partij de aansprakelijkheden op grond van eigen en internationale regelgeving niet dragen. De Richtlijn erkent dat, blijkens de bepaling van art. 24 lid 3, met zoveel woorden bij het regres van de schadevergoedingsorganen:
"Het in dit artikel bepaalde treedt in werking
a) nadat er een overeenkomst is gesloten tussen de door de lidstaten opgerichte of erkende schadevergoedingsorganen betreffende hun taken en verplichtingen en de wijze van terugbetaling;
b) (...)."
Ook in art. 25 wordt het regresrecht erkend, doordat de Richtlijn bepaalt dat het schadevergoedingsorgaan dat een schade met de benadeelde heeft geregeld omdat de aansprakelijke onbekend, dan wel niet verzekerd is, een regresrecht heeft op het waarborgfonds van hetzij de lidstaat van het ongeval dan wel van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald.
In het kader van een groenekaartschade, waarop art. 2 ziet, voorziet de Richtlijn ook in een door de Bureaus te sluiten overeenkomst, waarvan de inwerkingtreding van de art. 4, 6, 7 en 8 afhankelijk is. Daar ontbreekt weliswaar een bepaling dat de Bureaus op elkaar regres moeten kunnen nemen, maar dat de Europese wetgever ervan uitgaat dat dergelijk verhaal genomen moet kunnen worden staat buiten kijf. Te bedenken valt dat met de 1e Richtlijn is voortgebouwd op het groenekaartstelsel dat al sinds 1953 in werking is en waarvan de regresaspecten een essentieel onderdeel zijn.
Bij de regresverhoudingen gaat het niet alleen om het verhaal dat het 'regelend' Bureau kan uitoefenen op het garanderend Bureau, of het regelend schadevergoedingsorgaan op het schadevergoedingsorgaan of waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval, of de vestiging van de dekking gevende verzekeraar of van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald. Het verhaal van de benoemde correspondent (in het kader van het groenekaartstelsel) of van de schaderegelaar op zijn lastgever, de verzekeraar (in het kader van de bescherming van bezoekende slachtoffers) is in de praktijk minstens zo belangrijk, al is het alleen maar omdat dit regres de normale situatie betreft.
De nationale wetgeving, die is gebaseerd op de Richtlijn, geeft expliciet of impliciet een rechtsgrondslag voor het verhaal na afwikkeling van het schadegeval met de benadeelde of zijn rechtverkrijgenden. Dit verhaal wordt door de betrokken partijen Bureaus, waarborgfondsen en schadevergoedingsorganen - uitgewerkt in overeenkomsten. Het doel van deze overeenkomsten is de modaliteiten van het regres in detail uit te werken. De onderwerpen die in de overeenkomsten worden geregeld zijn de inhoudelijke aanspraken, de procedures die dienen te worden gevolgd en de gevolgen als deze regels niet worden nageleefd, waarbij het met name gaat om de in die situatie te volgen procedure en de sancties op vertragingen in de restitutie.
De overeenkomsten tussen de Bureaus hebben daarbij als voorbeeld gediend voor die tussen de schadevergoedingsorganen onderling en tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen. Er bestaan echter verschillen tussen deze twee vormen van overeenkomsten. Deze verschillen vloeien vooral voort uit verschillen tussen de positie van de Bureaus en die van de '4e Richtlijnorganen'. Zij dienen daarom afzonderlijk te worden besproken.
Naast deze - in de praktijk belangrijkste - algemene overeenkomsten, bestaan er ook bijzondere overeenkomsten die betrekking hebben op situaties waarin een verzekeraar in staat van insolventie verkeert. Zo is er een overeenkomst in het kader van het groenekaartstelsel die ziet op de situatie waarin een verzekeraar, gevestigd in een lidstaat, in dienstverrichting werkzaam is in een andere lidstaat en waarbij een Bureau ten laste van die verzekeraar een schade heeft geregeld, waarna de verzekeraar insolvent geraakt. Deze overeenkomst verschaft het Bureau van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald een verhaalsrecht op het Bureau van de lidstaat van vestiging van de insolvente verzekeraar.
Ook in het kader van de 4e Richtlijn zijn dergelijke overeenkomsten gesloten door de waarborgfondsen en de schadevergoedingsorganen. Zij regelen de gevolgen als een verzekeraar die heeft op te komen voor een bezoekend slachtoffer insolvent wordt en het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde de benadeelde heeft moeten schadeloos stellen.
In de navolgende paragrafen worden eerst de overeenkomsten gesloten door de Bureaus onderzocht (par. 6.2) en vervolgens in paragraaf 63 die tussen de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen. In paragraaf 6.4 zal enige aandacht worden besteed aan samenloopsituaties die zich kunnen voordoen als een ongeval zowel onder het groenekaartstelsel kan worden afgewikkeld als onder de 4e Richtlijn. In paragraaf 6.5 wordt het verhaalsrecht van de Bureaus en de waarborgfondsen op de onverzekerde aansprakelijke aangestipt. In paragraaf 6.6 trek ik enige conclusies.