Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/5.3.3.1
5.3.3.1 De grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen
mr. T.F. Walree, mr. P.T.J. Wolters, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree, mr. P.T.J. Wolters
- JCDI
JCDI:ADS267342:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk HvJ EU 14 maart 2013, C-420/11, ECLI:EU:C:2013:166 (Jutta Leth/Oostenrijk), punt 36, 44 en 48.
Zie bijvoorbeeld: Voigt & Von dem Bussche 2017, p. 216; Dickmann 2018, p. 345-355; Lloyd-Jones & Carey 2018, p. 152; Laue & Kremer 2019, p. 370-371. Vergelijk ook Neun & Lubitzsch 2017, p. 2568.
Zie bijvoorbeeld Neun & Lubitzsch 2017, p. 2568; Dickmann 2018, p. 346; Rubí Puig 2018, p. 59-61; Köhler 2019, UWG § 3a, Rn. 1.40e en 1.74b; Laue & Kremer 2019, p. 370-371; Quaas 2019, Rn. 37. Verschillende auteurs stellen dat rechtspersonen wel een recht op schadevergoeding kunnen hebben. Jay 2017, p. 294; Truli 2018, p. 309-310.
Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEG 1985, L 175/40).
HvJ EU 14 maart 2013, C-420/11, ECLI:EU:C:2013:166, punt 36 (Jutta Leth/Oostenrijk) (in de context van lidstaataansprakelijkheid).
Het Hof van Justitie stelt in Jutta Leth dat ‘bepaalde concurrentienadelen’ geen rechtstreeks gevolg zijn van de schending van Richtlijn 85/337. Het stelt niet dat een vergoeding van de schade van concurrenten categorisch is uitgesloten. Di Bella 2014, p. 157. Zie ook paragraaf 3.3.3.
HvJ EG 12 oktober 2004, C-222/02, ECLI:EU:C:2004:606 (Peter Paul).
R.J.G.M. Widdershoven, ‘Annotatie bij HvJ EG 24 maart 2009, C-445/06, ECLI:EU:C:2009:178 (Danske Slagterier/Bondsrepubliek Duitsland)’, AB 2009/229, punt 3; Van Praag 2014, p. 216-218; Meijer 2018, p. 127; R.J.G.M. Widdershoven, ‘Annotatie bij HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1973’, AB 2019/119, punt 3. Zie in andere zin Tans 2019, p. 345.
HvJ EG 12 oktober 2004, C-222/02, ECLI:EU:C:2004:606, punt 37, 42 en 43 (Peter Paul); art. 7 lid 6 en de voorlaatste overweging van Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG 1994, L 135/5).
De verordening is in de eerste plaats gericht op de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen.1 De AVG is niet gericht op de bescherming van financiële belangen van rechtspersonen. Deze ‘beschermingsdoelstelling’ pleit tegen toekenning van een recht op schadevergoeding aan de concurrent.2 Verschillende auteurs stellen dan ook dat het recht op schadevergoeding weliswaar niet is beperkt tot de betrokkene en dat ook andere natuurlijke personen hier een beroep op kunnen doen,3 maar dat rechtspersonen zoals een concurrent dat niet kunnen.4
Het arrest Jutta Leth ondersteunt deze interpretatie. Het Hof van Justitie oordeelde dat de beschermingsdoelstelling van de geschonden norm zich uitstrekte tot de voorkoming van vermogensschade die een ‘rechtstreeks economisch gevolg’ is van de in de richtlijn5 bedoelde milieueffecten. ‘Bepaalde concurrentienadelen’ waren volgens het Hof geen rechtstreeks gevolg.6 Ervan uitgaande dat de beschermingsdoelstelling van de AVG beperkt is tot fundamentele rechten van de betrokkene,7 leidt een vergelijkbare redenering tot het standpunt dat het nadeel van de concurrent geen ‘rechtstreeks economisch gevolg’ is. Het nadeel is weliswaar veroorzaakt door de schending van de verordening, maar is geen gevolg van de aantasting van het fundamentele recht van de betrokkene en komt daarom niet op grond van art. 82 lid 1 AVG voor vergoeding in aanmerking.
Overigens zou ook de conclusie dat de financiële belangen van concurrenten wel onder de beschermingsdoelstelling van de AVG vallen, niet automatisch tot de conclusie leiden dat zij kunnen een beroep kunnen doen op art. 82 lid 1 AVG. In Peter Paul oordeelde het Hof van Justitie dat de richtlijnen op het gebied van financieel toezicht onder andere strekken tot bescherming van deposanten. Deze beschermingsdoelstelling brengt echter niet mee dat deposanten de toezichthouders aansprakelijk moeten kunnen stellen op grond van gebrekkig toezicht.8 Dit arrest vormt echter een uitzondering.9 Dit hangt samen met het feit dat de door de richtlijnen beoogde harmonisatie beperkt blijft tot hetgeen wezenlijk, noodzakelijk en voldoende is voor het bereiken van haar doelstellingen. Zolang de deposanten een vordering tegen het depositogarantiestelsel kunnen doen gelden, is de coördinatie van de aansprakelijkheid van toezichthouders voor het bereiken van deze doelstellingen niet noodzakelijk.10