Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.5.2.1
5.2.1 Het doel en de wettelijke basis van de uitsluitingsclausule
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948233:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 223. Vgl. voorts Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/289; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 126 e.v.; Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/47; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 138 e.v. en Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 61 e.v.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 879, nr. 6, p. 15.
Zie paragraaf 4.5 van hoofdstuk 8.
Zie paragraaf 2 hiervóór.
355. Met een uitsluitingsclausule voorkomt de erflater of gever dat wat wordt nagelaten of gegeven op grond van het huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk wordt tussen de erfgenaam, legataris, lastbevoordeelde of begiftigde en diens echtgenoot of geregistreerd partner. Het bijzondere van de uitsluitingsclausule is dat derden hiermee invloed kunnen uitoefenen op de omvang van de huwelijksgemeenschap.1 De uitsluitingsclausule is thans opgenomen in artikel 1:94 lid 4 BW. Dat artikel luidt:
“Goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen.”
Omdat in het stelsel van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen erfrechtelijke verkrijgingen en giften niet langer in de huwelijksgemeenschap vallen, lijkt het bepaalde in artikel 1:94 lid 4 BW overbodig. Dat is echter niet het geval. Ten eerste heeft de wetgever met de redactie van artikel 1:94 lid 4 BW een aantal duidelijke handvatten gegeven met betrekking tot de werking en reikwijdte van de uitsluitingsclausule. Die handvatten gelden óók voor de werking van een uitsluitingsclausule bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. In de parlementaire geschiedenis is daarover vermeld (onderstreping TS):2
“In het vierde lid is opgenomen dat de testeervrijheid op het punt van de uitsluitingsclausule voor de contractsvrijheid van echtgenoten gaat. Dit artikellid brengt geen wijziging in het geldend recht en kan daarom van toepassing zijn op zowel bestaande als nieuwe uitsluitingsclausules. Met dit wetsvoorstel wordt niet afgeweken van de jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 21 november 1980, NJ 1981/193 m. nt. E.A.A. Luijten (de uitsluitingsclausule dwingt). Zie ook artikel 134 voor de uitsluitingsclausule in combinatie met een verrekenbeding.”
Bovendien is een uitsluitingsclausule óók in het systeem van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen nog van groot belang wanneer het een gemeenschappelijke verkrijgingkrachtens erfrechtelijke titel of gift betreft, en de erflater of gever zeker wil stellen dat de door hem nagelaten of gegeven goederen ook ná de verdeling door de erfgenamen of begunstigden zonder meer buiten de beperkte huwelijksgemeenschap blijven. In hoofdstuk 8 zal daar nog op terug worden gekomen.3
356. Voor de algehelewettelijke gemeenschap van goederen is, vanwege het overgangsrecht bij de Wet beperking gemeenschap van goederen, de wettelijke grondslag voor de uitsluitingsclausule nog steeds in artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW gelegen.4 Artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW bepaalt dat van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd: “goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen”. Zoals hiervóór reeds aangegeven, dient de reikwijdte van de uitsluitingsclausule voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen (mede) te worden gebaseerd op hetgeen daarover uit de tekst en parlementaire toelichting van het huidige artikel 1:94 lid 4 BW kan worden afgeleid. Dat betreft dan met name de dwingende werking van de uitsluitingsclausule, en de vraag of de uitsluitingsclausule zich óók uitstrekt over de vruchten van hetgeen krachtens erfrecht of gift is verkregen. De tekst van 1:94 lid 4 BW geeft daar duidelijkheid over, waar artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW dit in het midden liet. Op deze onderdelen zal in de paragrafen hierna nog terug worden gekomen.