Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.1.1
4.1.1 Jaren ‘80: nationale invulling van verdragsrechtelijk redelijke termijnvereiste
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS614267:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 september 1980, NJ 1981/116 m.nt. Mulder (Redelijke termijn I). Van Veen noemde dit het ‘standaardarrest’ in zijn noot onder HR 19 februari 1985, NJ 1985/581(Redelijke termijn II).
In par. 2.9.3 is dit aangehaald als voorbeeld van een ‘exclusionary reason’.
Maar daaromtrent was in die zaak niets vastgesteld of aangevoerd.
HR 18 november 1980, NJ 1981/118 m.nt. Van Veen.
Zo overwoog Van Veen in zijn noot bij dit arrest. Ook AG Leijten wijst er in zijn conclusie bij HR 16 september 1985, NJ 1986/250 op dat nogal eens een ‘twee-jaren grens’ wordt aangehouden. Zie ook AG Meijers in zijn conclusie bij HR 14 januari 1986, NJ 1986/755.
En dus van een tot niet-ontvankelijkheid leidende verdragsschending.
Zie bijv. HR 29 januari 1985, NJ 1985/690 waarin het hof strafvermindering toepaste in verband met de onwenselijk lange berechtingsduur en zijn oordeel volgens de HR geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepasselijke verdragsbepalingen en ook niet onbegrijpelijk was.
Een voorbeeld van de wijze waarop de feitenrechter deze ruimte benutte, biedt HR 4 december 1984, NJ 1985/357. De verdachte in die zaak was ter zake van drie gevallen van doodslag op twee verschillende data veroordeeld tot 19 jaar gevangenisstraf. Tussen de inverzekeringstelling en het vonnis in eerste aanleg waren in de ene zaak ruim vijf jaren en acht maanden en in de andere zaak bijna drie jaren verstreken. Het hof verwierp het redelijke termijn-verweer, kort gezegd, vanwege de ingewikkeldheid van de zaak en het daarin noodzakelijke onderzoek. Er was volgens het hof wel sprake van ‘onwenselijk’ lang tijdsverloop, maar niet van een schending van de redelijke termijn. AG Leijten wees erop dat voor de samenleving ‘wel heel moeilijk – zo al – te accepteren zou zijn’ dat de verdachte ondanks de bewezenverklaarde doodslagen geheel vrijuit zou gaan en zag in de ingewikkeldheid van de zaak een opening om aan niet-ontvankelijkverklaring te kunnen ontkomen. De HR verwierp het cassatieberoep. Op de ingekomen schriftuur werd geen acht geslagen, omdat deze niet was ingediend door een advocaat die verklaarde daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd en ambtshalve oordeelde de HR geen grond voor cassatie aanwezig.
Zie HR 14 januari 1986, NJ 1986/755; HR 11 maart 1986, NJ 1986/704; HR 18 maart 1986, NJ 1987/65 en HR 31 maart 1987, NJ 1987/706.
Het eerste standaardarrest over het recht op berechting binnen een redelijke termijn is van 1980.1 Daarin werd overwogen dat de aan art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR te ontlenen garantie van een berechting ‘within a reasonable time’ onderscheidenlijk ‘without undue delay’ ertoe strekt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven. De Hoge Raad oordeelde dat dit recht ook geldt voor de berechting in hoger beroep en dat het steeds grotere aantal strafzaken, gepaard met een nagenoeg permanent personeelstekort, op zichzelf geen rechtvaardiging opleveren voor zulke vertraging.2 Over het rechtsgevolg van schending van dit recht was de Hoge Raad kort en duidelijk: de vervolging moest in dat geval geacht worden zozeer in strijd te zijn met fundamentele beginselen van een goede procesorde dat het recht tot (verdere) vervolging aan het OM komt te ontvallen. In de beoordeelde zaak werd het tijdsverloop van iets meer dan twee jaren tussen het instellen en de behandeling van het hoger beroep ‘langer dan in het algemeen wenselijk’ geoordeeld, maar niet ‘onredelijk lang’. Van een schending was dus geen sprake. Bijzondere omstandigheden zouden volgens de Hoge Raad tot een ander oordeel hebben kunnen leiden.3
Tot de keuze voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM als rechtsgevolg dwong noch de tekst van de verdragsbepalingen noch de rechtspraak van het EHRM die de verdragslanden immers de ruimte liet een passende reactie te kiezen. Toch hield de Hoge Raad hieraan aanvankelijk vast. Ook toen er in een door het OM ingesteld cassatieberoep nog eens expliciet op werd gewezen dat in plaats van niet-ontvankelijkverklaring ook strafvermindering zou kunnen worden toegepast.4 In haar conclusie bij deze zaak vond de AG Biegman-Hartogh de toepassing van niet-ontvankelijkheid voor de hand liggend. Op het overschrijden van in de wet geregelde termijnen staat de ‘sanctie’ van niet-ontvankelijkheid. De AG overwoog niet in te zien waarom dit anders zou moeten zijn bij een minder exact omschreven in een verdrag neergelegde termijn.
Het beoordelingskader dat sinds dit eerste standaardarrest bestond, hield in dat een tijdsverloop vanaf ongeveer twee jaren per instantie ‘onwenselijk’ was,5 wat gevolgen kon hebben voor de strafmaat. Vanaf een dergelijk tijdsverloop kon ook sprake zijn van een ‘onredelijke’ termijn,6 maar dan moest sprake zijn van bijzondere omstandigheden.7 Op deze wijze kon de toepassing van niet-ontvankelijkheid in concrete gevallen in evenwicht worden gebracht met de ernst van de inbreuk. Daarvoor was wel een interpretatie van de desbetreffende verdragsrechten vereist, waarin zij niet snel geschonden werden geacht.8 Aan wat ambtshalve van de rechter werd verwacht, stelde de Hoge Raad geen bijzonder hoge eisen. De feitenrechter hoefde pas blijk te geven de ontvankelijkheid van het OM te hebben onderzocht als daarvoor uit de stukken ‘een ernstig vermoeden van enig specifiek belang van de verdachte is af te leiden’.9