Aandeelhoudersverantwoordelijkheid
Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.1:10.1 Inleiding
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.1
10.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS301392:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De belangen van alle belanghebbenden zullen bovendien indirect via het vennootschappelijk belang een rol spelen.
Assink 2009, p. 110.
Zie in dit verband: hoofdstuk 8, paragraaf 8.8.
Zie in dit verband: hoofdstuk 3, paragraaf 3.13.6.
Deze omstandigheden kunnen zich ook in een combinatie voordoen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 6 is aan de orde gekomen dat de aandeelhouder in beginsel zijn eigen belang mag behartigen, maar dat deze vrijheid (de aandeelhoudersautonomie) wordt beperkt door bepaalde gedragsnormen, in het bijzonder de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en misbruik van bevoegdheid van artikel 3:13 BW. In hoeverre deze gedragsnormen het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie beperken, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er zijn omstandigheden waarin van de aandeelhouder wordt verwacht dat hij in verdergaande mate rekening houdt met het vennootschappelijk belang en met de belangen van belanghebbenden binnen de vennootschap waarmee hij een bijzondere relatie heeft, hetgeen – zoals hieronder zal blijken – in de regel een medeaandeelhouder zal zijn.1 Het kan zelfs zover gaan dat de aandeelhouder zich in een quasi-fiduciaire positie bevindt, waarbij de aandeelhouder zich enkel op het vennootschappelijk belang mag richten.2 Dit betekent dat de aandeelhouder in dat geval niet de vrijheid toekomt om zijn eigen belang te behartigen.
Bij de algemene vergadering van aandeelhouders ligt dit anders. Zij moet het vennootschappelijk belang behartigen. Hierbij speelt geen vergelijkbare beperkende norm, omdat het vennootschappelijk belang mijns inziens niet wordt beperkt door (andere) gedragsnormen.3 Desalniettemin zijn de omstandigheden waarin de vennootschap en de aandeelhouders binnen die vennootschap zich bevinden wel relevant. Deze omstandigheden hebben invloed op de wijze waarop het vennootschappelijk belang binnen die vennootschap en bij het specifieke besluit moet worden vormgegeven. Deze mogelijkheid bestaat, omdat, hoewel de holistische leer wordt voorgestaan, het vennootschappelijk belang een flexibel begrip is dat indirect wordt ingekleurd door de belangen van de belanghebbenden die betrokken zijn bij de (rechts)handeling (in de regel, in ieder geval bij de algemene vergadering van aandeelhouders, het te nemen besluit) van het relevante orgaan.4
In hoofdstuk 8 is onder meer aan de orde gekomen hoe de constatering dat de algemene vergadering van aandeelhouders het vennootschappelijk belang moet behartigen, zich verhoudt tot de individuele aandeelhouder die in beginsel zijn eigen belang mag behartigen. Daarbij is opgemerkt dat de aandeelhouder als lid van de algemene vergadering van aandeelhouders in zekere zin een metamorfose ondergaat en als zodanig eigenlijk niet meer zijn eigen belang kan behartigen, maar zich zou horen te richten op het vennootschappelijk belang. Wil een belanghebbende dit echter afdwingen, dan zal die belanghebbende zich dienen te richten op de algemene vergadering van aandeelhouders en niet op de individuele aandeelhouder, want de laatstgenoemde mag immers in beginsel zijn eigen belang behartigen.
Dit kan echter onder omstandigheden anders liggen, omdat de aandeelhouder als gevolg van die omstandigheden in verdergaande mate een verantwoordelijkheid heeft om het vennootschappelijk belang te behartigen. De aandeelhouder komt dan dichter bij de algemene vergadering van aandeelhouders te staan, waardoor hij zich minder achter zijn individuele positie als aandeelhouder kan verschuilen. In bijzondere gevalen heeft de aandeelhouder (ook) een verdergaande verantwoordelijkheid ten opzichte van een belanghebbende tot wie hij in een bijzondere relatie staat. Ook wanneer een belanghebbende niet wil of kan afdwingen dat een aandeelhouder binnen de algemene vergadering van aandeelhouders het vennootschappelijk belang behartigt, maar die aandeelhouder achteraf wel aansprakelijk wenst te stellen voor zijn gedragingen, kunnen omstandigheden die leiden tot een verhoogde verantwoordelijkheid van de aandeelhouder invloed hebben op het antwoord op de vraag of de aandeelhouder aansprakelijk is.
Hoewel de aandeelhouder zich dus eigenlijk zou behoren te richten op het vennootschappelijk belang wanneer hij onderdeel uitmaakt (lid is) van de algemene vergadering van aandeelhouders en beperkingen op het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie daarbij geen rol moeten spelen, heeft het feit dat hij onderdeel uitmaakt van de algemene vergadering van aandeelhouders wel gevolgen voor de mogelijkheid van een belanghebbende om te ageren tegen de aandeelhouder die binnen de algemene vergadering van aandeelhouders het vennootschappelijk belang niet behartigt.
Bovendien hebben de omstandigheden die het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie beperken in ieder geval direct invloed op de rechtmatige gedragingen van de aandeelhouder buiten de algemene vergadering van aandeelhouders, want daar geldt het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie en kent de aandeelhouder geen beperking als gevolg van een metamorfose.
De vraag is vervolgens welke omstandigheden op welke manier (i) invloed hebben op de inhoud van het eigen belang, (ii) het uitgangspunt dat de individuele aandeelhouder zijn eigen belang mag behartigen beperken en (iii) de inkleuring van de inhoud van het door de algemene vergadering van aandeelhouders te behartigen vennootschappelijk belang beïnvloeden. Het is niet mogelijk een volledig overzicht te verschaffen van alle omstandigheden die hier invloed op hebben. Het is echter wel mogelijk om op grond van de jurisprudentie, parlementaire geschiedenis en literatuur in meer algemene zin categorieën van omstandigheden te formuleren en toe te lichten.
Door mij zijn zes categorieën van omstandigheden geïdentificeerd, namelijk: (i) een substantieel aandelenbelang, (ii) de macht/invloed van de aandeelhouder, (iii) de achtergrond van de aandeelhouder, (iv) het karakter van de vennootschap, (v) de situatie van de vennootschap en (vi) de aard van de gehanteerde bevoegdheid en het te nemen besluit.5
Bij iedere categorie omstandigheden zal, nadat de omstandigheid is beschreven, worden aangegeven op welke wijze deze invloed heeft op (i) de inhoud van het eigen belang van de aandeelhouder, in het bijzonder wanneer dit afwijkt van het ‘uitgangspunt’ dat een aandeelhouder belang heeft bij waardevermeerdering van zijn aandeel en/of (winst)uitkeringen, (ii) de beperking van het uitgangspunt van aandeelhoudersautonomie en (iii) op de inhoud van het door de algemene vergadering van aandeelhouders te behartigen vennootschappelijk belang. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet alle categorieën van omstandigheden invloed hebben op alle drie deze onderdelen.