Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.2.3
4.2.3 Tussenconclusie
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687248:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1949/50, 1730, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 3. Zo ook P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 25.
Kamerstukken II 2013/14, 33847, nr. 7, p. 12: ‘Deze maatregelen vinden hun rechtvaardiging in de overheidstaak om een bescherming en stimulering te bieden voor de oudedagsvoorziening van werknemers’. Zo ook Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 32043, nr. 221, p. 1.
Vergelijk: R.H. Maatman, ‘Pensioenuitvoering 2015’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 33.
Opvallend is hoe vergelijkbaar de voorwaarden die nu in de praktijk worden gesteld aan bijvoorbeeld variabele beloning bij uitdiensttreding, vroeger dagelijkse praktijk waren als het ging om pensioen. Toch zijn vervalbedingen nu voor pensioen verboden en bij andere arbeidsvoorwaarden niet, een onderscheid dat historisch gestaag is gegroeid. Het is een gevolg van het feit dat de wetgever nu eenmaal grote waarde toekent aan pensioenregelingen als aanvullende inkomensvoorziening na pensionering en het voorkomen van niet nagekomen verwachtingen hieromtrent. Die gedachte is te vinden bij de totstandkoming van de PSW en de Pw,1 evenals in recentere tijden.2 Hier stelt de wetgever zich dus bij uitstek paternalistisch op.3