Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.4.5:1.4.5 De vergelijking met andere EU-landen
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.4.5
1.4.5 De vergelijking met andere EU-landen
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304313:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover zeer uitgebreid Astrid van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss.), Sdu Fiscale en Financiële Uitgevers, Amersfoort, 2007.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat ik deze vragen heb besproken wil ik ten slotte onderzoeken hoe het recht op aftrek van voorbelasting in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk in de btw-wetgeving is vastgelegd en wat de stand van zaken is in die landen met betrekking tot het aftrekrecht in de verschillende in hoofdstuk 5 besproken situaties.
Alle EU-lidstaten hebben steeds de verschillende Europese btw-richtlijnen moeten omzetten in nationale wetgeving. Alle lidstaten (te beginnen met de zes lidstaten in 1968, tot de 27 huidige lidstaten) kennen min of meer dezelfde btw-wetgeving omdat zij op dezelfde EU-richtlijnen is gebaseerd. Daarmee is niet gezegd dat in alle lidstaten de btw op precies dezelfde manier wordt toegepast. Dat is zeker (nog) niet het geval. Op de eerste plaats omdat verschillende overgangsbepalingen de lidstaten ruimte geven om bestaande, nationale, van de richtlijnbepalingen afwijkende regels in stand te laten. Verder kent de btw-richtlijn vele zogenoemde ‘kan-bepalingen’. De lidstaten hebben dan de keuze om een regeling in nationale wetgeving om te zetten (zij ‘kunnen’ in de plaats van ‘moeten’). Verder worden dezelfde regels in verschillende lidstaten verschillend geïnterpreteerd, niet alleen door de belastingautoriteiten maar ook door rechters. Het Hof van Justitie EU speelt weliswaar een zeer belangrijke rol bij het bereiken van een steeds meer uniforme en geharmoniseerde uitleg van de verschillende richtlijnbepalingen, maar er is nog een lange weg te gaan totdat interpretatieverschillen eerder uitzondering dan regel zullen zijn.1
Dit laat echter onverlet dat lidstaten, respectievelijk alle bij de btw betrokken partijen – wetgever, Belastingdienst, rechters en ondernemers – er goed aan doen om kennis te nemen van elkaars standpunten en interpretaties. Men kan altijd van elkaar leren en bovendien hebben alle partijen er belang bij, naar ik mag aannemen, om het aantal verschillen zoveel mogelijk te beperken. Verschillende uitleg van dezelfde regelgeving kan leiden tot concurrentieverstoring, situaties van geen heffing of dubbele heffing, kortom, tot verstoring van de neutraliteit.
Om een beter inzicht te krijgen in wat de gevolgen van de wijziging van art. 15 wet voor de Nederlandse btw-praktijk zouden kunnen zijn, wil ik in het kader van dit onderzoek aandacht besteden aan de wijze waarop art. 168 btw-richtlijn in de nationale btw-wetgevingen van het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk is geïmplementeerd en aan de uitleg van de nationale regelgeving door de rechters in deze landen. Het gaat om drie landen die in afwijking van Nederland altijd een richtlijnconform aftreksysteem hebben gehad. Daarnaast hebben deze landen, in meer of mindere mate, een goed ontwikkeld rechtssysteem, een efficiënt functionerende Belastingdienst, een laagdrempelige toegang tot de belastingrechter en rechters die ‘EU-minded’ zijn. Het is niet uitgesloten, zelfs te verwachten, dat in deze landen al problemen zijn opgelost waarvan we ons in Nederland zelfs het bestaan nog niet gerealiseerd hebben. Het zou onverstandig zijn om in Nederland het wiel weer opnieuw uit te willen vinden.