Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/8.3
8.3 Lex certa en een toereikende wettelijke grondslag voor normstelling
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verheij, 'A.M. Donner als oerbron van de Awb', in: Oude Meesters. Grondleggers van bestuursrecht en hun rol in het huidige recht (2009), p. 28.
1-11( 31 oktober 2000, NJ 2001/14 (Krulsla). Zie ook EHRM 15 november 1996, no. 17862/91 (Cantone), par. 35.
BR 18 januari 2005, NJ 2006/11, par. 3.4.
CBb 20 december 2007, AB 2008/56 en 26 augustus 2008, AB 2009/125. Het College overwoog voorts: 'Hoewel met betrekking tot de voor te koop aanbieden van tabaksproducten noodzakelijke presentatie van de verpakkingen niet geheel valt uit te sluiten dat enig onderscheid naar categorie van tabaksverkooppunt kan worden gemaakt — zo heeft de wetgever in de Nota van Wijziging ten aanzien van de presentatie op tabaksautomaten verduidelijkt wat in dat geval onder reguliere presentatie moet worden begrepen — vermag het College niet in te zien dat het te koop aanbieden van pakjes sigaretten vanuit een stand op een evenement zich in zo relevante mate onderscheidt van hetgeen in de meeste tabaksverkooppunten gebruikelijk is, dat daarvoor een andere vorm van presentatie van de verpakkingen van tabaksproducten onvermijdelijk is.'
In een strafzaak waarin de feitenrechter blijkbaar was uitgegaan van een beperkt werkgeversbegrip, werd de voorzitter van drie stichtingen die een bordeel runden aangemerkt als medepleger van het zonder vergunning tewerkstellen van vreemdelingen. De Hoge Raad overwoog dat een kwaliteitsdelict ook kan worden medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit (die van werkgever) mist. Zie HR 28 februari 2006, NbSr 2006/116.
ABRvS 11 juli 2007, AB 2007/294.
ABRvS 17 maart 2010, AB 2010/183.
ABRvS 17 maart 2010, AB 2010/182, par. 2.3.1. Zie ook eerder ABRvS 3 juni 2009, AB 2010/181. Overigens moest ook de Staat het mede aan de hand van deze overweging ontgelden toen zij de Wav overtrad bij de uitvoering van wegwerkzaamheden. Zie ABRvS 12 mei 2010, AB 2010/185.
HR 28 maart 2006, Gst. 2006/118. De Hoge Raad laat hier in het midden wanneer sprake is van zonder daartoe bevoegd te zijn. Een redelijke wetsuitleg brengt met zich dat daaronder wordt begrepen zonder toestemming van de eigenaar dan wel de gebruiker van het gebouw. Zie ook punt 7 van de noot van Bunschoten.
HR 5 december 2000, NJ 2001/98. Zie in gelijke zin eerder HR 28 oktober 1975, NJ 1976/120 en 1 juni 1976, NJ 1976/506. Het betrof hier naaktlopen op een strand dat niet als naaktstrand was aangewezen. A-G Jdrg stelde in zijn conclusie bij HR 5 december 2000, NJ2001/98, dat van belang is dat art. 239 Sr regelgeving betreft op het gebied van de zeden waarbij — gezien de tijdgebonden opvattingen — meer dan gemiddelde rekkelijkheid noodzakelijk is. Verder schreef hij: '13. 'Schennis van de eerbaarheid' noch 'kwetsend voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel' is te vergelijken met het verbod zich te gedragen contra bonos mores zoals het geval was in de zaak Hashman & Harrup, waarop in de toelichting van het middel een beroep wordt gedaan. Het stemt veel meer overeen met gedrag dat is 'likely to cause annoyance', dat volgens het hof voldoende 'clearly defined in law' is (EHRM 25 mei 1993, Serie A 260-B, par. 52 en 40-41 Kokkinakis v. Griekenland, instemmend aangehaald in EHRM 25 november 1999, Hahsman & Harrup v. Verenigd Koninkrijk par. 29 en 38).'
Doorenbos, 'Specialisatie en rechtsvinding in het economisch strafrecht', Trema 2010/7, p. 272-282.
HR 6 februari 2001, NJ 2001/498 (Vuurwerkbesluit), par. 4.10.
HR 6 februari 2007, NJ 2007/110 (Postmixen), par. 3.8.
ABRvS 4 maart 2009, J73 2009/99. Verheij eindigt zijn noot bij deze uitspraak met de overweging: `Overigens vind ik de uitleg van de minister persoonlijk wel aantrekkelijk: als ik in de trein van mijn werk in Den Haag naar mijn huis in Amsterdam de krant lees of een hazenslaapje doe, ga ik voortaan volhouden dat ik aan het werk ben.'
CRvB 29 juli 2008, JWWB 2008/264, par. 4.5.
Zie de noot van Nacinovic bij CRvB 29 juli 2008, JWWB 2008/264 en mijn noot bij CRvB 31 december 2007, RSV 2008/66.
Met dien verstande dat ik de term beoordelingsruimte prefereer boven de term beoordelingsvrijheid. Zie hoofdstuk 4.
CRvB 6 december 2005, RSV 2006/57. Zie in gelijke zin met betrekking tot art. 3.4 lid 4 Wet handhaving consumentenbescherming Vzr Rb Rotterdam 6 juli 2009, JOR 2009/233.
CBb 9 juli 2009, AB 2009/295 (Geijkt weegwerktuig), par. 5.2.
BR 31 oktober 2000, NJ 2001/14 (Krulsla). Zie hiervoor.
Zie onder meer Borgers, 'Het rookverbod: in rook opgegaan of uit de as herrezen?', NJB 2009/1140, p. 1494-1501 en Norenburg, 'De barman mag roken, maar de bezoeker niet. Café Victoria of Café Pyrrhus?', NJB 2009/1141, p. 1502-1507.
11R 23 februari 2010, J73 2010/114 en 23 februari 2010, NJ 2010/263.
De NR 1999 was vastgesteld door de Stichting Toezicht Effectenverkeer, de naamsvoorganger van de AFM.
CBb 28 juli 2005, JOR 2005/248 (ABN AMRO).
Rb Rotterdam 9 maart 2010, LJN BL6974 (Van Baerle Trustcompany).
Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch stafrecht (2008), p. 22. Voorbeelden zijn te vinden in HR 30 augustus 2005, NJ 2005/540 en 19 september 2006, NJ2007/39. Duidelijk anders: ABRvS 21 september 2005, LJN AU2998 en 26 oktober 2005, LJN AU4972.
Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch stafrecht (2008), p. 31-32.
Doorenbos, 'Specialisatie en rechtsvinding in het economisch strafrecht', Trema 2010/7, p. 275-277.
Illustratief is dat de noot van Mevis bij HR 23 februari 2010, NJ 2010/263 (Rookverbod) instemmend is, terwijl Teunissen in zijn noot bij HR 23 februari 2010, JB 2010/114 (Rookverbod) grote vraagtekens zet bij de benadering van de Hoge Raad: 'De Kroon is slechts bevoegd tot vaststelling van door strafsancties te handhaven voorschriften, voor zover haar die bevoegdheid uitdrukkelijk bij wet in formele zin is toegekend (art. 89 lid 4 Grondwet). Gelet op het legaliteitsbeginsel en meer in het bijzonder het lex certa-beginsel, dat besloten ligt in art. 1 Wetboek van Strafrecht, volgden de hoven mijns inziens een juiste benadering door ervan uit te gaan dat een expliciete bevoegdheidstoekenning nodig is om de Kroon bevoegd te achten tot instelling van een rookverbod voor (ook) die bedrijven. Zeker waar het gaat om door strafsanctie te handhaven voorschriften, behoort bij de uitleg van onvoldoende duidelijke competentienormen als uitgangspunt te gelden: in dubio pro libertate (in casu het eigendomsrecht en de ondememingsvrijheid van de exploitanten van cafés zonder personeel). Als niet 'beyond any reasonable doubt' is dat aan een orgaan een bepaalde (straf)regelgevende competentie is gedelegeerd, behoort rechtens te worden aangenomen dat die bevoegdheid ontbreekt. Dat de Hoge Raad éérst, ondanks de onduidelijkheid van de wettelijke bepalingen, oordeelt dat de Kroon ter zake wél bevoegd is en vervolgens overweegt dat 'de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen (...) geen duidelijke aanknopingspunten (bevat) voor een ander oordeel', is mijns inziens de omgekeerde wereld.'.
In de MvT bij de Vierde tranche is in dit verband overwogen: 'Naarmate de te handhaven norm meer aansluit bij in de maatschappij levende fundamentele waarden, komt strafrechtelijke handhaving eerder in aanmerking. In het verlengde daarvan geldt, dat naarmate meer behoefte bestaat aan openbare berechting van een normovertreding, het strafrecht eender in aanmerking komt.' (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 118).
In het fiscale recht wordt overigens wel gewerkt met verzuim- en vergrijpboetes.
Kamerstukken 11 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 125.
Zie ook Kamerstukken 11 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 77-82.
Kamerstukken 11 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 77.
Hof Den Bosch 24 maart 2010, 1,1N BL8851.
Verder naar het vereiste van lex certa ofwel het bepaaldheidsgebod. Laat ik beginnen met een citaat van wetgevingsjurist Verheij. In zijn bijdrage over A.M. Donner in de VAR-bundel Oude Meesters schrijft Verheij over de stelling van G.A. van Poelje dat in het bestuursrecht beter per deelgebied duidelijke regels kunnen worden neergelegd die voor de gewone burger begrijpelijk zijn dan te streven naar een codificatie van het bestuursrecht, het volgende:
`Dit argument berust op de oude en hardnekkige illusie dat je wetten kunt maken die burgers zelf kunnen lezen. Dat kan niet en heeft nooit gekund. Wetten zullen voor leken altijd ondoorgrondelijk zijn. Professionals moeten jargon gebruiken omdat zij preciezer moeten zijn dan de spreektaal. In de spreektaal is een beslissing hetzelfde als een besluit, maar voor ons niet. Evenzo kan een arts niet volstaan met diagnose "gebroken been". Hij moet precies aangeven welk bot waar gebroken is. Dat vergt onvermijdelijk jargon. (...) Natuurlijk moet het recht toegankelijk zijn voor burgers. Maar dat is meer een zaak van voorlichting en rechtshulp dan van wetgeving. Gezondheidszorg moet ook toegankelijk zijn, maar dat betekent nog niet dat mensen zelf moeten kunnen opereren.'1
Na deze ontnuchtering kunnen we kijken wat dan wel wordt bedoeld met het vereiste dat de norm kenbaar moet zijn. Een bekend voorbeeld vormt de casus waarin de verdachte door de economische kamer van het Hof Den Haag ter zake van het te koop aanbieden en in voorraad hebben van krulsla met een te hoog nitraat-iongehalte was ontslagen van alle rechtsvervolging. Omdat het betreffende voorschrift uit de warenwetgeving in zijn opsomming is beperkt tot de groente sla zonder enig nadere specificering, en niet duidelijk is aangegeven dat hieronder ook de qua structuur van sla sterk afwijkende (meer nerven bevattende) krulsla moet worden verstaan, was het gerechtshof van oordeel dat dit voorschrift te onbepaald is en in dit geval toepassing miste. De Hoge Raad casseerde, want van een professionele marktdeelnemer als verdachte mocht worden verlangd dat deze zich terdege zou laten informeren over de beperkingen waaraan zijn gedragingen zijn onderworpen, zodat het bepaaldheidsgebod er niet aan in de weg staat dat onder de soort sla ook subcategorieën van sla wordt verstaan.2 Een tweede voorbeeld vormt een strafrechtelijke veroordeling wegens het niet naleven van de lekdichtheidsvoorschriften voor koelinstallaties. Betoogd werd dat de betreffende strafbepaling zodanig was geredigeerd dat deze geen concrete al dan niet ruim geformuleerde gedraging strafbaar stelde, maar de strafbaarheid van de verdachte bepaalde aan de hand van het al dan niet intreden van een gevolg, terwijl niet duidelijk was welk gevolg dat precies zou zijn, omdat de termen onvoldoende lekdichtheid en zodanig beheer dat verlies van koudemiddel wordt voorkomen niet duidelijk maakten welke mate van lekverlies nog als acceptabel werd beschouwd en welk verlies de verdachte strafrechtelijk viel aan te rekenen. De Hoge Raad ging niet mee in dit betoog:
`Het in art. 1, eerste lid, Sr verankerde legaliteitsbeginsel is ook belichaamd in art. 7, eerste lid, EVRM en art. 15, eerste lid, IVBPR. De aard en inhoud van de aan de hier toepasselijke voorschriften ten grondslag liggende norm maakt enerzijds een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk, terwijl anderzijds die voorschriften voldoende concreet zijn om de betrokkene in staat te stellen zijn gedrag daarop af te stemmen. Daarbij verdient opmerking dat van professionele marktdeelnemers, zoals in het onderhavige geval, mag worden verlangd dat deze zich terdege laten informeren over de beperkingen waaraan hun gedragingen zijn onderworpen. Gelet op de door het Hof feitelijk vastgestelde lekverliezen (bewijsmiddel 2), moet het ook voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat haar gedraging een overtreding van het desbetreffende voorschrift opleverde. De toepassing van dat voorschrift is derhalve niet in strijd met het eerdergenoemde beginsel of de eerdergenoemde verdrag sbepalingen '3
Een derde voorbeeld vormt het reclameverbod in de Tabakswet. Wanneer is niet langer sprake van een reguliere presentatie van tabaksproducten? Het College van Beroep voor het bedrijfsleven was van oordeel dat de betreffende in art. 5, lid 3, onderdeel b, Tabakswet geformuleerde norm voldoende concreet duidelijk maakt welke gedragingen met betrekking tot de presentatie van tabaksproducten zijn toegestaan — en daarmee tevens welke gedragingen op grond van het eerste lid van dat artikel verboden en beboetbaar zijn — en dat deze norm degene tot wie zij is gericht voldoende in staat stelt zijn gedrag daarop af te stemmen.4 Een vierde voorbeeld vormt het werkgeversbegrip in de Wav. In art. 1, onderdeel b, Wav wordt als werkgever gedefinieerd: degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten; en de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. Art. 2 Wav voorziet in een verbod voor werkgevers om vreemdelingen arbeid te laten verrichten zonder vergunning. Wie vallen er allemaal onder het werkgeversbegrip?5 Niet alleen degene die zelf een vreemdeling inhuurt om werk te verrichten, maar ook inleners zullen zich moeten vergewissen van de identiteit van de vreemdeling. Dat is niet zo vreemd. De inlener zet immers uitzendkrachten feitelijk te werk. Dat laatste geldt niet voor degene die een schildersbedrijf inschakelt om zijn huis te schilderen. Die besteedt de werkzaamheden immers juist uit aan een derde. Indien het schildersbedrijf vervolgens vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning inzet voor het schilderwerk kan de huiseigenaar hiervoor worden beboet naast de aannemer, ook indien de huiseigenaar daar geen kennis van heeft gehad en afwezig was tijdens de werkzaamheden. In een voorkomend geval had de huiseigenaar volgens de Afdeling namelijk niet de maximaal te vergen zorg betracht ter voorkoming van de overtreding.6 Het zeer ruime werkgeversbegrip speelde ook krantenuitgevers parten bij het door het distributiebedrijf inschakelen van illegale Krantenbezorgers.7 Op die manier rust op de hele keten een vorm van risicoaansprakelijkheid. In de woorden van de Afdeling:
`Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav volgt dat het werkgeversbegrip in de Wav ruim is geformuleerd, omdat in de praktijk steeds naar wegen werd gezocht om via sluipwegen en ingewikkelde constructies het verbod vreemdelingen tewerk te stellen, en daarmee de vergunningplicht, te ontgaan. Er is gekozen voor een zodanig ruime definitie dat in feite altijd sprake is van een vergunningplicht, tenzij een van de uitzonderingen van toepassing is (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, p. 4).'8
Maar ook buiten het economische verkeer gelden vage normen. Ik noem twee voorbeelden die zien op de openbare ruimte. Is een verbodsbepaling in een APV die onder meer inhoudt dat het verboden is zonder daartoe bevoegd te zijn, op of aan de weg op een drempel of stoep van een gebouw te zitten of te liggen voldoende bepaald? De verdachte, die had gezeten op een drempel van een gebouw, meende van niet. De Hoge Raad meende van wel. De in die APV-bepaling geformuleerde norm maakte namelijk voldoende concreet duidelijk welke gedragingen op of aan de weg met betrekking tot gebouwen verboden waren en strafbaar gesteld en stelde de verdachte voldoende in staat zijn gedrag daarop af te stemmen.9 En wat te denken van de strafbaarstelling in art. 239 Sr van schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd? Het Hof Amsterdam meende dat deze verbodsbepaling was overtreden en achtte daarvoor in het bijzonder van betekenis de omstandigheid dat de verdachte zijn geslachtsdelen, die weliswaar bedekt maar ook duidelijk als zodanig herkenbaar waren, in de nabijheid en binnen het gezichtsveld van een ongeveer acht jaar oud kind toonde in de tram. Het hof Amsterdam was van oordeel dat van strijd met art. 7 EVRM in dit geval geen sprake is, zeker nu blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad art. 239 Sr, voor zover hier van belang, aldus moet worden opgevat dat schennis van de eerbaarheid zich voordoet wanneer iemand op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, willens en wetens een onder de gegeven omstandigheden voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel kwetsende handeling verricht. De Hoge Raad vond dit — begrijpelijkerwijs — een toereikende motivering.10
Doorenbos laat aan de hand van enige voorbeelden zien dat de Hoge Raad in het economisch strafrecht doet aan rekkelijke rechtsvinding.11 Ik noem er hier twee, namelijk de arresten inzake het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen en de postmixdrankj es. In de eerste zaak lag de vraag voor wat onder vuurwerk dat niet bestemd is voor de particuliere gebruiker in de zin van het Vuurwerkbesluit moest worden verstaan. In die zaak had de verdachte groot of professioneel vuurwerk verkocht aan particulieren. Naar object was het vuurwerk niet bestemd voor particulier gebruik, maar de verdachte had er wel die subjectieve bestemming aan gegeven. Indien er uitsluitend op zou worden gelet of het vuurwerk voldeed aan de eisen van het Vuurwerkbesluit, zou het verbod van art. 3 Vuurwerkbesluit zijn doel missen. Immers, zodra het desbetreffende vuurwerk niet aan die eisen voldoet, zou het Vuurwerkbesluit niet van toepassing zijn. De Hoge Raad overwoog onverbloemd:
`De wetgever heeft de bescherming van de particuliere gebruiker voorop gesteld bij de vaststelling van het Vuurwerkbesluit. Een uitleg van art. 2, eerste lid onder b, van dat Besluit als door het middel voorgestaan zou, gelet op het hiervoor onder 4.9 overwogene, ernstige problemen opleveren bij de strafrechtelijke handhaving van de tot particulieren gerichte voorschriften van dat Besluit en aldus een door de wetgever niet beoogd veiligheidsrisico teweegbrengen. Hoewel de tekst van het Vuurwerkbesluit en voorheen het Reglement gevaarlijke stoffen een andere bedoeling van de wetgever tot uitdrukking brengen, te weten de wederzijdse uitsluiting van toepasselijkheid van die regelingen moet de Hoge Raad daaraan voorbij gaan.'12
Dan de postmixen. In deze casus troffen bijzondere opsporingsambtenaren van de VWA in een discotheek minderjarige jongeren met drankjes aan, welke drankjes luisteren naar illustere namen als UFO en Boswandeling. Het bleek hier om zogenoemde postmixen te gaan. Dat wil zeggen dat de drankjes buiten de fles worden gemixt (al dan niet met een postmixapparaat). Aangezien het alcoholpercentage afhankelijk is van de mengverhouding, is het de vraag of dan per glas moet worden vastgesteld of het alcoholpercentage tenminste 15% is om te kunnen vaststellen dat sprake is van verboden verkoop van sterke drank. De Hoge Raad overwoog:
`Blijkens de wetsgeschiedenis is met de hiervoor genoemde wijziging van de Drank- en Horecawet in het bijzonder beoogd alcoholmisbruik door jongeren tegen te gaan. Aan die doelstelling en het daaruit voortvloeiende verbod van art. 20, tweede lid, Drank- en Horeca-wet om sterke drank te verstrekken aan jongeren onder 18 jaar, zou tekort worden gedaan, indien dat verbod niet zou omvatten de verstrekking van sterke drank in een door de verstrekker vervaardigd mengsel van sterke drank en (een) andere drank(en) als waarvan hier sprake is (zogenoemde postmixen). Bij een dergelijke vermenging bestaat immers het risico dat het alcoholpercentage van het verstrekte mengsel — welk percentage zich moeilijk zal laten vaststellen — de in art. 1, eerste lid, Drank- en Horecawet vastgelegde limiet te boven gaat. Daarom moet gelet op doel en strekking van de Drank- en Horecawet, zoals die wet ten gevolge van genoemde wetswijziging is komen te luiden, worden aangenomen dat een dergelijke verstrekking onder het verbod van art. 20, tweede lid, Drank- en Horeca-wet is begrepen. Het dienovereenkomstige oordeel van het Hof geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.'13
Beide voorbeelden lijken vanuit het legaliteitsbeginsel bezien op het eerste gezicht erger dan ze zijn. Inzake het Vuurwerkbesluit lag het zonder meer in de rede om strafbaarheid aan te nemen waar het ging om de verkoop van pakketten professioneel vuurwerk aan particulieren. Strafbaarheid was natuurlijk wel degelijk beoogd door de wetgever en ook voorzienbaar voor de verdachte. Het wetssystematische element dat mogelijk zou kunnen leiden tot straffeloosheid, te weten een wederzijdse uitsluiting van toepasselijkheid van de genoemde regelingen, zal de pleger niet in gedachten hebben gehad toen hij het vuurwerk verkocht. Het is dan ook de vraag of het zo verstandig is dat de Hoge Raad hier zo nadrukkelijk suggereert dat hij afwijkt van de tekst van de regelingen en de daaruit blijkende bedoeling van de wetgever. Inzake de postmixdrankjes geldt evenzeer dat de gemiddelde horecaondernemer er rekening mee zal (dienen te) houden dat het mixen van drankjes waarvan één van de bestanddelen afkomstig is uit een fles met sterke drank met zich brengt dat die mix zelf ook als sterke drank zal kwalificeren. Bij twijfel had de horecaondernemer zich tot de VWA kunnen wenden. Met het schenken van deze postmixen aan minderjarigen neemt de ondernemer dan ook blijkbaar welbewust het risico dat de wet wordt overtreden.
Er zijn uiteraard ook grenzen aan de toepassing van vage normen en teleologische wetsinterpretatie. Ook hier enkele voorbeelden. In de Arbeidstijdenwet zijn geen definitieomschrijvingen opgenomen van de begrippen arbeid en arbeidstijd. Wel zijn in de Arbeidstijdenwet definities opgenomen van de begrippen werkgever en werknemer en volgt volgens de minister van SZW uit die definities tevens wat wordt verstaan onder arbeidstijd. Aangezien de desbetreffende bepalingen van de Arbeidstijdenwet een implementatie zijn van art. 2 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG, is het begrip arbeidstijd richtlijnconform geïnterpreteerd. Dat zou meebrengen dat voor de monteur van een keukencentrum de reistijd van zijn woning naar zijn eerste klus en ook die van zijn laatste klus terug naar huis, als arbeidstijd moeten worden aangemerkt. Bij die uitleg had het keukencentrum de maximale arbeidstijd overschreden en daarvoor was een bestuurlijke boete opgelegd. De Afdeling oordeelde dat uit de in art. 1:1 Arbeidstijdenwet gegeven omschrijvingen van de begrippen werkgever en werknemer geen rechtszekere defmitie van het begrip arbeidstijd volgt. Voorts oordeelde zij dat de rechtszekerheid zich tegen richtlijnconforme uitleg van de Arbeidstijdenwet verzet.14
In art. 18 lid 2 WWB is — voor zover hier van belang — bepaald dat het college, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, overeenkomstig de door de gemeenteraad vastgestelde afstemmingsverordening, de bijstand verlaagt. Het college van burgemeester en wethouders haalde deze bepaling van stal nadat een bijstandsklant, in strijd met een eerdere ontzegging tot toegang tot het gebouw van de sociale dienst, het gebouw had betreden en daar vernielingen had aangericht. De Centrale Raad van Beroep ging daar niet in mee. Omdat de gedraging niets van doen had met de inlichtingen- en medewerkingsplicht leverde die derhalve niet een het zich jegens het college zeer ernstig misdragen op. De Centrale Raad meende hier voor een grammaticale uitleg te kiezen die in overeenstemming was met de parlementaire geschiedenis.15 Evengoed kan met een grammaticale uitleg worden betoogd dat een uit de wet voortvloeiende verplichting zelf ook behelst het gebod zich niet zeer ernstig te misdragen jegens het college. Sterker nog, door het verbindingswoord waaronder lijkt dit grammaticaal de meest juiste uitleg.16 De Centrale Raad had zijn oordeel dat het zich jegens het college zeer ernstig misdragen niet moet worden beschouwd als een aparte aan de bijstand verbonden verplichting tot het nalaten van dit gedrag dan ook beter kunnen gronden op een wetssystematische interpretatie: gelet op de plaats waarin het zich zeer ernstig misdragen jegens het college als maatregelwaardige gedraging is opgenomen, gaat het om een verzwarende omstandigheid bij het niet nakomen van (andere) wettelijke verplichtingen en niet om een zelfstandig normstelling. Over art. 18 lid 2 WWB valt overigens nog meer op te merken. Zo bevat het de term naar het oordeel van het college. Terecht heeft de Centrale Raad daarvan gezegd dat hieruit geen beoordelingsvrijheid mag worden afgeleid.17 De Centrale Raad putte zijn niet-grammaticale uitleg in dit verband uit de wetsgeschiedenis en de omstandigheid dat op grond van die bepaling sancties opgelegd kunnen worden, zodat de rechter zich ten volle over de feitenkwalificatie moet kunnen buigen.18
Bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven lag de vraag voor of de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen wegens het wegen van meststoffen zonder geijkt weegwerktuig. Het College overwoog:
`Het College is met de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het legaliteitsbeginsel volgt dat verweerder in het kader van artikel 49 Meststoffenwet geen bestuursdwang kan toepassen zonder dat de overtreding voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar bij of krachtens een wettelijk voorschrift is omschreven. Tevens is het College van oordeel, evenals de voorzieningenrechter, dat uit de tekst van artikel 76, eerste lid, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zelve niet voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar wordt dat sprake is van een verplichting dierlijke meststoffen te wegen met een geijkt weegwerktuig en dat in dat verband geen betekenis kan toekomen aan de toelichting op de regeling. Het College maakt de overwegingen ter zake van de voorzieningenrechter tot de zijne. Dit geldt ook voor het oordeel dat verplichtingen op grond van de Metrologiewet niet kunnen worden gehandhaafd met gebruikmaking van de bestuursdwangbevoegdheid die in artikel 49 van de Meststoffen-wet aan verweerder is toegekend ter handhaving van de bij of krachtens de Meststoffenwet gestelde verplichtingen:19
Het beroep dat de minister deed op het Krulsla-arrest van de Hoge Raad,20 werd door het College verworpen omdat het bij onderhavige verplichting gaat om te wegen met een weegwerktuig en niet om een in zodanig algemene bewoording omschreven gedraging dat interpretatie moet uitwijzen of de betreffende gedraging een overtreding oplevert.
Vergelijkbaar met het probleem van vage wettelijke normen, maar niet volledig gelijk daarmee, is het probleem van een gebrekkige verwijzing naar voorschriften en een onduidelijke wettelijke grondslag voor lagere regelgeving. Ook dit raakt net als het bepaaldheidsgebod aan het legaliteitsbeginsel. Eerst weer enige voorbeelden waarin de straf- en de bestuursrechter wel ruimte zagen voor een bestraffende sanctie omdat de wet- of regelgever wel hadden beoogd om een toereikende wettelijke grondslag voor een gebods- of verbodsbepaling in het leven te roepen. Het eerste voorbeeld heeft aardig in de belangstelling gestaan: het rookverbod in horecagelegenheden.21 Zonder al te veel in detail te treden ging het er om dat voor horecagelegenheden met personeel een gewone werkgeversverplichting in het leven was geroepen om het personeel te vrijwaren van hinder van tabaksrook. Voor eenpitters gold via een AMvB een verdergaande plicht, zij dienden namelijk als beheerder zorg te dragen voor het geheel rookvrij houden van de caféruimte. Die AMvB was gebaseerd op art. 1 la lid 4 Tabakswet in verbinding met art. 10 lid 1 Tabakswet, hetgeen tekstueel gezien met zich bracht dat die AMvB slechts categorieën voor het publiek toegankelijke gebouwen kon aanwijzen waarvoor zou gelden dat de beheerder daarvan verplicht is tot het treffen van maatregelen, zodat van de daardoor geboden voorzieningen gebruik kan worden gemaakt en de werkzaamheden daarin kunnen worden verricht zonder daarbij hinder of overlast van roken te ondervinden. Het openbaar ministerie was in enige zaken tot vervolging overgegaan wegens het niet handhaven van het rookverbod door caféhouders zonder personeel. Het Hof Leeuwarden en het Hof Den Bosch kwamen beiden tot een vrijspraak omdat er geen wettelijke grondslag bestond voor het opleggen van een geheel rookverbod. De Hoge Raad casseerde in twee arresten van 23 februari 2010:
`In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of onder de verwijzing in art. 11a, vierde lid, Tabakswet naar de maatregelen als bedoeld in art. 10, eerste lid, Tabakswet het instellen van een rookverbod, zoals bedoeld in art. 10, tweede lid, Tabakswet, is begrepen. De tekst van art. 10 Tabakswet duidt erop dat in de eerste volzin van het tweede lid in algemene zin een nadere specificatie van het eerste lid is opgenomen, zodat het tweede lid zo nauw is verbonden met het in het eerste lid geregelde dat het eerste lid steeds in samenhang met het tweede lid moet worden gelezen. Dat impliceert dat art. 11a, vierde lid, dat eveneens is opgenomen in paragraaf 5 van de Tabakswet onder het kopje `Rookverboden', aan de daar bedoelde (rechts)personen die het beheer hebben over voor het publiek toegankelijke gebouwen, de verplichting oplegt tot het treffen van zodanige maatregelen dat van die gebouwen en van de daarin geboden voorzieningen gebruik kan worden gemaakt en de werkzaamheden daarin kunnen worden verricht zonder daarbij hinder of overlast van roken te ondervinden en dat die maatregelen in ieder geval behelzen het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod. De totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen bevat geen duidelijke aanknopingspunten voor een ander oordeel. Dat art. 11, tweede lid, Tabakswet wel verwijst naar het tweede lid van art. 10 Tabakswet, doet hieraan niet af, ook al komt dat de duidelijkheid van de regeling als geheel wellicht niet ten goede.'22
Het tweede voorbeeld betreft de gelede normstelling in de inmiddels vervangen Wte 1995. In art. 32NR 1999 was destijds het verbod op koersmanipulatie neergelegd. De AFM had ABN AMRO op grond van laatstgenoemde bepaling een bestuurlijke boete opgelegd vanwege de rol die ABN AMRO had gespeeld bij de beursintroductie van World Online. Deze bestond uit het op eigen houtje bij de introductie van het aandeel opkopen van zoveel aandelen dat de koers kunstmatig hoog werd gehouden. Het betoog van ABN AMRO dat hier sprake was van geoorloofde koersstabilisatie werd verworpen. ABN AMRO had ook grieven opgeworpen ter zake van de verbindendheid van art. 32 NR 1999. De wettelijke basis van deze door de toezichthouder23 vaststelde NR 1999 was te vinden in art. 35 Besluit toezicht effectenverkeer 1995, terwijl deze AMvB, weer was terug te voeren op art. 11 Wte 1995. Art 11 lid 1 Wte 1995 voorzag er in dat bij AMvB regels konden worden gesteld aan ten aanzien van: (a) deskundigheid en betrouwbaarheid; (b) financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis; (c) bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en vestiging van het hoofdkantoor; (d) aan de minister van Financiën en aan het publiek te verstrekken informatie; en (e) waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels; (f) de bemiddeling terzake van een openbaar bod. Het College overwoog:
`Het is de (...) wetswijziging [van 1 januari 1999] die heeft geleid tot vaststelling van de NR 1999, waarin onder meer het voordien reeds in het algemeen reglement van de AEX voor tot de beurs toegelaten instellingen vervatte verbod om door middel van transacties of het verspreiden of bevorderen van geruchten of informatie de effectenmarkt te manipuleren, een plaats heeft gevonden in artikel 32. Op grond van het vorenstaande concludeert het College dat de wetgever in artikel 11, eerste lid, Wte 1995 de reeds aan artikel 7 Wte ten grondslag liggende mogelijkheid in ruime mate regelgevende bevoegdheid aan AFM te delegeren heeft gehandhaafd en dat die bevoegdheid met de op 1 februari 1999 in werking getreden wetswijziging en het daardoor grotendeels vervallen van zelfregulering door de beurs, aan betekenis heeft gewonnen. Daarbij dient de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, Wte 1995 genoemde, door een instelling aan onder meer het publiek te verstrekken informatie, naar het oordeel van het College te worden gezien in het verlengde van de in dat zelfde artikellid onder a, genoemde deskundigheid en — met name — betrouwbaarheid. Beide artikelonderdelen bieden, bezien in het licht van de doelstellingen van de wet en het hiervoor overwogene, in hun onderlinge samenhang een toereikende grondslag voor de bevoegdheid van AFM artikel 32 NR 1999 vast te stellen. De conclusie is dat dit artikel, zij het op andere dan door de rechtbank gebezigde gronden, verbindend is. Het vorenoverwogene brengt mee dat voor de vraag of artikel 11, eerste lid, Wte 1995 voorziet in de bevoegdheid regels inzake marktmanipulatie vast te stellen, niet noodzakelijk is deze bepaling te interpreteren in het licht van de ISD-Richtlijn.'24
Voorbeelden waarin de rechter zich niet rekkelijk opstelde zijn minder snel te vinden. Ik noem hier een rechtbankuitspraak. DNB had een trustkantoor niet alleen sancties opgelegd uit hoofde van de Wet toezicht trustkantoren, maar ook op grond van bij en krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften. De rechtbank achtte het in strijd met de rechtszekerheid om op grond van een fusie tussen DNB en de PVK aan te nemen dat de Regeling Toezicht Sanctiewet 1977 (RTSw) reeds voor de wijzigingen per 24 december 2009 (Stcrt. 2009, 20066) zag op trustkantoren. Zij overwoog daartoe:
`Blijkens de toelichting bij de RTSw heeft DNB destijds — op goede gronden — gemeend dat trustkantoren vooralsnog niet onder de RTSw vielen. De RTSw is sindsdien niet gewijzigd. Alleen door de vernummering van de onderdelen in artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 zijn trustkantoren — bij toeval — onder het bereik van de tekst van artikel 2 van de RTSw komen te vallen. Daar komt bij dat de Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977 eerst per 24 december 2009 mede betrekking heeft op het toezicht door DNB ter zake van trustkantoren. Voornoemd onderdeel h van artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 zag immers voor 1 januari 2007 op natura-uitvaartverzekeraars waarop voorafgaande aan de Fusiewet toezicht werd uitgeoefend door de PVK. Het ligt niet in de rede om artikel 1, aanhef en onder c, van de Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977, zoals die bepaling luidde tot 24 december 2009, aldus uit te leggen dat die bepaling vanaf 1 januari 2007 mede zag op het toezicht op trustkantoren nu de PVK hier nimmer enige rol in heeft gehad. Voor zover de PVK destijds als toezichthouder in de zin van de sanctiewetgeving is aangemerkt ligt het dan ook niet in de rede daaruit af te leiden dat DNB daaraan in verbinding met artikel 2 van het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977 enige regelgevende bevoegdheid ter zake van trustkantoren kan ontlenen.'25
Als we naar deze voorbeelden kijken, dan lijkt het er op dat de strafrechter net iets rekkelijker is dan de bestuursrechter, waar het gaat om het bepaaldheidsgebod en omissies door de wetgever. In de literatuur zijn hiervoor aanknopingpunten te vinden. Zo stelt Doorenbos dat de Hoge Raad zich meer pragmatisch opstelt dan principieel waar in art. 1 en la WED wordt verwezen naar inmiddels vervallen, gewijzigde, hernummerde of verplaatste wetsartikelen. Er wordt dan door de strafrechter heengestapt over de kennelijk vergissing van de wetgever door de onjuiste vermelding in art. 1 en la WED te lezen met verbetering van de begane misslag.26 Doorenbos wijst voorts op de naar risicoaansprakelijkheid tenderende strafrechtelijke aansprakelijkheid in het economisch strafrecht.27 Voor de ondernemer geldt een verregaande plicht zich te informeren omtrent de inhoud van gebods- en verbodsnormen, zo bleek uit de voorbeelden aan het begin van deze paragraaf. Doorenbos noemt in een lezenswaardig artikel in Trema nog een reden: juist omdat in het economisch strafrecht het doel van de normen niet vanzelf spreekt, moet de strafrechter zich bedienen van een teleologische wetsuitleg. Het onvermijdelijke gevolg hiervan is dat de economische strafrechter een betrekkelijk instrumentele rol heeft te vervullen.28 In de bestuursrechtelijke literatuur wordt vanouds meer geworsteld met de legaliteitseis, zo lijkt het.29 Dit hangt wellicht samen met de scheiding der machten en met het specialiteitsbeginsel die een pregnante rol spelen in het bestuursrecht. Daar komt bij dat de bestuursrechter door de gelede normstelling, die in het bestuursrecht toch vaker uitgangspunt is dan in het strafrecht, meer gewend is een exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften te verrichten. Bij die exceptieve toetsing komen naast de toetsing aan het verbod van willekeur, veelvuldig vragen aan bod inzake de reikwijdte van bovenliggende wettelijke bepalingen, rechtstreeks werkende verdragsbepalingen en de omzetting van richtlijnen.
Tot slot wijs ik hier op het volgende. In het strafrecht kan onderscheid worden gemaakt tussen commissie- en omissiedelicten en tussen schuld- en opzetdelicten. Verder is er een variëteit aan deelnemings- en samenloopvarianten. Al deze kwesties zijn van invloed op de mate waarin een norm helder is. Verwijtbaarheid en daderschap komen verderop in dit hoofdstuk aan bod, terwijl samenloop in het volgende hoofdstuk aan bod zal komen bij de bespreking van ne bis in idem. Ik merk hier op dat in het bestuursrecht wordt gepoogd de zaken eenvoudiger te houden dan in het strafrecht, juist omdat in het bestuursrecht het ordeningskarakter voorop staat en minder aandacht bestaat voor norminprenting.30 Zo wordt in het bestuursrecht het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen niet gemaakt.31 Er zijn in het bestuursrecht enkel gedragingen en overtredingen (zie art. 5:1 Awb). Voor de leerstukken van strafbare poging en voorbereidingshandelingen is dan ook geen ruimte in het bestuursrecht.32 De meeste overtredingen zijn kleurloos, er wordt nauwelijks gewerkt met schuldvarianten, met dien verstande dat de mate van verwijtbaarheid wel een rol kan spelen bij de afstemming van de bestuurlijke boete (art. 5:46 lid 2 Awb). Dit laat onverlet dat ook in het bestuursrecht 'delicten' voor komen waarin niet zozeer het gevolg als wel de geobjectiveerde intentie van de handeling centraal staat. Zie bijvoorbeeld art. 5:58 lid 1, onderdeel b, Wft dat een verbod behelst een transactie of handelsorder in financiële instrumenten te verrichten of te bewerkstelligen teneinde de koers van die financiële instrumenten op een kunstmatig niveau te houden. Uit le verrichten of te bewerkstelligen' in combinatie met 'teneinde' volgt het (voorwaardelijke) opzet. Ook wordt ter zake van de bestuurlijke boete inmiddels regelmatig over de strafrechtelijke schutting heen gekeken voor wat betreft leerstukken die zien op daderschap. De Vierde tranche geeft daar ook wel aanleiding toe (zie art. 5:1 lid 2 en lid 3 Awb).33 Verder moet worden bedacht dat een gedraging in de zin van art. 5:1 Awb zowel een handeling als een nalaten kan behelzen.34 Er zal dus steeds naar de `delictsomschrijving' in de bijzondere bestuurswet moeten worden gekeken of sprake is van een verbod of een gebod. Ik wijs er hier voorts op dat de grenzen tussen commissie- en omissie-delicten soms dun zijn. Zo kan een doen en het vervolgens nalaten iets te doen twee strafbare pogingen opleveren. Het Hof Den Bosch kwam in een zaak waarin een man zijn vriendin ernstig mishandelde, waardoor zij in comateuze toestand geraakte, en hij haar vervolgens twee dagen medische hulp onthield, tot het oordeel dat er sprake was van twee strafbare pogingen tot doodslag (art. 287 in verbinding met art. 45 lid 1 Sr).35 De eerste poging bestond uit het toebrengen van ernstig hoofdletsel en de tweede poging bestond vervolging uit het langdurig in hulpbehoevende toestand achterlaten van het slachtoffer. In beide gevallen was sprake van voorwaardelijk opzet gericht op het beroven van het leven van het slachtoffer.