Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.6:3.4.6 Leer Diephuis tegenover leer Van der Grinten
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.6
3.4.6 Leer Diephuis tegenover leer Van der Grinten
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644844:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verschilde de visie van Van der Grinten, die de bijzaak in de ban deed, nu veel met die van Diephuis, die wel de zelfstandige bijzaak erkende? Van der Grinten nam een zaakseenheid niet snel aan, hetgeen betekende dat zaken die met andere zaken werden verbonden vaak hun zelfstandigheid behielden. Een machine die nagelvast verenigd was met een fabriek, maar die zonder al te ernstige beschadiging kon worden verwijderd, zou Van der Grinten als een zelfstandige zaak beschouwen. In de visie van Diephuis was de machine een zelfstandige bijzaak. Behoorde de machine aan een ander toe dan aan de eigenaar van de fabriek, dan viel zij in beide visies niet onder het hypotheekrecht dat op de fabriek rustte. Ook werd zij niet overgedragen als de eigenaar van de fabriek deze verkocht en leverde aan een derde. De eigenaar van de fabriek was immers beschikkingsonbevoegd ten aanzien van de machine. Alleen in gevallen waarin Van der Grinten een bestanddeel aannam en Diephuis een zelfstandige bijzaak, kwam het verschil bij overdracht aan de oppervlakte.
Was de eigenaar van de hoofdzaak dezelfde als die van de bijzaken, dan ging bij overdracht van de fabriek in de opvatting van Van der Grinten alleen de fabriek over en in de opvatting van Diephuis de fabriek met inbegrip van de bijzaken en hulpzaken. Deze zaken volgden immers het juridische lot van de hoofdzaak. Wilde de koper deze zaken in de koop insluiten, dan moest hij dat in de visie van Van der Grinten afzonderlijk bedingen. Wilde de koper de bij- en hulpzaken niet in de koop betrekken, dan moest hij dat in de visie van Diephuis afzonderlijk overeenkomen. Suijling ging nog een stap verder. Voor hem was het beding, waarbij de bij- en hulpzaken buiten de overdracht van een onroerende zaak werden gehouden, nietig.1 Waarschijnlijk gaf voor Suijling de economische eenheid hier de doorslag.
Het wegvallen van de categorieën “bijzaak” en “hulpzaak” moest bijdragen aan de helderheid van de gebruikte terminologie. De termen werden als verwarrend gezien. Om die reden zijn ze niet opgenomen in het Nieuw Burgerlijk Wetboek van 1992 (BW).2 Ploeger stelde derhalve vast dat met de komst van het Nieuw Burgerlijk Wetboek de bijzaak een stille dood was gestorven.3