Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.1.2:10.3.1.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.1.2
10.3.1.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604168:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht wordt verbondenheid tussen lichamen en tussen een lichaam en een natuurlijk persoon met name opgevat als organisatorische en economische verbondenheid. De aanwezigheid van een kapitaalbelang, hetgeen duidt op financiële verbondenheid, speelt in deze disciplines slechts een beperkte rol. Ten aanzien van de aanmerkelijkbelangpositie in art. 4 lid 3 WBR is in de wetsgeschiedenis benadrukt dat het alleen gaat om een belang in het aandelenkapitaal en dat het begrip ‘belang’ in beginsel niet ziet op opties of converteerbare obligatieleningen.1 Organisatorische verbondenheid speelt in het geheel geen rol. In dit verband heb ik in hoofdstuk 3 geconcludeerd dat de zeggenschap die is verbonden aan een aandelenbelang niet zonder meer duidt op organisatorische verbondenheid, omdat het niet gaat om een rechtstreekse beïnvloeding van het ondernemingsbeleid. De zeggenschap in de ava kan de organisatorische verbondenheid wel ondersteunen, maar of daar effectief sprake van is, hangt in grote mate af van het ‘aandeelhoudersactivisme’ c.q. het ‘aandeelhoudersabsenteesme’.2
In vergelijking met de Wet IB 2001 en de Wet VPB 1969 wordt in art 4 lid 3 onderdeel a WBR overigens nog een ouderwets partnerbegrip gehanteerd. Bij de beoordeling of een aanmerkelijk belang wordt verkregen, tellen alleen de belangen van de echtgenoot van een natuurlijk persoon mee. Op basis van art. 2 lid 6 AWR dient hieronder ook de geregistreerde partner te worden verstaan, maar de partner met wie men ongehuwd samenwoont, telt voor art. 4 lid 3 WBR niet mee. Dat geldt ook voor de kinderen van die partner. Voorts valt op dat de duurzaam gescheiden levende echtgenoot ook als ‘echtgenoot’ wordt beschouwd.
Gassler (2006) wijst eveneens op de bepaling van art. 1:3 lid 3 BW, op grond waarvan aanverwantschap ook na ontbinding van het huwelijk blijft voortbestaan. In verband hiermee is in art. 4.2 Wet IB 2001 bepaald dat voor de toepassing van het aanmerkelijkbelangregime in de inkomstenbelasting het aanverwantschap eindigt door echtscheiding. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de regeling van art. 4 WBR. Volgens de wetsgeschiedenis bestaat er echter geen reden om voor de overdrachtsbelasting te abstraheren van het belang van de ex-schoonfamilie, omdat voor art. 4 WBR de relatief hoge grens van 33'/3% geldt.3 Ik vind dit argument weinig overtuigend.