Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.4.3.3
6.4.3.3 Formele en inhoudelijke selectiecriteria
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401952:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.32.
Zie bijvoorbeeld artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 waarin is neergelegd dat de managementautoriteit de aanvraag kan afwijzen wanneer blijkt dat de beoogde cofinanciering door de overige cofinanciers gedeeltelijk niet zal worden verleend.
Zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies van 14 mei 2002 waarin stond dat de aanvraag wordt beoordeeld op verenigbaarheid met het POP. Zie hieromtrent ABRvS 29 november 2006, LJN AZ3221 (De Oranjeboom). Zie ook artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF 2007-2013.
Zie bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling subsidie plattelands-ontwikkelingsprogramma provincies van 14 mei 2002. Zie hieromtrent ABRvS 29 november 2006, LJN AZ3221 (De Oranjeboom). Zie ook artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF 2007-2013.
Formele eisen aan de aanvraag zijn bijvoorbeeld te vinden in artikel 4:2 van de Awb: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. Ingevolge het tweede lid van dat artikel verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Zie hieromtrent ook ABRvS 15 juli 2009, LJN BJ2630 (Stichting Opleidingsfonds Groothandel), r.o. 2.42.
Zie omtrent dit beginsel hoofdstuk 2, paragraaf 2.7.6.
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris).
In de meeste Europese subsidieregelgeving is expliciet neergelegd dat de selectiecriteria om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen, op nationaal niveau moeten worden vastgesteld.1 Voor zover wel Europese formele en inhoudelijke selectiecriteria bestaan, lenen zij zich doorgaans niet voor rechtstreekse toepassing door nationale uitvoeringsorganen. Een uitzondering bestaat voor de ELGF-subsidies en de Europese subsidies uit hoofde van Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie. De bepalingen in de overige Europese subsidieverordeningen zijn onvoldoende nauwkeurig en niet onvoorwaardelijk ofwel het betreft bepalingen in Europese besluiten die zijn gericht tot de lidstaat. Het komt ook voor dat regels zijn neergelegd in de door de Europese Commissie goedgekeurde OP’s.
Dat voormelde regels niet rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast, neemt niet weg dat nationale uitvoeringsorganen daaraan richting de Europese Commissie zijn gebonden. Dit betekent dat de wetgever of nationale uitvoeringsorganen ervoor moeten zorgdragen dat deze regels worden geïmplementeerd in het nationale recht.
In veel gevallen worden de formele en inhoudelijke Europese criteria neergelegd in de nationale bijzondere subsidieregeling.2 Het komt ook voor dat de nationale subsidieregeling wat betreft de inhoudelijke criteria waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen verwijst naar het van toepassing zijnde OP.3 Verder wordt in sommige nationale subsidieregelingen bepaald dat de subsidieaanvraag wordt beoordeeld op de verenigbaarheid met de toepasselijke Europese verordeningen.4 Dergelijke bepalingen hebben tot gevolg dat de aanvrager van de Europese subsidie dient na te gaan wat in het OP dan wel de toepasselijke Europese verordeningen is bepaald. Het is de vraag in hoeverre een dergelijke bepaling zich verdraagt met de beginselen van rechtszekerheid en transparantie. Voor een aanvrager van een Europese subsidie is immers allesbehalve duidelijk aan welke voorwaarden zijn aanvraag moet voldoen.
Uiteraard dienen de op nationaal niveau vastgestelde formele en inhoudelijke eisen aan de subsidieaanvraag en ook de toepassing ervan in overeenstemming te zijn met de Europese subsidieregelgeving.5 In het verleden heeft dit met name bij de uitvoering van het ESF voor problemen gezorgd. Het gebeurde nogal eens dat projecten met Europees geld werden gefinancierd, terwijl dit volgens de Europese regels en soms zelfs ook volgens de nationale selectiecriteria niet de bedoeling was. Deze praktijk had twee oorzaken. In de eerste plaats wilden nationale uitvoeringsorganen zoveel mogelijk Europees geld wegzetten om te voorkomen dat de Europese subsidie gelet op het beginsel van decommittering aan Brussel zou moeten worden terugbetaald.6 Ten tweede was er voor projecten niet altijd nationaal geld beschikbaar zodat werd geprobeerd deze projecten met Europees geld te financieren. Een voorbeeld biedt de financiering van bijscholingscursussen voor werknemers van de sociale werkvoorziening uit het ESF.7