Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.7.5
6.7.5 Gewekt vertrouwen door de partij ten behoeve van wie het voorbehoud is gemaakt
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300648:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ten aanzien van het zogenaamde 'subject to contract'-voorbehoud is hiervoor in par. 7.5. reeds opgemerkt dat denkbaar is dat dit voorbehoud de belangen van beide partijen op het oog heeft (in die zin dat voor hen beide duidelijkheid wordt gecreëerd ten aanzien van het ontstaan van binding), maar dat even zo goed denkbaar is dat het betreffende voorbehoud slechts de belangen van één partij beoogt te beschermen. Bij het beoordelen van situaties waarin, bij gebruikmaking van een 'subject to contract'-voorbehoud door één van partijen van het voorbehoud afstand wordt gedaan, bestaat dus reden temeer om terughoudendheid te betrachten.
Wordt goedkeuring door de derde — kort gezegd — op onredelijke gronden onthouden, dan rijst de vraag wat rechtens is met betrekking tot de positie van de partij te behoeve van wie het voorbehoud is bedongen. Indien deze desalniettemin een beroep zou doen op het voorbehoud, stellende dat geen goedkeuring is verkregen en het hem derhalve vrij staat de onderhandelingen te beëindigen, meen ik dat de wederpartij tal van wegen open staan om desalniettemin binding tot stand te brengen. Een dergelijke houding zou in eerste instantie misbruik van bevoegdheid kunnen opleveren in de zin van art. 3:13 BW dat bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. Daarnaast zou m.i. even zozeer kunnen worden betoogd dat, door onder de gegeven omstandigheden een beroep te doen op het bedongen voorbehoud, onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van art. 6:162 BW. Tot slot zie ik voldoende ruimte voor toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW, stellende dat onder de gegeven omstandigheden een beroep op het voorbehoud naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Interessanter wellicht nog is de situatie waarbij toestemming door de derde wordt onthouden op op zichzelf niet onredelijke gronden, maar waarbij vervolgens de vraag rijst of en, zo ja, in hoeverre de partij ten behoeve van wie het voorbehoud is gemaakt, daarop nog een beroep kan doen. Ook hier spelen rechtsfiguren als uitleg, afstand van recht, misbruik van bevoegdheid, rechtsverwerking, onrechtmatige daad en de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid een rol. Vooropgesteld zou m.i. echter dienen te worden dat degene ten behoeve van wie een voorbehoud is gemaakt, te allen tijde het recht heeft om zich daar in de gegeven omstandigheden niet op te beroepen tenzij het voorbehoud de strekking heeft om de belangen van beide partijen te beschermen (vide hetgeen hiervoor in par. 6 is opgenomen ter zake van categorie I-voorbehouden die beogen de belangen van beide partijen te dienen) en tenzij er sprake is van gewekt vertrouwen dat de partij ten behoeve van wie een goedkeuringsvoorbehoud is bedongen, zich zou neerleggen bij het oordeel van de derde. Niet valt immers in te zien waarom een partij ten behoeve van wie een voorbehoud is gemaakt dat alleen strekt ter bescherming van de belangen van die partij, van het recht om daarop in voorkomend geval een beroep te kunnen doen, geen afstand zou kunnen doen. Bepalend lijkt mij dus hier de ratio van het voorbehoud waarbij het meer in het bijzonder aankomt op het antwoord op de vraag wiens belangen het voorbehoud beoogt te beschermen.1