Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.6:4.2.6 Ligging van vermogensbestanddelen
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.6
4.2.6 Ligging van vermogensbestanddelen
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS437955:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Mostermans (1999), p. 78.
Vgl. art. 9 HMbV 2000: de autoriteiten van de verdragsstaat waarin goederen van de meerderjarige zijn gelegen, zijn bevoegd tot het treffen van maatregelen ter bescherming van deze goederen.
In gelijke zin Rb. Arnhem 5 januari 1976, NJ 1976, 445; Rb. 's-Gravenhage 12 januari 1995, NIPR 1995, 220.
Zie 1-112 18 mei 2001, NJ 2002, 478 en i.h.b. de noot van Vlas.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Behalve de Nederlandse nationaliteit kan de verbondenheid met de rechtssfeer van Nederland zoals bedoeld in art. 3 sub c Rv., ook bestaan in de ligging van vermogen in Nederland. Te denken valt aan het verzoek tot het treffen van een beschermingsmaatregel ten aanzien van een meerderjarige, waarin de enige binding met Nederland bestaat in de ligging van vermogensbestanddelen hier te lande die bescherming behoeven.1 Indien slechts een gedeelte van het vermogen in Nederland ligt, zal de te nemen maatregel mijns inziens beperkt moeten worden tot de hier te lande gelegen goederen.2
Voorts is de ligging van vermogen in Nederland competentiescheppend voor het verzoek tot benoeming van een vereffenaar (art. 4:204 lid 1 sub a BW) over een geheel of gedeeltelijk onbeheerde nalatenschap die in het buitenland is opengevallen. Het belang voor derden dat de in Nederland gelegen vermogensbestanddelen niet onbeheerd blijven, levert voldoende binding op met de Nederlandse rechtssfeer. Zie voor een geval onder 'oud' procesrecht Rb. ' s-Gravenhage 7 januari 1987, NIPR 1987, 222:
`dat h.t.l. een maatschappelijk belang wordt gediend, indien het zich in Nederland bevindende tegoed en de aandelen niet langer onbeheerd blijven;
dat de Rb. op grond van dit belang voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig acht om in deze rechtsmacht van de Nederlandse rechter te aanvaarden, terwijl zij zich naar analogie van het bepaalde in art. 429 c Rv. bevoegd acht om van de vordering (lees: het verzoek) kennis te nemen' .3
Art. 3 sub c Rv kan ook als rechtsmachtbasis dienen voor het verzoek tot een gerechtelijk bevel tot boedelbeschrijving (art. 672 Rv) in een geval waarin een substantieel deel van de boedel (nalatenschap of gemeenschap) in Nederland ligt. Indien slechts een gering gedeelte van de boedel in Nederland ligt, doet de Nederlandse rechter er mijns inziens goed aan om geen rechtsmacht te ontlenen aan art. 3 sub c Rv. Er is dan onvoldoende binding met Nederland, zodat het verstandig is om de behandeling over te laten aan de rechter wiens rechtssfeer nauwer bij de zaak is betrokken. Verklaart de Nederlandse rechter zich toch bevoegd, dan is hij verplicht de boedelbeschrijving te bevelen van alle waar ook ter wereld gelegen bestanddelen (zie art. 672 jo. 674 sub 2 Rv).4