Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.3.3.1
6.3.3.1 Een analyse
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS344888:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 2018, p. 310 In het Opticien-arrest uit 1923 (HR 15 oktober 1923, NJ 1923/1329) erkende de Hoge Raad het bestaan van deze rechtvaardigingsgrond.
Aldus HR 12 juli 2011, NJ 2011/578 m.nt. P.A.M. Mevis.
Zie De Hullu 2018, p. 311. Vgl. Van Dijk 2008, p. 15-18.
De Hullu 2018, p. 311-312; Nieboer 1991, p. 258.
Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 13 bij art. 40 waarin de zogenoemde ‘reddingswil’ noodzakelijk wordt geacht voor noodtoestand. Deze eis ligt ook besloten in de voorwaarde dat de belangenafweging zorgvuldig dient te zijn verricht. Bewustheid ten aanzien van het aan de orde zijnde conflict tussen plichten en/of normen wordt dan min of meer voorondersteld.
De Hullu 2018, p. 310; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 303.
Zie bijvoorbeeld Scholten 1899, p. 11. Sieburgh 2003 heeft evenwel betoogd dat de toepassing van rechtvaardigingsgronden van strafrechtelijke oorsprong, zoals de noodtoestand, de civielrechtelijke beoordeling van de rechtmatigheid niet geheel opslokt (vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 252). Zij stelt dat een gedraging waarvan de wederrechtelijkheid (en daarmee de strafbaarheid) wegvalt door de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, naar civiel recht nog wel onrechtmatig kan zijn. Haar redenering lijkt gestoeld op de gedachte dat geen goede reden valt te bedenken voor de omstandigheid dat degene die schade lijdt ten gevolge van de in noodtoestand verrichte gedraging die zelf moet dragen. Deze gedachtegang is krachtig weersproken door Franke in Franke 2009. Hierin stelt zij zich op het standpunt dat de toepassing van rechtvaardigingsgronden de gedraging rechtmatig maakt ongeacht het juridische kader waarin de beoordeling plaatsvindt. Deze kritiek is terecht. Rechtvaardigingsgronden zien in de kern op de betamelijkheid van de gedraging en het vasthouden aan onrechtmatigheid in het civiele recht vanuit de wenselijkheid van schadeverhaal door de benadeelde maakt een oneigenlijke inbreuk op die systematiek. Vgl. Scholten 1899, p. 11, die zich de vraag stelt: ‘ethisch is zijn daad geboden, zou het recht haar dan verbieden?’. Er zijn andere civielrechtelijke instrumenten die schadeverhaal door de benadeelde mogelijk maken, zoals ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming.
HR 13 februari 1951, NJ 1951/371.
Zie Nieuwenhuis 2007, p. 54.
Schoordijk 1987; Sieburgh 2003, p. 663 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 90; Scholten 1899, 11 e.v. Meijers in zijn noot bij HR 3 mei 1934, NJ 1934, p. 1553.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 617.
Zie Franke 2009 en de hiervoor in noot 39 genoemde literatuur. De vooronderstelling is daarbij dat noodtoestand geen redelijke grond behelst voor de vermogensverschuiving.
Noodtoestand als rechtvaardigingsgrond wordt in de civielrechtelijke literatuur algemeen omschreven als de situatie waarin het belang ter bescherming waarvan is gehandeld hoger wordt gewaardeerd dan het belang dat in de overtreden norm bescherming vindt.1 De belangenafweging neemt hierbij een centrale plaats in.
Voor een nauwere omlijning van het leerstuk wordt dikwijls verwezen naar de strafrechtelijke rechtspraak en literatuur, waarin de noodtoestand als vorm van overmacht is neergelegd in art. 40 Sr en verder op veel aandacht heeft mogen rekenen. Het kenmerkende aan noodtoestand is het bestaan van een conflict van plichten: de plicht om de strafwet na te leven tegenover de maatschappelijke plicht om in de gegeven omstandigheden anders te handelen.2 Indien de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen de zwaarstwegende heeft laten prevaleren, moet worden aangenomen dat hij handelde in noodtoestand.3 Bij de uiteindelijke beoordeling van het gedrag lijkt het aan te komen op de vraag of het objectief redelijk en aanvaardbaar gedrag betrof.4 In de eis van redelijkheid ligt besloten dat voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangenafweging dient, met andere woorden, zorgvuldig te zijn verricht met dien verstande dat de handelende niet redelijkerwijs zijn toevlucht kon nemen tot niet-normschendende alternatieven en bovendien vast dient te staan dat de opoffering van het ‘minderwaardige’ belang een zinnige bijdrage aan de verwezenlijking van het hogere belang kon leveren.5 Daarnaast geldt als vereiste dat de aangesproken persoon daadwerkelijk de wil moet hebben gehad het hogere belang te behartigen; met andere woorden wordt niet aanvaard dat hij toevalligerwijs een rechtens hoger belang behartigde met zijn handelen terwijl andere doeleinden aan zijn handelen ten grondslag lagen.6 Hoewel het belang van acuutheid van het zich voordoende conflict enigszins op de achtergrond is geraakt bij de invulling van noodtoestand als vorm van overmacht, wordt er in de literatuur nog steeds op gewezen dat de nood voldoende actueel en concreet moet zijn.7
In de hiervoor geschetste casus zag de bestuurder zich geplaatst voor een afweging van enerzijds het belang van de aannemer in kwestie om niet op grond van een onjuiste voorstelling van zaken omtrent de financiële positie van de vennootschap een beslissing te nemen en anderzijds het belang om de dreigende instorting van het pand met eventueel gevaar voor de veiligheid van de zich aldaar ophoudende mensen te voorkomen. In deze situatie lijkt een beroep op noodtoestand door de bestuurder indachtig de hiervoor besproken toepassingsvoorwaarden gerechtvaardigd. Dit geldt voor de actie uit onrechtmatige daad, maar gaat evenzeer op voor de delicten van oplichting ex art. 326 Sr en flessentrekkerij ex art. 326a Sr indien de gedragingen van de bestuurder voor het overige zouden voldoen aan de bestanddelen van die strafbepalingen. Het aannemen van noodtoestand heeft tot gevolg dat de wederrechtelijkheid aan de gedragingen ontvalt, en deze rechtmatig zijn.8
Een voorbeeld van noodtoestand waarin sprake was van conflicterende (primair) geldelijke belangen vormt een uitspraak van de strafkamer van de Hoge Raad uit 1951.9 De curator was schending van art. 21 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (hierna: BBA) tenlastegelegd, omdat hij in het faillissement van een onderneming waarin hij was aangesteld als curator op voet van art. 40 Fw werknemers had ontslagen zonder voorafgaande toestemming van de Directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te hebben verkregen. Naar toenmalig recht was dat strafbaar. De curator voerde ter rechtvaardiging van zijn gedrag aan dat de toestand van de boedel hem noodzaakte het bedrijf stop te zetten en te liquideren, terwijl de aanwezige baten het hem absoluut onmogelijk maakten de werkzame werknemers over een langere periode dan de gehanteerde ontslagtermijn van acht dagen loon uit te betalen. De curator deed aldus een beroep op noodtoestand en dit werd door de Hoge Raad gehonoreerd. Hij accordeerde het oordeel van de politierechter dat gelet op het totaal van de (verwachte) baten ‘verdachtes plicht als curator om te waken voor de belangen der crediteuren – waaronder de onderhavige arbeiders – hem voor de onmogelijkheid plaatste om het voorschrift van art. 6 BBA na te leven, zodat hij, daarmede in strijd handelende, niet strafbaar is te achten en derhalve behoort te worden ontslagen van rechtsvervolging’. De curator werd geacht het belang van de boedel redelijkerwijs zwaarder te hebben mogen laten wegen dan de belangen van de individuele werknemers.
Waar het ontbreken van de wederrechtelijkheid betekent dat de handelende niet strafrechtelijk aansprakelijk is, zijn er in het ‘civiele recht meer agendapunten te bespreken’.10 In de civielrechtelijke literatuur wordt namelijk eensgezind gesteld dat degene die schade lijdt door de gedraging in kwestie die schade niet zelf hoeft te dragen, ook al is in noodtoestand gehandeld.11 Onder meer het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking wordt hierbij genoemd als een voor de hand liggende grondslag tot schadeverhaal.12 Toepassing van dit leerstuk brengt mee dat degene die ten koste van het vermogen van een ander heeft geprofiteerd van de gedraging kan worden aangesproken tot vergoeding van de schade.13 In de casus van het gebouw met het instortingsgevaar is dat in eerste instantie de eigenaar van het pand. In het geijkte geval waarin de bestuurder ‘louter’ vertegenwoordiger was, zal niet hij degene zijn die vermogensrechtelijk heeft geprofiteerd van de gedraging, maar de door hem vertegenwoordigde vennootschap. In dat geval zal het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking geen toegevoegde waarde hebben voor de schuldeiser aangezien hij reeds een vordering uit wanprestatie heeft jegens de vennootschap. De meerwaarde van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zal zich doen gelden in situaties waarin de vennootschap niet tevens de eigenaar is van het pand. Indien het pand bijvoorbeeld werd gehuurd, zal de schuldeiser wegens ongerechtvaardigde verrijking verhaal kunnen zoeken bij de eigenaar.