Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.3.3.4.a
6.3.3.4.a De verhouding tot de Aandeelhoudersrichtlijn
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649876:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 29752, nr. 12 (Brief van de minister), p. 5.
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 29752, nr. 12 (Brief van de minister), p. 5.
Kamerstukken II 2018/19, 29752, nr. 3 (MvT), p. 21.
Nowak 2020, p. 245.
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 29752, nr. 12 (Brief van de minister), p. 6.
Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 29752, nr. 12 (Brief van de minister), p. 6. De minister volgt ook hier de RvS, zie Kamerstukken II 2018/19, 29752, nr. 3 (MvT), p. 21.
Nowak 2020, p. 245.
Vletter-van Dort 2019, p. 907. Tegen die achtergrond werpt zij t.a.p. de terechte vraag op of dit op afstand plaatsen de beste bescherming biedt tegen aandeelhoudersactivisme. Zij denkt eerder dat het inroepen van de bedenktijd het risico op instabiliteit vergroot.
Allereerst de mogelijke strijd met (het doel van) de Aandeelhoudersrichtlijn. De RvS concludeerde dat daarvan geen sprake is. Art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn bevat geen voorschriften over de termijn waarbinnen het bestuur dient te reageren op tijdig aangedragen onderwerpen en de Aandeelhoudersrichtlijn maakt niet duidelijk over welke onderwerpen de aandeelhouders via de algemene vergadering zeggenschap over de vennootschap moeten kunnen uitoefenen.1 De richtlijn bepaalt ten aanzien van het agenderingsrecht slechts dat zonder dat wordt geraakt aan de diverse tijdschema’s en modaliteiten die thans in de Gemeenschap worden gebruikt, er twee grondregels gelden. Ten eerste bepaalt de richtlijn dat een aan het agenderingsrecht gestelde minimumkapitaaldrempel niet hoger mag zijn dan 5% van het aandelenkapitaal en ten tweede dat er één specifieke termijn moet zijn vastgesteld tot waarop aandeelhouders het agenderingsrecht kunnen uitoefenen. Aangezien de bedenktijd het recht tot agendering en de mogelijkheid om geagendeerde onderwerpen te bespreken onverlet laat en het bestuur slechts de mogelijkheid geeft om besluitvorming over bepaalde onderwerpen op te schorten, is volgens de RvS geen sprake van strijd met art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn.2 De minister volgt in de MvT de redenering van de RvS.3 Nowak begrijpt dat de RvS en de minister een opschorting van de stemming gedurende maximaal 250 dagen onder de ‘tijdschema’s en modaliteiten’ scharen die thans in Nederland worden gebruikt. Dat lijkt hem een vergezochte onderbouwing van het ingenomen standpunt.4
Een lange en onzekere periode voor het nemen van besluiten schuurt volgens de RvS wel met de in punt 14 en punt 3 van de preambule geformuleerde doelstelling dat aandeelhouders hun rechten op een effectieve wijze moeten kunnen uitoefenen en dat zulks dient te worden vergemakkelijkt en aangemoedigd.5 Maar volgens de RvS laat deze doelstelling onverlet dat de lidstaten maatregelen kunnen treffen om de kwaliteit van de besluitvorming te bevorderen zodat met alle betrokken stakeholderbelangen rekening kan worden gehouden en kan worden voorkomen dat onverhoeds ingrijpende koerswijzigingen worden doorgevoerd. Om die reden doorkruist de bedenktijd ook de doelstellingen en de goede werking van de Aandeelhoudersrichtlijn niet, zolang zij dienstbaar is aan de kwaliteit van de besluitvorming en niet uitsluitend wordt gebruikt om aandeelhouders uit andere lidstaten te belemmeren hun rechten uit te oefenen, aldus de RvS.6 Nowak vraagt zich af of deze redenering, gezien de duidelijke opdracht die in de preambule aan de lidstaten wordt gegeven (zorg voor, vergemakkelijk en moedig effectieve zeggenschap aan), niet te kort door de bocht is.7 Vletter-van Dort zit op een vergelijkbare lijn en constateert dat de Aandeelhoudersrichtlijn beoogt aandeelhouders meer te betrekken bij de vennootschap, terwijl met de bedenktijd aandeelhouders juist gedurende een aanzienlijke periode op afstand worden geplaatst.8 De door Nowak en Vletter-van Dort gesignaleerde spanning met de preambule van de Aandeelhoudersrichtlijn onderschrijf ik. Evenwel acht ik, om de redenen die de RvS noemt, de wettelijke bedenktijd, anders dan de responstijd uit de NCGC, niet in strijd met (het doel van) de Aandeelhoudersrichtlijn.