Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/5.5.4.2
5.5.4.2 Zesde Richtlijn dwingt niet tot cumulatie
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS589266:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995-1996, 24 702, nr. 3, p. 19. De minister merkt daarbij op dat de Zesde Richtlijn in beginsel slechts geldt voor zuivere splitsing en dat er geen goede reden is om voor afsplitsing een afwijkende regeling te treffen. Met de gedachte dat voor beide splitsingsvormen dezelfde regeling wordt getroffen stem ik in. Daarmee is de inhoud van de regeling nog niet gerechtvaardigd.
Verbrugh 2007, p. 310; Dortmond, Handboek 2013/413.2.
Zie 5.2.4.2.
Verbrugh 2007, p. 310.
Zie over art. 12 van de Zesde Richtlijn ook Verbrugh 2007, p. 201 e.v.; en Koster 2009, p. 379/380.
De Zesde Richtlijn regelt de splitsing door overneming, de splitsing door oprichting en de combinatie van beide. In al deze gevallen betreft het een zuivere splitsing, dus een splitsing waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan. Zie art. 1, 2 en 22. Aldus ook Dortmond, Handboek 2013/413.2.
Zesde Richtlijn, art. 1 lid 1, verwijzend naar de Derde Richtlijn, art. 1 lid 1.
Bij de parlementaire behandeling van de splitsingsregeling heeft de minister gesteld, dat de Zesde Richtlijn tot de cumulatie van kruisaansprakelijkheid en schuldeisersverzetsprocedure verplicht.1 In de literatuur wordt dit eveneens verdedigd.2 In Frankrijk denkt men er anders over. Daar wordt aan de splitsende rechtspersoon de keuze gelaten tussen hetzij kruisaansprakelijkheid dan wel het volgen van de schuldeisersverzetsprocedure.3 Verbrugh acht deze Franse regeling strijdig met artikel 12 van de Zesde Richtlijn.4 Wie heeft gelijk?
De controverse gaat terug op de tekst van artikel 12 van de Zesde Richtlijn,5 die over zuivere splitsing6 van rechtspersonen van het NV-type7 gaat. Dat Nederland de cumulatie tevens voorschrijft bij afsplitsing en bij splitsing van andere typen rechtspersonen dan NV’s, berust op een keuze van de Nederlandse wetgever, die een voor alle rechtspersonen eenvormige regeling wenste. Blijft de vraag of, in de gevallen waarop de Zesde Richtlijn ziet, cumulatie verplicht is. Ik citeer de relevante passages van artikel 12 van de Zesde Richtlijn:
De wetgevingen der Lid-Staten moeten een passende bescherming bie den van de belangen der schuldeisers van de vennootschappen die aan de splitsing deelnemen wier vorderingen voor de openbaarmaking van het splitsingsvoorstel zijn ontstaan en ten tijde van die openbaarmaking nog niet opeisbaar zijn.
Daartoe bepalen de wetgevingen der Lid-Staten ten minste dat deze schuldeisers recht hebben op passende waarborgen wanneer de finan ciële toestand van de gesplitste vennootschap en van de vennootschap waarop de verbintenis overgaat overeenkomstig het splitsingsvoorstel, deze bescherming nodig maakt en deze schuldeisers niet reeds over dergelijke waarborgen beschikken.
Voor zover een schuldeiser van de vennootschap waarop de verbinte nis overeenkomstig het splitsingsvoorstel is overgegaan, geen voldoe ning heeft gekregen, zijn de verkrijgende vennootschappen hoofdelijk tot nakoming van die verbintenis gehouden. De Lid-Staten kunnen deze aansprakelijkheid beperken tot het nettoactief dat werd toegekend aan elk van deze vennootschappen met uitzondering van die waarop de verbintenis is overgegaan. (…)
De Lid-Staten kunnen bepalen dat de verkrijgende vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de gesplitste vennootschap. In dat geval behoeven zij de voorgaande leden niet toe te passen. (…)”
De crux zit in de woorden ‘schuldeiser’ en ‘voldoening’ in lid 3. Zij die menen dat de Zesde Richtlijn tot cumulatie dwingt, gaan ervan uit dat kruisaansprakelijkheid moet ontstaan tegenover elke schuldeiser van de splitsende rechtspersoon wiens vordering niet is voldaan. In deze lezing ziet ‘voldoening’ in lid 3 dus op voldoening van de vordering. Nu in lid 3 het voorwerp van de daar bedoelde ‘voldoening’ niet is vermeld, is deze lezing begrijpelijk, maar zij verdraagt zich moeilijk met lid 6. Die bepaling houdt in dat een lidstaat kan kiezen voor kruisaansprakelijkheid voor alle schulden van de splitsende rechtspersoon, en in dat geval een bijzondere schuldeisersbeschermingsregeling achterwege kan laten. De formulering van lid 6 wijst erop dat de daar bedoelde kruisaansprakelijkheid iets nieuws is, en geen verplichting die al uit lid 3 zou voortvloeien.
De Fransen lezen lid 3 in de context van lid 2. In hun benadering heeft lid 3 het oog op de schuldeiser aan wie ten onrechte bijzondere waarborgen als bedoeld in lid 2 zijn onthouden. Dit is degene die toegang heeft gehad tot de op lid 2 gebaseerde schuldeisersverzetsprocedure, van wie de aanspraak op additionele waarborgen door de rechter is gehonoreerd, maar die van de betrokken rechtspersoon toch geen additionele waarborgen heeft gekregen. In deze lezing heeft ‘voldoening’ in lid 3 betrekking op het zo nodig verschaffen van de in lid 2 bedoelde bijzondere bescherming. Volgens deze Franse lezing hoeft het nationale recht de in lid 3 voorgeschreven kruisaansprakelijkheid slechts aan te bieden aan de schuldeisers aan wie de in lid 2 voorgeschreven bescherming ten onrechte wordt onthouden. In de Franse regeling wordt bovendien gebruik gemaakt van lid 6, dat in hun lezing een volwaardig alternatief biedt voor de leden 2 en 3. Die bepaling houdt, zoals gezegd, in dat een lidstaat kan kiezen voor kruisaansprakelijkheid voor alle schulden van de splitsende rechtspersoon, en in dat geval een bijzondere schuldeisersbeschermingsregeling achterwege kan laten. De Franse wetgever heeft de in lid 6 geboden keuze niet zelf gemaakt, maar deze overgelaten aan de splitsende rechtspersoon.
De Franse regeling is ouder dan de richtlijn en heeft mede model gestaan voor de regeling in de richtlijn. Ik heb geen bronnen gevonden waaruit blijkt dat de richtlijngever Frankrijk op dit belangrijke punt heeft willen dwingen tot wetswijziging. In Frankrijk gaat men er ook vanuit dat hun regeling richtlijnconform is en sinds de invoering van de Zesde Richtlijn, bijna 35 jaar geleden, heeft noch de Europese Commissie noch enige lidstaat daartegen bezwaar aangetekend. Ik ga er daarom vanuit dat die lezing richtlijnconform is. Het gelijkheidsbeginsel brengt mee dat wat de Fransen mogen, wij ook mogen.