Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.2.2
5.2.2 Interventie door ‘derden’: voeging, tussenkomst en gedwongen tussenkomst
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931158:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wiersma 1952a, p. 404.
Wiersma 1952a, p. 406.
Zie daarover, met verdere verwijzingen, A. Knigge 1998, p. 304-306; De Folter 2001, p. 17 e.v.; De Folter 2009/151 (p. 197-198); en J.S. Kortmann 2019, p. 42 e.v.
A. Knigge 1998, p. 306 e.v.; De Folter 2001, p. 54; De Folter 2009/138.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5112(Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Bouwnijverheid/BO c.s.), r.o. 2.5; Rechtbank Amsterdam 4 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:3190 (CDC/Akzo Nobel c.s.), r.o. 2.34 e.v.; Rechtbank Amsterdam 25 maart 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:1778 (Equilib/KLM c.s.), r.o. 4.30 e.v.; en Rechtbank Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11305(CDC/Shell c.s.).
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 6 april 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BW4335, JBPr 2011/36, m.nt. M.O.J. de Folter (Equilib/KLM c.s.), waar het overigens ging om oproeping door de gedaagden. Zie daarover par. 5.3.2.
Vgl. Wiersma 1952a, p. 407 en p. 412-413; J.S. Kortmann 2019, p. 45.
HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564, m.nt. W.M. Kleijn (Verdegaal & Zonen/Warmerdam c.s.), r.o. 3.3; HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437, m.nt. W.M. Kleijn (De Jong/Schrama), r.o. 3.3.
HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2013/133, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Biek Holdings), r.o. 3.4.3; HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans (Erven Hoelas), r.o. 3.6.1; HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:649, NJ 2018/214(Verdeling nalatenschap), r.o. 3.5; HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177, NJ 2021/54(Deltaborgh c.s./Vitens), r.o. 3.2.1; HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, NJ 2021/126, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (X/ASR), r.o. 3.2.
HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2013/133, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Biek Holdings), r.o. 3.4.3. Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.4.
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525, m.nt. P.C.E. van Wijmen & W.D.H. Asser; JBPr 2014/48, m.nt. M.O.J. de Folter (X/Gemeente De Bilt), r.o. 3.14. Vgl. reeds A. Knigge 1998, p. 306 e.v.; Van Boom 1999, p. 223; en De Folter 2009/159 (p. 206). Vgl. echter ook Van Mierlo & Van Dam-Lely 2011/435 (p. 220-221).
Er is dan sprake van subjectieve cumulatie, zodat strikt genomen sprake is van afzonderlijke procedures (zie hiervoor, nr. 208). Niettemin spreek ik gemakshalve van ‘partij in de procedure’ (enkelvoud).
Parl. Gesch. Inv. Boek 3, 5 en 6 BW (Wijziging Rv, Wet RO en Fw) 1992, p. 19 (MvA I Inv.). Zie voorts De Folter 2001, p. 58-60; De Folter 2009/156 (p. 199-200) en 158 (p. 204); Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/51.
Dit is onder meer van belang in het kader van een tegen het vonnis in te stellen rechtsmiddel (zie par. 5.2.5).
Zie hiervoor, nr. 211.
Zie hiervoor, nr. 211.
Snijders & Wendel 2009/88; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/221.
Tussenkomst in cassatie is niet mogelijk, zie HR 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6235, NJ 2000/516 (Hoekstra Diepvries/Hoekstra), r.o. 3; HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 (Heijmans/Van der Spek), r.o. 3.2; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/53 en 243; en Van der Wiel (red.) 2019/179 en 233.
HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9067, NJ 2012/606, m.nt. H.B. Krans; JBPr 2012/64, m.nt. M.O.J. de Folter (Zeedijk/Heineken), r.o. 3.4. Zie voorts Heemskerk 1972/54-55; Wiersma 1952b, p. 52; Gras 1994, p. 302-303; Winters 1997, p. 80-81; De Folter 2001, p. 79 e.v.; De Folter 2009/114; Van Mierlo & Van Dam-Lely 2011/492-493; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/45-47; Snijders, Klaassen, Krans & Meijer 2022/183; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/127; Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, Tweede Titel, Tiende afdeling, Paragraaf 3 Rv, aant. 2 (online, actueel t/m 26 juli 2022); Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/8.6.
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/606, m.nt. H.B. Krans (Fair Consumer Electronics/Stichting De Thuiskopie), r.o. 4.1.2.
HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, m.nt. S. Perrick, r.o. 3.6.2.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295; JBPr 2015/64, m.nt. M.O.J. de Folter (Tennet c.s./ABB c.s.), r.o. 3.2; HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534, NJ 2015/369 (Staat/VEOB), r.o. 3.4; HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306, NJ 2017/125; JBPr 2017/37, m.nt. M.O.J. de Folter (Menzis/X), r.o. 3.3; HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787, NJ 2019/451; JBPr 2020/6, m.nt. M.O.J. de Folter (Naftogaz/Omnibridgeway), r.o. 2.3; HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750, NJ 2021/199 (Stichting Loterij Incasso/Staatsloterij), r.o. 2.4. Vgl. reeds HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 (Heijmans/Van der Spek), r.o. 3.3.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295; JBPr 2015/64, m.nt. M.O.J. de Folter (Tennet c.s./ABB c.s.), r.o. 3.2; HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750, NJ 2021/199 (Stichting Loterij Incasso/Staatsloterij), r.o. 2.4.
Wiersma 1952b, p. 52-54; De Folter 2001, p. 79 e.v.; Van Mierlo & Van Dam-Lely 2011/510; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/45; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/127; Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, Tweede Titel, Tiende afdeling, Paragraaf 3 Rv, aant. 5 (online, actueel t/m 26 juli 2022); Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/8.6. Vgl. De Folter 2009/152 (p. 187-190).
Zie hiervoor, nr. 209, en voorts HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:673, JBPr 2021/13, m.nt. T. van Malssen & M. Hengeveld (IV/Srlev), r.o. 3.1.3. Zie voorts Kuhn 1905, p. 136 e.v.; Wiersma 1952b, p. 130-136; Gras 1994, p. 272 e.v.; Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/9.1.1.
HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0173, NJ 2013/203 (FPO Maasstad/Watersport Belterweide), r.o. 4.1. Zie voorts Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, Tweede Titel, Tiende afdeling, Paragraaf 3 Rv, aant. 5 (online, actueel t/m 26 juli 2022); Stein/Rueb, Ras, Hendrikse & Jongbloed 2021/9.1.1. Anders: Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/45, die wel zonder meer spreekt van gezag van gewijsde jegens de interveniënt. Vgl. voorts Wiersma 1952b, p. 135-136.
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388, m.nt. E.A. Alkema (Staat/SGP), r.o. 3.2; HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791, NJ 2021/177, m.nt. H.B. Krans (Voeging en tussenkomst in verstekprocedure), r.o. 3.3.3. Dit is noodzakelijkerwijs het geval indien sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zie bijvoorbeeld HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, m.nt. H.B. Krans (Erven Hoelas), r.o. 3.5.4.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.3.2.
In die zin begrijp ik Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, Tweede Titel, Tiende afdeling, Paragraaf 3 Rv, aant. 6 (online, actueel t/m 26 juli 2022). Gedeeltelijk anders: Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/45, die zonder meer spreekt van gezag van gewijsde jegens de interveniënt.
De Folter 2009/151 (p. 159). Zie voor de mogelijkheid een eis in reconventie in te stellen tegen een tussenkomende partij HR 17 oktober 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB5108, NJ 1970/428, m.nt. H.F. van Panhuys (Verenigde Staten/Bank voor Handel en Scheepvaart) en Heemskerk 1972/21 (p. 48-49).
Zie daarover Groeneveld-Tijssens 2015/53 e.v.
Vlek 2015/83 e.v.; Van Bochove 2019/9.2.5.
Thoe Schwartzenberg 2023/150.
Zie daarover Groeneveld-Tijssens 2015/55.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai; JOR 2019/160, m.nt. C.W.M. Lieverse (Dexia), r.o. 4.1.3. Zie voor een voorbeeld Rechtbank Amsterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:4408, JBPr 2015/71, m.nt. E. Gras (KLM c.s./Deutsche Bahn c.s.). Voor de volledigheid merk ik op dat ik bij deze procedure als advocaat betrokken was.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 110 (TM).
Zie hiervoor, nr. 207.
Grosheide 2005, p. 123-133.
Daarbij denk ik aan extreme gevallen van nodeloos procederen om de andere te beschadigen. In dergelijke gevallen kan ik mij voorstellen dat procederen onrechtmatig is en aanleiding kan geven tot een verplichting tot schadevergoeding die niet is beperkt tot reële proceskosten, maar bijvoorbeeld ook reputatieschade omvat.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai; JOR 2019/160, m.nt. C.W.M. Lieverse (Dexia), r.o. 4.2.2.
Lock 2019; Asser 2020/24.4.
zin Thoe Schwartzenberg 2023/158.
Zie in dezelfde zin Thoe Schwartzenberg 2023/159: “Als het bewijsrisico bij eiser zou berusten, zou de wederpartij door niet tot actie over te gaan het in haar macht hebben de bewijslast om te keren.”
212. Algemeen. Uit het voorgaande (par. 5.2.1) is duidelijk geworden dat het doorgaans wenselijk is om tegen verschillende hoofdelijk schuldenaren eenzelfde oordeel te verkrijgen, maar dat dat procesrechtelijk geen vanzelfsprekendheid is. Wil men bereiken dat een beslissing tussen schuldeiser en een hoofdelijk schuldenaar ook bindend is voor andere schuldenaren, dan zal men moeten bewerkstelligen dat die anderen als partij in de procedure betrokken raken. De mogelijkheden daartoe bespreek ik in deze paragraaf.
213. Procedure(s) tegen niet alle hoofdelijk schuldenaren; mogelijkheden tot oproeping door schuldeiser. Indien niet alle hoofdelijk schuldenaren in het geding zijn betrokken, rijst de vraag of de eiser een dergelijke ‘omissie’ kan herstellen door de ontbrekende partijen alsnog in het geding te betrekken.1 Daartoe kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan indien de eiser pas na aanvang van een procedure bekend raakt met andere mogelijk aansprakelijke partijen. Ook de vrees dat de in rechte betrokken schuldenaar insolvent zal raken, kan een aanleiding vormen voor een dergelijke oproeping, omdat hij zo mogelijk ook jegens andere (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren een executoriale titel kan verkrijgen.2 Oproeping in dezelfde procedure is dan mogelijk efficiënter dan meerdere losse procedures, mede gelet op het risico op tegenstrijdige beslissingen.3
In de literatuur heeft lange tijd discussie bestaan over de mogelijkheden om derden in een lopende procedure te betrekken.4 Sinds de invoering per 1 januari 1992 van art. 12a (oud) Rv, de voorloper van het huidige art. 118 Rv,5 is echter duidelijk dat een dergelijke oproeping mogelijk is. De wetgever heeft met de invoering van art. 12a (oud) Rv een nieuwe deelnemingsvorm gecreëerd.6 Een oproeping van een derde in een lopende procedure geschiedt bij dagvaarding, waarbij de daarvoor geldende voorschriften in acht moeten worden genomen (art. 118 lid 1 Rv). Anders dan de vordering tot voeging of tussenkomst,7 is géén sprake van een in de wet erkende incidentele vordering,8 al zijn in het verleden in de literatuur wel stemmen opgegaan om een dergelijk incident te aanvaarden.9 Dit brengt mee dat het strikt genomen niet noodzakelijk is om bij incidentele vordering verlof van rechter te vragen alvorens beweerdelijk medeschuldenaren in het geding te betrekken. Dit laat onverlet dat in een wettelijk incident mede kan worden verzocht om toestemming tot oproeping op de voet van art. 118 Rv,10 en dat het doorgaans aanbeveling zal verdienen om de rechter vóóraf om een oordeel te vragen over de oproeping op de voet van art. 118 Rv. Indien geen verlof is verleend, kan achteraf toetsing plaatsvinden, waarbij het de vraag is of de opgeroepen partijen als partij in de procedure worden toegelaten.11
De rechterlijke toetsing (vooraf of achteraf) brengt mee dat de procedure tussen de schuldeiser en de door hem in rechte betrokken (beweerdelijk) schuldenaar vertraging ondervindt, zélfs indien oproeping uiteindelijk niet is toegestaan. Anderzijds kan het oordeel dat oproeping van ontbrekende partijen door de schuldeiser niet is toegestaan, aanleiding geven tot het initiëren van een afzonderlijke procedure door de gedaagde, waarbij het in de rede ligt om die nieuwe procedure te voegen met de reeds aanhangige procedure (art. 222 Rv).12 Ook deze route kan vertragende werking hebben voor het procesverloop in door de eiser aangespannen procedure.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet duidelijk wat het toepassingsbereik is van art. 118 Rv. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat art. 118 Rv door de eiser bijvoorbeeld kan worden gebruikt om in geval van een gevorderde noodweg een andere partij in het geding te betrekken,13 om ontbrekende partijen bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding alsnog in rechte te betrekken,14 of om een executoriale titel jegens de vennoten in privé te verkrijgen, nadat de schuldeiser alleen een maatschap of een vof gedagvaard heeft.15 In het arrest X/Gemeente De Bilt heeft de Hoge Raad de volgende piketpaaltjes geslagen over het toepassingsbereik van art. 118 Rv:16
“die bepaling is bedoeld voor gevallen waarin het voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil noodzakelijk is (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv, p. 18-20) of zinvol is (vgl. HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564 en HR 12 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2035, NJ 1996/437) om de derde als partij in het geding te betrekken.” (onderstreping toegevoegd, DFHS)
Deze maatstaf sluit geenszins uit dat art. 118 Rv wordt gebruikt om ontbrekende (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren in een lopende procedure te betrekken. Ook in geval van mogelijke hoofdelijke verbondenheid kan het immers noodzakelijk of zinvol zijn om derden als partij in het geding te betrekken. Wordt een dergelijke oproeping toegelaten, dan is de opgeroepen derde partij in de procedure.17 Het gezag van gewijsde van daarin genomen beslissingen kan zich dan tot haar uitstrekken (de subjectieve omvang van het gezag van gewijsde),18 zij het dat dit slechts geldt voor beslissingen inzake een rechtsbetrekking waarbij de derde partij is (de objectieve omvang, art. 236 lid 1 Rv). Verschijnt de opgeroepen partij niet, dan kan tegen hem verstek worden verleend (art. 140 lid 4 Rv).19
213. Procedure(s) tegen niet alle hoofdelijk schuldenaren; mogelijkheden tot inmenging door andere schuldenaar. Indien een (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar niet door de (beweerdelijk) schuldeiser in rechte is betrokken, zal hij doorgaans het liefste buiten de schijnwerpers willen blijven. Een oordeel ten aanzien van zijn beweerdelijk medeschuldenaar treft hem immers niet.20 Niettemin kan hij er belang bij hebben om zich in de procedure te mengen. Een dergelijk belang kan erin bestaan dat hij invloed wil uitoefenen op het verweer tegen zijn (beweerdelijk) medeschuldenaar ingestelde vordering, bijvoorbeeld om te voorkómen dat de gedaagde wordt veroordeeld, zodat de kans wordt verkleind dat die gedaagde verhaalsvorderingen jegens hem verkrijgt. Ook kan een dergelijk belang erin bestaan dat een oordeel ten aanzien van zijn beweerdelijk medeschuldenaar van invloed kan zijn op zijn rechtspositie, doordat de rechter een beslissing uit een dergelijk oordeel als feitelijk vermoeden hanteert.21 Weliswaar kan hij daartoe eventuele argumenten ook aan de wel betrokken schuldenaar doorspelen, maar dan is hij van hem afhankelijk voor het al dan niet inroepen van die verweren en, zo ja, van de wijze waarop die schuldenaar de argumenten naar voren brengt. Naar mijn indruk zal de niet-betrokken (beweerdelijk) schuldenaar eerder geneigd zijn zich in het debat te mengen naar mate de verbintenissen van hem en zijn beweerdelijk medeschuldenaren nauwer verbonden zijn. Gaat het om toevalligerwijs samenlopende verbintenissen, bijvoorbeeld omdat twee partijen afzonderlijk van elkaar, maar voor dezelfde schade uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens de schuldeiser, dan zal die verbinding beperkt zijn. Gaat het echter om een gezamenlijk optreden als contractpartij of ‘dader’, bijvoorbeeld door een gezamenlijk aangegaan krediet of gezamenlijk gepleegde onrechtmatige daad, dan zal die verbinding sterker zijn.
Wil de niet-betrokken schuldenaar zich in een aanhangig geding mengen, dan kan hij zich voegen of daarin tussenkomen (art. 217 Rv). Een voeging of tussenkomst – gezamenlijk ‘interventie’ – is mogelijk door het nemen van een (incidentele) conclusie door de interveniënt, uiterlijk op de dag waarop de gedaagde zijn conclusie van antwoord dient te nemen (art. 218 Rv). Daarna is voeging of tussenkomst in die instantie dus niet meer mogelijk. Wel kan in hoger beroep zo nodig nog voeging of tussenkomst volgen (art. 353 lid 1 jo. art. 217 e.v. Rv)22 en kan in cassatie zo nodig voeging plaatsvinden (art. 418a jo. art. 217 e.v. Rv).23
De wet spreekt van ‘voeging’ en ‘tussenkomst’, zonder daartussen te onderscheiden. In rechtspraak en literatuur wordt aangenomen dat voeging inhoudt dat de partij die zich voegt, zich aan de zijde van één van de reeds betrokken partijen schaart,24 terwijl zij bij tussenkomst tegenover beide partijen komt te staan, door het instellen van een eigen vordering.25
In beide gevallen is interventie door een partij slechts mogelijk indien zij daarbij voldoende belang heeft (art. 217 Rv). Dit belang wordt getoetst in een incident waarin de interveniënt om toelating tot de procedure verzoekt. In het kader van tussenkomst oordeelde de Hoge Raad als volgt over dit belang-vereiste:26
“Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat een partij op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. voor het geval van voeging: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, rov. 3.6.2). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.”
Ook in het kader van voeging is duidelijk dat niet per se vereist is dat de procedure het risico meebrengt dat de zich voegende partij benadeeld wordt of rechten dreigt te verliezen.27 De Hoge Raad hanteert de criteria uit voornoemd citaat thans ook ten aanzien van het belang-vereiste in het kader van voeging.28 Daarbij is het inmiddels vaste rechtspraak dat de enkele precedentwerking die van een procedure uit kan gaan, op zichzelf niet een voldoende belang oplevert voor voeging, óók niet indien het gaat om sterk gelijkende vorderingen of feitencomplexen.29
Slaagt de interventie, dan is de interveniënt partij in de procedure.30 Daarmee kan de partij gebonden raken aan de uitkomst van daarvan, mits de rechtsbetrekking die daarin in geding is, ook hem aangaat.31
Gaat het om voeging door een (beweerdelijk) hoofdelijk medeschuldenaar, dan zal die zich doorgaans voegen aan de zijde van de aangesproken partij.32 De rechtsbetrekking die in geschil is, betreft dan doorgaans niet (ook) de interveniënt, maar de gedaagde, zodat van gezag van gewijsde jegens de interveniënt wat mij betreft geen sprake kan zijn. 33 Uiteraard is dit anders indien de interveniënt wél betrokken is bij de rechtsbetrekking tussen eiser en gedaagde,34 maar dit zal zich bij hoofdelijke verbondenheid niet snel voordoen, omdat het daarbij gaat om verschillende, zelfstandige verbintenissen.35
Bij de tussenkomst ligt dit in zoverre anders, dat de interveniënt dan een eigen vordering instelt tegen de eiser en de gedaagde. Een oordeel over die rechtsbetrekking heeft dan uiteraard gezag van gewijsde jegens de interveniënt.36 Oordelen over de rechtsbetrekking tussen eiser en gedaagde strekken zich mijns inziens in beginsel echter niet uit over de tussenkomende partij, tenzij hij ook bij die rechtsbetrekking is betrokken (bijvoorbeeld als gevolg van een door de eiser in reconventie tegen de interveniënt ingestelde vordering). 37
Praktisch heeft dit alles overigens wel met gezag van gewijsde vergelijkbare rechtsgevolgen, omdat er voor de interveniënt in de hoofdzaak in de vrijwaringsprocedure niet of nauwelijks ruimte zal zijn om standpunten in te nemen die in de hoofdzaak niet aan bod zijn gekomen (een soort procesrechtelijke rechtsverwerking).
215. Negatieve verklaring voor recht. De (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar die in rechte aangesproken dreigt te worden door de (beweerdelijk) schuldeiser, kan het heft ook in eigen hand nemen. Hij kan de schuldeiser in rechte te betrekken met als inzet een verklaring voor recht dat de eisende (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar niet aansprakelijk is jegens de (beweerdelijk) schuldeiser (vgl. art. 3:302 BW).38 Een reden voor het entameren van een dergelijke procedure kan zijn gelegen in de regels inzake rechtsmacht,39 maar ook in het beëindigen van onzekerheid over het al dan niet in rechte betrokken worden.40 Zoals voor iedere rechtsvordering geldt, kan zij slechts met succes worden ingesteld indien daarbij voldoende belang bestaat (art. 3:303 BW).41 Het beëindigen van onzekerheid over het al dan niet in rechte aangesproken worden, vormt in beginsel een dergelijk voldoende belang.42 Ook de wetgever gaat ervan uit dat een beweerdelijk hoofdelijk schuldenaar een procedure kan uitlokken over het al dan niet bestaan van zijn beweerde schuld.43
Er bestaat een zekere spanning tussen de mogelijkheid voor een (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar om een verklaring voor recht te vorderen dat hij niet aansprakelijk is en de hiervoor besproken ‘procesrechtelijke keuzevrijheid’ van de schuldeiser.44 Door het in rechte betrekken van de schuldeiser door een hoofdelijk schuldenaar heeft de schuldeiser het immers niet langer in de hand om niet tegen de desbetreffende schuldenaar te procederen. Tegelijkertijd moet een dergelijke beperking van zijn vrijheid niet te zwaar worden aangezet. Er bestaat niet zoiets als het recht om niet in rechte betrokken te worden.45 Hoogstens kan de ‘frivool’ procederende partij gehouden zijn tot vergoeding van reële proceskosten, of anderszins tot schadevergoeding zijn gehouden.46 Daarnaast staat het de schuldeiser als gedaagde vrij om bij wijze van reconventionele vordering veroordeling van de desbetreffende schuldenaar te vorderen (art. 136 Rv), maar uiteraard evenzeer om dit niet te doen. Zijn autonomie om zijn vordering tegen de desbetreffende beweerdelijk hoofdelijk schuldenaar (al dan niet) in te stellen, wordt door de gevorderde negatieve verklaring voor recht dus niet aangetast. Ook biedt het vereiste van een voldoende belang (art. 3:303 BW) bescherming tegen een wildgroei aan procedures.
In een procedure ter verkrijging van een negatieve verklaring voor recht zijn de rollen in die zin omgedraaid, dat de beweerdelijk schuldenaar de procedure entameert (en daarin eiser is) en de schuldeiser in rechte wordt aangesproken (en dus gedaagde is). Dit roept met name vragen op ten aanzien van de stelplicht en bewijslast. Het is immers dan de eiser/schuldenaar die stelt dat hij niet aansprakelijk is, bijvoorbeeld omdat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld, geen schade heeft veroorzaakt, of anderszins niet aan de vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan. Van die stellingen draagt de partij die de negatieve verklaring vordert het bewijsrisico.47 Dergelijke stellingen zullen door de gedaagde/schuldeiser slechts voldoende kunnen worden betwist door te stellen dat wél aan alle vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan, aangezien een dergelijke betwisting voldoende gemotiveerd zijn (art. 149 lid 1 Rv).48 Aldus draagt de aangesproken schuldeiser het bewijsrisico van de stellingen ter onderbouwing van het standpunt dat de eisende beweerdelijk schuldenaar wel degelijk aansprakelijk is. Dit lijkt op het eerste oog wellicht onredelijk, maar sluit juist aan bij wat het geval zou zijn indien de schuldenaar door de schuldeiser in rechte zou zijn betrokken: ook dan kan hij immers aan aansprakelijkheid ontkomen indien vast komt te staan dat aan één vereiste voor aansprakelijkheid niet is voldaan. De verklaring daarvoor is dat het verweer van de gedaagde/schuldeiser dat de eiser wél aansprakelijk is jegens hem, een bevrijdend verweer is.49 De bewijspositie van de gedaagde/schuldeiser verschilt daarmee niet ten opzichte van de situatie waarin hij de beweerdelijk schuldenaar in rechte zou hebben betrokken: in beide gevallen draagt hij het bewijsrisico ten aanzien van de feiten waarop de beweerde (hoofdelijke) aansprakelijkheid steunt.50