Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.2
III.1.2 Vraagstelling
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS304286:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband al Knigge 1994, p. 72-80.
Zie onder meer Ashworth 2002, p. 582, waar deze erop wijst dat slachtoffers niet de last mogen dragen verantwoordelijk te zijn voor enige strafrechtelijke afdoening. Deze positie is conform de internationale opvattingen. Zie Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), onder 19. Niettemin lijkt zich ook hier een zekere kentering af te tekenen, want de vraag of slachtoffers in de context van de strafrechtelijke afdoening naast rechten ook zekere verplichtingen hebben, althans begrenzingen daarvan hebben te dulden, wordt hoorbaar(der) binnen het strafrecht. Zie Groenhuijsen 2013, Kool 2012b en Ten Voorde en Kunst 2015.
Zie onder meer Schalken 1987, Gribnau 1998 en Crijns 2010. Zie voor de herstelrechtelijke context o.a. Duff 2001, Walgrave 2008, Blad 2005, Blad 2012 en Van Stokkom 2013.
Zie hierover onder meer Hildebrandt 2002, Lauwaert 2009, Wergens 2014 en Vriend 2016.
Het is weinig waarschijnlijk dat we ooit terug zullen gaan naar een tijd waarin de klassieke rechterlijke procedure het procesmodel bij uitstek is voor de afdoening van strafzaken (zo dit ooit al het geval is geweest). De ingeslagen weg van differentiatie in verschillende strafvorderlijke modaliteiten zal ongetwijfeld ook in de toekomst verder worden bewandeld.1 Wel impliceert het afdoen van strafzaken buiten de rechter om een veranderende (rechtspolitieke) opvatting over de betekenis van het procesbeginsel en de toegang tot de rechter. Blijkbaar kan de rechter in bepaalde gevallen worden gemist, hetgeen de vraag oproept wanneer en onder welke voorwaarden dit zo is, ervan uitgaande dat de keuze voor procesdifferentiatie niet een definitief afscheid van de rechterlijke procedure betekent. Voorts dient voor ogen te worden gehouden dat een partieel afscheid van de rechterlijke procedure geen carte blanche voor de inrichting van een alternatieve procedure impliceert. Ook bij buitengerechtelijke afdoening gaat het immers nog steeds om strafrechtelijke handhaving, hetgeen onder meer noodzaakt tot een adequate vormgeving van de individuele rechtsbescherming. Ook dient te worden bedacht dat binnen het strafrecht – gezien het publiekrechtelijke karakter daarvan – slechts beperkt ruimte bestaat voor het toedelen van eigen verantwoordelijkheid aan de betrokken procesdeelnemers om een oplossing te vinden voor het gerezen ‘conflict’. Anders dan voor het privaatrecht is het de opdracht van het strafrecht ten behoeve van de gemeenschap de rechtsorde te handhaven door een adequate reactie te bieden op de geconstateerde schending van rechtsbelangen.2 Op die grondslag beschikt het strafrecht over vergaande bevoegdheden, met als spiegelbeeld daarvan de nodige waarborgen die individuele rechtsbescherming beogen te bieden. Dit brengt de nodige beperkingen met zich voor de inrichting van procedures buiten de rechter om.
In dit preadvies zullen wij ingaan op de vraag hoe de verschillende vormen van strafrechtelijke afdoening buiten de rechter om rechtstheoretisch moeten worden geduid. Hierbij knopen we als referentiekader aan bij het concept van de (wederkerige) rechtsbetrekking.3 Vertaald naar de strafrechtelijke context kan daaruit het uitgangspunt worden afgeleid dat het appel op toepassing van het strafrecht – ook als dat buitengerechtelijke vormen betreft – voor degene die daarop een beroep doet of aan zo’n appel gehoor geeft, zekere verantwoordelijkheden met zich brengt. Aan de hand hiervan kan een eerste antwoord worden gegeven op de vraag waartoe de direct betrokkenen bij de genoemde vormen van buitengerechtelijke afdoening over en weer zijn gehouden. Waartoe verplichten de fundamentele beginselen die ten grondslag liggen aan het straf(proces)recht het Openbaar Ministerie in diens verhouding tot de verdachte, maar ook tot het slachtoffer? En waartoe zijn verdachte en slachtoffer jegens elkaar en de rechtsgemeenschap gehouden in de context van de buitengerechtelijke afdoening?
Daarnaast onderzoeken wij op welke wijze en binnen welke voorwaarden de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening op legitieme en consistente wijze kunnen worden ingepast binnen de strafrechtspleging als geheel, waarbij recht wordt gedaan aan alle betrokken belangen (te weten die van de samenleving, verdachten, slachtoffers en justitiële autoriteiten). Deze vragen impliceren mede beantwoording van de vraag in welke gevallen de klassieke rechterlijke procedure onmisbaar is en in welke gevallen er dus geen plaats is voor vormen van buitengerechtelijke afdoening. Maar ook rijst in dit verband de vraag hoe de verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening zich verhouden tot het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.4 Deze bepaling is weliswaar primair geschreven met de klassieke rechterlijke procedure ten overstaan van de strafrechter in gedachte, maar dat betekent niet dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel geen rol zou spelen in de context van buitengerechtelijke afdoening, al was het alleen al omdat elke vorm van buitengerechtelijke afdoening in tweede instantie – bijvoorbeeld door middel van het aantekenen van verzet tegen de strafbeschikking – tot een rechterlijke procedure kan leiden. Daarnaast kan moeilijk worden aanvaard dat de notie van eerlijkheid geen enkele rol zou spelen binnen het proces van buitengerechtelijke afdoening zelf.
Over de rechter gesproken: zal het gebruik van vormen van buitengerechtelijke afdoening ertoe leiden dat de klassieke rechterlijke procedure als zodanig in de toekomst in zijn geheel zal verdwijnen? In het navolgende zullen wij betogen dat dit niet voor de hand ligt. Een andere vraag is of rechterlijke betrokkenheid bij het buitengerechtelijke spoor – in zekere zin een contradictio in terminis – denkbaar en wenselijk is. Ook aan deze vraag zullen wij – mede in verband met de eisen voortvloeiende uit art. 6 EVRM – in dit preadvies aandacht besteden.