Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/5.7.3
5.7.3 Ontstaan biedplicht wegens acting in concert
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372382:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof van Beroep Brussel 19 januari 2010, nr. 62. Zie ook Dieux/Willermain 2007, p. 30.
Zie over deze zaak Gollier 2010, p. 1003 e.v. en Beckers 2010-3, p. 290-291.
Zie art. 50 § 4, tweede paragraaf Overnamebesluit, art. 50, § 7, 1° tweede zin en art. 50, § 7, 2º tweede zin Overnamebesluit.
Art. 50, § 4, eerste paragraaf Overnamebesluit.
Dieux/Willermain 2007, p. 46.
Art. 50, § 7, 1° eerste volzin Overnamebesluit.
Verslag aan de Koning, B.S. 23 mei 2007, p. 27747.
Hiertoe strekte ook het advies van de Raad van State, zie B.S. 23 mei 2007, p. 27754.
Idem Nelissen Grade 2008, p. 236.
Met “oorspronkelijk onderling overleg” wordt bedoeld (i) het onderling overleg dat conform art. 74 Overnamewet is aangemeld en meegedeeld, (ii) het onderling overleg dat reeds tot een biedplicht heeft geleid, dan wel (iii) het onderling overleg waarvan alle partijen meer dan drie jaar lid zijn, zie art. 50, §9 Overnamebesluit. Zie hierover nader Van den Borre 2008, p. 168-170.
Art. 50 § 7, 2° eerste volzin Overnamebesluit.
Naar Belgisch recht kan enkel een verwerving in enge zin tot een biedplicht leiden; het kunnen beschikken over stemrechten uit hoofde van een stemovereenkomst geldt niet als verwerving in de zin van art. 5 Overnamewet.360 Opties en dergelijke gelden ook niet als een verwerving.1 Uit het IBt-arrest volgt dat het sluiten van de optieovereenkomst onderling overleg met controlebehoud als doel kan opleveren, maar dat voor het ontstaan van een biedplicht in België nog steeds een verwerving vereist is, bijvoorbeeld als gevolg van uitoefening van die optie.2
Het Belgische recht kent een drietal specifieke regelingen voor het ontstaan van de biedplicht bij acting in concert (art. 50 Overnamebesluit). In alle gevallen geldt, dat als een van de samenwerkende partijen individueel meer dan 30% verwerft, de biedplicht enkel op die ene persoon rust.3
I. Overschrijding drempel door verwerving aandelen door concert parties (art. 50, § 4 Overnamebesluit)
Partijen die in onderling overleg handelen zijn in beginsel hoofdelijk gehouden een bod uit te brengen indien zij, ten gevolge van een verwerving van effecten met stemrecht van een doelvennootschap door één van die personen, de drempel van 30% van de effecten met stemrecht van die vennootschap overschrijden.4 Voor de goede orde: verwerving door samenwerkende partijen die reeds 30% houden, leidt dus niet tot een biedplicht, tenzij een van hen (individueel) daardoor de 30%-grens overschrijdt.5
II. Verwerving binnen drie jaar na sluiten overeenkomst door partijen die samen 30% houden (art. 50, § 7 sub 1 Overnamebesluit)
Het tweede geval betreft de verwerving van stemrechten van een derde door personen die een akkoord van onderling overleg hebben gesloten en samen meer dan 30% van de effecten met stemrecht van de doelvennootschap houden, zonder dat één van hen die drempel vooraf overschreed. Indien deze verwerving plaatsvindt binnen drie jaar na sluiting van bedoelde overeenkomst zijn zij alsnog hoofdelijk gehouden om een verplicht bod uit te brengen.6
Deze regeling moet worden begrepen tegen de achtergrond van de opvatting van de Belgische wetgever dat de Overnamerichtlijn geen biedplicht voorschrijft bij het sluiten van een stemovereenkomst (zie eerder).7 Uiteindelijk heeft men minderheidsaandeelhouders toch enige bescherming willen bieden in dit soort gevallen.8 Onduidelijk is waarom geen afscheid is genomen van het hiervoor besproken uitgangspunt dat steeds een verwerving noodzakelijk is en waarom is gekozen voor de termijn van drie jaar.9
III. Toetreding van een derde tot een bestaand overleg dat reeds 30% houdt (art. 50, § 7 sub 2 Overnamebesluit)
Het derde geval voorziet in een biedplicht bij toetreding tot een bestaand overleg dat reeds 30% houdt. Wanneer verschillende personen die in onderling overleg handelen meer dan 30% van de effecten met stemrecht van een doelvennootschap houden en een van hen haar effecten rechtstreeks of via de markt overdraagt aan een derde die toetreedt tot het onderling overleg, zijn de partijen bij het “nieuwe” onderling overleg hoofdelijk gehouden om een verplicht bod uit te brengen. Enkel indien de partijen bij het “oorspronkelijke onderling overleg”10 ononderbroken meer dan 30% blijven houden, ontstaat geen biedplicht.11