Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/4.3.3
4.3.3 Hoor en wederhoor bij in het geding gebrachte informatie
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS379552:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Dijk e.a. 2006, p. 580.
CRvB 20 juli 2001, AB 2001, 252(X/Lisv c.s.); voor de bezwaarfase oordeelde de CRvB deze gang van zaken niet in strijd met art. 6 EVRM, omdat art. 6 EVRM slechts betrekking heeft op de procedure voor de rechter, zie bijv. CRvB 13 februari 2002, AB 2002, 96 (Lisv/Xc.s.)en CRvB 5 december 2006, LJN AZ3703(X/UWV).
Bij voorlopige bewijsverrichtingen speelt dit niet, aangezien art. 6 EVRM daarop niet van toepassing is, zie: EHRM 21 september 1994, NJ 1995, 463, r.o. 61(Fayed/Verenigd Koninkrijk); HR 24 maart 1995, NJ 1998, 414, r.o. 3.4.5(Saueressig/Forbo Krommenie).
EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, r.o. 33 e.v. (Mantovanelli/Frankrijk); soortgelijke overwegingen in EHRM 2 juni 2005, EHRC 2005, 72, r.o. 29 e.v. (Cottin/België).
HR 18 februari 1994, NJ 1994, 742, r.o. 3.4(Copo/Berger) over adviezen van de huurcommissie zonder identificatie van vergelijkingspanden.
HR 22 februari 2008, LJN BB 3676, r.o. 3.5.5 (FortisASR Schadeverzekering/X), zodat Deen ook terecht opmerkt dat de afweging tussen art. 6 en art. 8 EVRM pas aan de orde komt als geen beroep wordt gedaan op blokkeringsrecht: Deen 2009, p. 43 en 46.
Terwijl art. 6 EVRM dus geen aanspraak geeft op bescheiden die niet in het geding zijn gebracht, kan het wel een rol spelen bij bescheiden die wel op enigerlei wijze in het geding zijn gebracht. Dat art. 6 EVRM dan wel een rol speelt, is logisch; in zo'n situatie komt de vraag aan de orde, of het recht op hoor en wederhoor voldoende recht wordt gedaan, wanneer één van partijen de betrokken gegevens niet volledig kent. In dat geval komt "equality of arms" wel in beeld aldus ook Van Dijk e.a. die schrijven:
"The principle of "equality of arms", that is closely connected to the right to adversarial proceedings, entails that the parties must have the same access to the records and other documents in the case, at least insofar as these play a part in the formation of the courts' opinion."1(cursivering auteur)
Sprekend voorbeeld van zo'n situatie, waarin het recht op hoor en wederhoor aan de orde kon komen, was in het verleden de situatie, waarin een werkgever in een rechtsgang voor de bestuursrechter geen toegang kreeg tot medische gegevens waarop het besluit van een uitkeringsinstantie gebaseerd was.2 Die gegevens waren voor de werkgever van belang omdat de hoogte van de door de werkgever te betalen premie daarvan aanvankelijk was. Destijds bepaalde de wettelijke regeling evenwel dat toegang tot die gegevens slechts gegeven kon worden aan een artsgemachtigde die aan een geheimhoudingsplicht was gebonden en de gegevens dus niet met de werkgever kon delen. De aldus getroffen wettelijke regeling oordeelde de Centrale Raad van Beroep in strijd met art. 6 EVRM, omdat de werkgever de inhoud van de door de rechter te beoordelen zaak als gevolg van de wettelijke regeling niet goed genoeg kon beoordelen, wanneer hij geen inzage kreeg in de aan het besluit ten grondslag liggende bescheiden.3
Een soortgelijke situatie doet zich voor, wanneer een procespartij bescheiden aan een deskundige heeft verstrekt opdat deze ten behoeve van een geschil een oordeel geeft én dit oordeel in een bodemprocedure4 een rol speelt. Geheel gelijk is de situatie niet, omdat art. 6 EVRM wel van toepassing is op de procedure voor de rechter, maar niet op de procedure bij de deskundige. Derhalve valt niet in zijn algemeenheid te zeggen dat aanspraak bestaat op kennisneming van aan de deskundige verstrekte bescheiden, maar -aldus het EHRM -
"What is essential is that the parties should be able to participate properly in the proceedings before the 'tribunal' (...)."
en
"The Court has nevertheless to ascertain whether the proceedings considered as a whole, including the way in which evidence was taken, were fair as required by Article 6 § 1 (...)."5
Derhalve werd de vraag, of het niet in het geding brengen van bescheiden waarvan de deskundige kennis had genomen, afbreuk deed aan een eerlijk proces. Die vraag laat zich niet zonder meer in zijn algemeenheid beantwoorden, zodat de Hoge Raad in eerste instantie slechts een specifiek antwoord op die vraag gaf. Dat gebeurde toen de Hoge Raad uitmaakte, dat het beginsel van hoor en wederhoor met zich brengt, dat bescheiden verstrekt moeten worden, wanneer deugdelijk commentaar geven op het oordeel van een deskundige niet mogelijk is zonder kennisneming van de aan deze derde verstrekte bescheiden.6 In februari 2008 deed de Hoge Raad wel een meer algemene uitspraak en ging de Hoge Raad dan ook verder en ook verder dan het EHRM in 1998. In de in februari 2008 gewezen uitspraken stelde de Hoge Raad voorop dat bescheiden gelijktijdig aan de deskundige én aan de wederpartij verstrekt moeten worden én gaf de Hoge Raad aan, dat het hof de vraag of aanspraak bestaat op bescheiden had beoordeeld door de rechten gewaarborgd door art. 6 EVRM en art. 8 EVRM tegen elkaar af wegen. De Hoge Raad leest de overweging van het hof vervolgens aldus dat deze slechts betrekking heeft op de situatie na verstrekking van het deskundigenbericht en overweegt dat het oordeel van het hof aldus verstaan geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvat-ting.7