De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.1:16.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/16.1
16.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370158:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De formulering van het aanvangsmoment van de subjectieve termijnen is waarschijnlijk het belangrijkste punt van verjaringsrechtelijke codificatie. Dat is één reden om er hier aandacht aan te besteden.
De andere reden is dat zo op het eerste gezicht te betwijfelen valt of onze wettelijke formulering bevredigend is: over het aanvangsmoment van de meest frequent toegepaste subjectieve termijn — die van art. 3:310 BW — bestaat opvallend veel jurisprudentie en, wat belangrijker is, de Hoge Raad heeft dat aanvangsmoment feitelijk geherdefinieerd. In 3:310 staat dat de termijn aanvangt als de benadeelde bekend is met schade en aansprakelijke persoon, terwijl de Hoge Raad in het Saelman-arrest oordeelde dat de termijn pas aanvangt als de benadeelde "daadwerkelijk in staat" is een vordering in te stellen. Het aanvangsmoment van de andere subjectieve termijnen heeft het recht zich minder spectaculair ontwikkelt, maar ook daarover zal het nodige te zeggen blijken te zijn.
In deze paragraaf wordt ingegaan op het aanvangsmoment van de volgende subjectieve termijnen: de rechtsvorderingen tot nakoming (art. 3:317 BW), tot periodieke betalingen (art. 3:308 BW), uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW), tot vergoeding van schade (art. 3:310 BW) en tot ontbinding van een overeenkomst (art. 3:311 BW). De art. 3:310a en 3:310b blijven wegens hun weinig frequente toepassing buiten beschouwing.
De bespreking van de artikelen vindt plaats op drie 'niveaus'. Ten eerste op het algemene, in die zin dat wordt ingegaan op eigenschappen die alle artikelen hebben. Bezien worden twee aspecten: (i) de aanvang van de termijn wordt bepaald op de dag, en niet tegen het einde van het kalenderjaar en (ii) de aanvangsmomenten van onze subjectieve termijnen zijn tamelijk kaal geformuleerd, in die zin dat de kernbegrippen "bekend is geworden" en "opeisbaarheid" niet nader zijn uitgewerkt. Het eerste punt is in Duitsland en het tweede punt is in Engeland anders benaderd; bezien wordt of wij die keuzes zouden moeten volgen.
Vervolgens is er het middenniveau van de kernbegrippen uit de respectievelijke verjaringsbepalingen. Het zijn er twee: bij de vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en bij periodieke betalingen is doorslaggevend — de termen vielen al — het moment waarop de vordering "opeisbaar" is (art. 3:317 en 3:308 BW); in alle andere gevallen het moment waarop de crediteur "bekend is geworden" met zekere feiten (de art. 3:307 — 3:311 BW). De Duitse en de Engelse bepalingen stemmen hiermee deels overeen, deels niet. Zijn opeisbaarheid en bekendheid gelukkige criteria ter bepaling van het aanvangsmoment?
Tot slot het niveau van de precieze formulering van de individuele bepalingen. De nadruk zal liggen op art. 3:310 BW. Niet alleen omdat dat veruit de meest toegepaste bepaling is, maar ook omdat zal blijken dat, redenerend zowel vanuit de normatieve grondslag van subjectieve termijn als vanuit de rechtsvergelijking, met name de bewoordingen van art. 3:310 BW vatbaar zijn voor kritiek.
Uit het voorgaande bleek al dat Engels en Duits recht belangrijke betekenis toekomt bij mijn beschouwing van de art. 3:307 — 3:311 BW. Daarom begint deze paragraaf met de weergave en bespreking van hun Duitse en Engelse equivalenten.