Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/6.6
6.6 Art. 2:9 BW impliceert de objectieve toets van een redelijk denkend ondernemer (Skipper Club Charter)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343660:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 april 2003, NJ 2003, 538 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2003/134 m.nt. Y. Borrius (Skipper Club Charter), r.o. 3.3.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het eindverslag), p. 2.
Zie voorts Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 3 (MvT), p. 9, waarin expliciet wordt verwezen naar Laurus en “een taakvervulling die niet in overeenstemming is met de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris de taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen”. Ik zou menen dat de overweging van het hof dichter bij deze wetsgeschiedenis staat dan de ernstigverwijtmaatstaf.
De Hoge Raad hanteerde de ernstigverwijtmaatstaf in het in 2003 gewezen Skipper Club Charter-arrest. In deze zaak had het hof overwogen dat een op art. 2:9 BW (oud) gebaseerde aansprakelijkheid zoals door de rechtspersoon gesteld, slechts kan worden aangenomen als de betrokken bestuurder zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekortgekomen, dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen. De Hoge Raad overwoog echter dat het hof met deze bewoordingen een te strenge maatstaf lijkt te hebben aangelegd omdat voor de aansprakelijkheid van een bestuurder een ‘ernstig verwijt’ is vereist.1 Afgezien van de vraag of de motivering door het hof zijn oordeel kon dragen, zou ik menen dat de maatstaf die het hof aanlegde juist veel zuiverder was en meer overeenstemde met de betekenis van onbehoorlijk bestuur. Als men de toen reeds bestaande wetsgeschiedenis beschouwt, waarin de instructie aan de rechter is gegeven dat hij zal moeten letten op wat verstandige ondernemers in dezelfde of aanverwante branche van bedrijvigheid als onbehoorlijk zouden beschouwen en dat hij zal moeten trachten objectief vast te stellen of het gedrag in kwestie, als (kennelijk) onbehoorlijk moet worden aangemerkt,2 dan is dit oordeel van de Hoge Raad ook niet goed te begrijpen (zie hoofdstuk 3).3