Daarbij merk ik op dat daar waar ik in mijn conclusie van 9 april 2024 spreek over de “aanstaande (mei)vakantie” en de “aanstaande vakantieperiode” de in de onderhavige zaak door het hof gebezigde term “aankomende feestdagen” kan worden ingelezen. Ook kan, daar waar onder randnr. 2.12 melding wordt gemaakt van “21 april 2021” worden gelezen ”23 december 2022”. Overigens lagen in de zaak waarin ik op 9 april 2024 concludeerde, de kaarten voor de verdachte gunstiger, omdat in die zaak door de raadsman direct op zitting al bezwaar was gemaakt tegen de door het hof aangekondigde werkwijze.
HR, 09-09-2025, nr. 23/00301
ECLI:NL:HR:2025:1219
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2025
- Zaaknummer
23/00301
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1219, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1931
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:611
ECLI:NL:PHR:2025:611, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1219
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑02‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0274
Uitspraak 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling, begaan tegen echtgenote (art. 302.1 jo. 304.1.1 jo. 45 Sr). 1. Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod met echtgenote). Heeft hof inbreuk gemaakt op art. 8 EVRM door vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen die het verdachte feitelijk onmogelijk maakt om contact te houden met zijn jonge dochter? 2. Motivering van dadelijke uitvoerbaarheid van vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v.4 Sr. Ad 1. Uit stukken blijkt niet dat in hoger beroep verweer is gevoerd dat oplegging in de vorm van vrijheidsbeperkende maatregel van het op slachtoffer betrekking hebbende contactverbod, zoals met dezelfde formulering gevorderd door AG bij hof, ongerechtvaardigde inbreuk zou maken op familieleven van verdachte met zijn dochter zoals beschermd onder art. 8 EVRM. Zo’n verweer, dat niet maatregel zelf betreft maar mogelijke gevolgen daarvan voor contact met ander, kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat beoordeling daarvan onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats. HR merkt op dat sinds 1-1-2023 art. 6:6:23a1 Sv mogelijkheid biedt om inhoud van vrijheidsbeperkende maatregel te wijzigen. O.g.v. art. 6:6:1.1 Sv kan rechter hiertoe overgaan op vordering van OvJ, op verzoek van veroordeelde, of ambtshalve. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:901 m.b.t. motiveringsverplichting voor rechter m.b.t. dadelijke uitvoerbaarheid van vrijheidsbeperkende maatregel. Uitspraak van hof voldoet niet aan deze motiveringsverplichting nu uit wat hof heeft overwogen m.b.t. opgelegde straf en maatregel niet z.m. volgt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens bepaalde persoon of bepaalde personen. HR doet zaak zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. CAG: anders t.a.v. oplegging vrijheidsbeperkende maatregel.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00301
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 januari 2023, nummer 20-000886-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenote [slachtoffer] , veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor drie jaren, die inhoudt dat de verdachte in die periode op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1996, met een bevel als bedoeld in artikel 38v lid 4 Sr dat deze maatregel direct uitvoerbaar is.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 december 2022 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. De vordering houdt in dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:
(...)
- aan de verdachte zal opleggen de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een contactverbod met het [slachtoffer] voor de duur van 3 jaar, met daarbij het bevel dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is en dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;
(...).”
2.2.3
Het hof heeft de opgelegde straf en maatregel als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn echtgenote, door [slachtoffer] (met kracht) tegen het hoofd te slaan, te duwen, haar met kracht bij haar keel te pakken, die keel met kracht dicht te knijpen en haar keel dichtgeknepen heeft gehouden. Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zijn partner heeft mishandeld in haar woning, wat bij uitstek de plek zou moeten zijn waar zij veilig is en zich ook veilig moet kunnen voelen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2022, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk delict. Eveneens is uit het uittreksel Justitiële Documentatie gebleken dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof is namens en door de verdachte in dit verband naar voren gebracht dat hij naar België is verhuisd, een nieuwe partner en een eigen dakdekker bedrijf heeft, ongeveer € 1.500,00 per maand aan zijn schuld van € 20.000,00 aflost en door het schenden van zijn schorsingsvoorwaarden in een andere strafzaak op dit moment gedetineerd zit.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is, onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.
Daarnaast zal het hof aan de verdachte, als stok achter de deur zodat de verdachte zich niet nogmaals zal inlaten met het plegen van een dergelijk strafbaar feit, een proeftijd van 3 jaren opleggen.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Daarnaast zal het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 3 jaren, te weten een contactverbod met [slachtoffer] . Het hof zal daarbij bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, hechtenis voor de duur van 2 weken, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.”
2.3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte, althans op ontoelaatbare wijze, inbreuk heeft gemaakt op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) door een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen die het de verdachte feitelijk onmogelijk maakt om contact te houden met zijn jonge dochter.
2.3.2
Uit de stukken blijkt niet dat in hoger beroep het verweer is gevoerd dat de oplegging in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel van het op het slachtoffer betrekking hebbende contactverbod, zoals met dezelfde formulering gevorderd door de advocaat-generaal bij het hof, een ongerechtvaardigde inbreuk zou maken op het familieleven van de verdachte met zijn dochter zoals beschermd onder artikel 8 EVRM. Zo’n verweer, dat niet de maatregel zelf betreft maar de mogelijke gevolgen daarvan voor het contact met een ander, kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.3.3
Opmerking verdient dat sinds 1 januari 2023 artikel 6:6:23a1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de mogelijkheid biedt om de inhoud van de vrijheidsbeperkende maatregel te wijzigen. Op grond van artikel 6:6:1 lid 1 Sv kan de rechter hiertoe overgaan op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de veroordeelde, of ambtshalve.
2.4
Verder klaagt het cassatiemiddel onder meer dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 38v lid 4 Sr en heeft bevolen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
2.5.1
Artikel 38v leden 1 tot en met 4 Sr luidt:
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.”
2.5.2
Op grond van artikel 38v lid 4 Sr kan de rechter – in afwijking van de algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden – bevelen dat een door hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Deze directe tenuitvoerlegging kan consequenties hebben voor de veroordeelde. In dat geval moet de rechter mede gelet op de consequenties die de directe tenuitvoerlegging kan hebben voor de veroordeelde, in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel er blijk van geven dat aan de in artikel 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarden is voldaan. (Vgl. HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:901.)
2.6.1
De uitspraak van het hof voldoet niet aan deze motiveringsverplichting nu uit wat hiervoor onder 2.2.3 is weergegeven niet zonder meer volgt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
2.6.2
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend ten aanzien van het bevel dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.
Conclusie 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling poging zware mishandeling begaan tegen echtgenoot. In M1 wordt geklaagd over het onderbreken van een MK-zitting voor een latere sluiting i.v.m. aankomende feestdagen en het in een andere samenstelling sluiten van het ottz. De eerste deelklacht faalt en de tweede deelklacht hoeft bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. M2 klaagt o.m. over de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr) in het licht van art. 8 EVRM. M2 slaagt: het aan de verdachte opgelegde contactverbod met zijn ex-vrouw maakt het voor de verdachte feitelijk onmogelijk om contact met zijn minderjarige dochter te initiëren. Zodoende is de maatregel niet proportioneel en in strijd met het recht op familieleven als gewaarborgd in art. 8 EVRM. M3 bevat een slagende klacht over de redelijke termijn. De conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00301
Zitting 27 mei 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 25 januari 2023 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (20-000886-21) voor poging tot zware mishandeling van zijn echtgenoot veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr opgelegd, inhoudende een contactverbod, met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. Tot slot heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is op 27 januari 2023 ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
2. Het eerste middel
2.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest nietig is, “(n)u in deze zaak het hof niet binnen 14 dagen na de inhoudelijke behandeling van de zaak uitspraak heeft gedaan en gebruik heeft gemaakt van een niet bij wet voorziene en gewenste constructie”.
2.2
Uit de gedingstukken volgt dat de zaak in hoger beroep inhoudelijk is behandeld op de terechtzitting van 23 december 2022. Op die zitting heeft een meervoudige kamer van het hof het onderzoek onderbroken tot 11 januari 2023. Daarbij heeft het hof bepaald dat op de zitting van 11 januari 2023 het onderzoek zal worden gesloten en zal worden bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 25 januari 2023. De advocaat-generaal en de raadsman hebben te kennen gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat het onderzoek op de nadere terechtzitting in een andere samenstelling wordt voortgezet. De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om op beide nadere zittingen aanwezig te zijn.
2.3
Van de zittingen op 23 december 2022 en 11 januari 2023 is één proces-verbaal opgemaakt. Dat proces-verbaal houdt wat betreft de terechtzitting van 23 december 2022 in:
“Op 23 december zijn tegenwoordig:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. F. van Es en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,
(…)
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart daarbij als volgt. (…)
De voorzitter deelt mede dat, in verband met de aankomende feestdagen, het onderzoek thans zal worden onderbroken tot de terechtzitting van het hof van 11 januari 2023 te 09:00 uur, op welke zitting het onderzoek zal worden gesloten en zal worden bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 25 januari 2023 te 09:00 uur.
Desgevraagd geven de advocaat-generaal en de raadsman te kennen dat zij er geen bezwaar tegen hebben indien het hof op de nadere zitting het onderzoek zal voortzetten in een andere samenstelling dan heden.
De verdachte doet desgevraagd afstand van zijn recht om op beide genoemde zittingen van het hof aanwezig te zijn.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek tot 11 januari 2023 te 09:00 uur”.
2.4
Het proces-verbaal houdt wat betreft de terechtzitting van 11 januari 2023 in:
“Op 11 januari 2023 omstreeks 09:00 uur wordt het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking d.d. 23 december 2022.
Tegenwoordig:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. F.P.E. Wiemans en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,
(…)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 25 januari 2023 te 9:00 uur.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend, ieder voor zover het zijn eigen waarnemingen en bevindingen betreft”.
2.5
Het bestreden arrest van 25 januari 2023 is gewezen door de raadsheren mr. W.F. Koolen,mr. F. van Es en mr. E.E. van der Bijl.
2.6
Het eerste middel is gestoeld op twee deelklachten, te weten dat 1) niet binnen veertien dagen na de inhoudelijke behandeling van de zaak uitspraak is gedaan en 2) het arrest mede is gewezen naar aanleiding van een terechtzitting waarop slechts één van de drie raadsheren aanwezig is geweest. Hoewel in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de twee deelklachten ook in onderlinge samenhang moeten worden bezien, bespreek ik ze afzonderlijk omdat de juridische kaders verschillen.
Eerste deelklacht: uitspraak binnen veertien dagen
2.7
In de zaak die heeft geleid tot HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:858 (art. 81 RO), is door dezelfde stellers van het middel als in de onderhavige zaak een identieke deelklacht voorgesteld. In mijn aan dat arrest voorafgaande conclusie van 9 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:399, heb ik onder de randnummers 2.5 tot en met 2.12 uiteengezet waarom die deelklacht faalde. De in de onderhavige zaak voorgestelde eerste deelklacht faalt op exact dezelfde gronden. Ik volsta kortheidshalve met een verwijzing naar mijn conclusie van 9 april 2024, temeer nu in beide zaken in cassatie dezelfde advocaten zijn betrokken.1.
Tweede deelklacht: sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling
2.8
De tweede grond die door de stellers van het middel wordt aangevoerd voor de nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het bestreden arrest is het gegeven dat het onderzoek ter terechtzitting op 11 januari 2023 is gesloten door een anders samengestelde meervoudige kamer. De stellers van het middel slaan de plank mis waar zij in de toelichting op het middel schrijven “dat 2 [cursivering door mij, A-G] raadsheren die het arrest mede zouden hebben gewezen” niet hebben deelgenomen aan de zitting waarop het onderzoek is gesloten. Uit de hiervoor aangehaalde gedingstukken blijkt immers dat geen van de drie raadsheren die de zaak op 23 december 2022 inhoudelijk hebben behandeld en het bestreden arrest van 25 januari 2023 hebben gewezen, op 11 januari 2023 deel hebben uitgemaakt van de combinatie die de zitting heeft gesloten. Het hof was op die ‘sluitingszitting’ compleet anders samengesteld. Bij de bespreking van de tweede deelklacht ga ik ervan uit dat de stellers van het middel bedoelen te klagen dat het arrest is gewezen door raadsheren die geen van allen hebben deelgenomen aan het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2023.
2.9
Op grond van art. 415 Sv jo. art. 348 en 350 Sv moeten de rechters die het arrest wijzen, hebben deelgenomen aan het (gehele) onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan het arrest wordt gewezen.2.In de onderhavige zaak is het bestreden arrest gewezen door raadsheren die aanwezig waren op de zitting waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, maar niet op de zitting waarop het onderzoek is gesloten. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid het onderzoek ter terechtzitting – na onderbreking daarvan – in een gewijzigde samenstelling te hervatten en vervolgens te sluiten.3.De wet bevat alleen een regeling voor het geval het onderzoek na schorsing van het onderzoek wordt voortgezet (art. 322 Sv).4.
2.10
In zoverre is de deelklacht terecht voorgesteld. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden vanwege een gebrek aan belang.5.Op de zitting van 11 januari 2023 is immers enkel het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De inhoudelijke behandeling van de zaak, inclusief het laatste woord, heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 23 december 2022. Op die zitting maakten de drie raadsheren die het arrest van 25 januari 2023 hebben gewezen onderdeel uit van de zittingscombinatie. Daar komt bij i. dat de raadsman aan het eind van de inhoudelijke behandeling op 23 december 2022 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in een andere samenstelling en ii. dat de verdachte op die zitting afstand heeft gedaan van het recht om bij de sluiting van het onderzoek (en ook bij de uitspraak) aanwezig te zijn. Ik voeg daaraan toe dat in de cassatieschriftuur in het geheel niet wordt ingegaan op het belang dat de verdachte bij cassatie zou hebben. En dan houdt het wat mij betreft op.
2.11
Het eerste middel faalt (en dat wordt niet anders wanneer beide deelklachten in onderlinge samenhang worden bezien).
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel heeft betrekking op de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr. Blijkens de toelichting valt het middel uiteen in drie deelklachten. Allereerst wordt geklaagd dat “de maatregel in strijd is met art. 8 EVRM”. De tweede deelklacht houdt in dat de oplegging van de maatregel niet proportioneel en noodzakelijk is, omdat aan de verdachte ook een deels voorwaardelijke straf is opgelegd. Tot slot wordt geklaagd dat de beslissing van het hof om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel te bevelen niet gemotiveerd, en ook overigens, onbegrijpelijk is.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op of omstreeks 26 januari 2021 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn, verdachtes, echtgenote (geregistreerd partner) [aangeefster] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [aangeefster] (met kracht) tegen haar hoofd heeft geslagen en
- met kracht de keel/nek/hals van die [aangeefster] heeft vastgepakt en heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en
- die [aangeefster] met kracht met haar hoofd en/of rug tegen een dressoir heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3
Het dictum van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1996. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.”
3.4
Het hof heeft de oplegging van deze maatregel als volgt gemotiveerd:
“Daarnaast zal het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 3 jaren, te weten een contactverbod met [aangeefster] . Het hof zal daarbij bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, hechtenis voor de duur van 2 weken, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.”
3.5
Art. 38v luidt:
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of personen.
5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, of verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgegeven.
6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.”
Art. 8 EVRM luidt:
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
3.6
Bij de beoordeling van dit middel stel ik het volgende voorop. Een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr kan slechts worden opgelegd indien deze strekt tot beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten. De wet bevat geen bijzondere voorschriften voor de motivering van de oplegging van de maatregel. De wetgever heeft de maatregel niet willen beperken tot bepaalde in de wet omschreven gevallen, maar deze algemeen mogelijk willen maken, waarbij het aan de strafrechter wordt overgelaten te oordelen in welke concrete gevallen een maatregel passend wordt geacht.6.Inherent aan de oplegging van de maatregel is dat de verdachte in zijn rechten en vrijheden wordt beperkt. De rechter zal zich daarom rekenschap moeten geven van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de maatregel.7.
Eerste deelklacht
3.7
Ik begrijp de eerste deelklacht zo dat daarin wordt geklaagd dat het hof, met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod met [aangeefster] (hierna: de aangeefster), ten onrechte of op een ontoelaatbare wijze een inbreuk heeft gemaakt op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op familieleven van de verdachte. In de toelichting op het middel wordt in dit verband aangevoerd dat het bij die maatregel opgelegde contactverbod erop neerkomt “dat het voor de verdachte feitelijk onmogelijk is om contact te houden met zijn zeer jonge dochter, nu hij daarvan afhankelijk is van de medewerking van de benadeelde partij [A-G: tevens aangeefster]”. Omdat het verbod eveneens ziet op indirect contact, zou volgens de stellers van het middel ook contact met bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming of een mediator in verband met een mogelijke omgangsregeling tot gevolg hebben dat het verbod wordt geschonden.
3.8
Het aan de verdachte opgelegde contactverbod heeft – blijkens de formulering – uitsluitend betrekking op de aangeefster. In zoverre verschilt de onderhavige zaak van HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1806, NJ 2019/469. In die zaak was de verdachte veroordeeld voor bedreiging van zijn ex-vrouw en was aan hem een contactverbod opgelegd dat zowel betrekking had op zijn ex-vrouw als op zijn minderjarige kinderen. De Hoge Raad oordeelde dat van een ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM geen sprake was: contact met de kinderen was gedurende de periode dat de maatregel van kracht was nog wel mogelijk vanwege de uitzondering die was gemaakt voor contact in het kader van een omgangsregeling en voor zover de gezinsvoogd daarbij was betrokken.
3.9
De kernvraag die in de onderhavige zaak voorligt is of met het opgelegde contactverbod ten onrechte of op een ontoelaatbare wijze inbreuk wordt gemaakt op het in art. 8 EVRM gewaarborgde recht op familieleven, doordat het als gevolg van dat verbod voor de verdachte feitelijk onmogelijk is om contact met zijn minderjarige dochter te initiëren. Om die vraag te kunnen beantwoorden dient het bekende toetsingsschema dat door het EHRM wordt gebruikt bij de beoordeling van een op art. 8 EVRM gebaseerde klacht te worden doorlopen.8.Dat schema bestaat uit de volgende stappen:
(i) in de eerste plaats moet worden vastgesteld of sprake is van een recht dat binnen de reikwijdte van art. 8 lid 1 EVRM valt;
(ii) als dat het geval is, dan moet worden bekeken of sprake is van een inbreuk op dat recht;
(iii) als van een inbreuk op dat recht sprake is, is de volgende stap of de inbreuk gerechtvaardigd is op grond van de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde gronden, namelijk:
– of de inbreuk een wettelijke grondslag heeft?
– of de inbreuk een legitiem doel dient?
– of de inbreuk noodzakelijk is in het kader van een democratische samenleving (ook wel geformuleerd als pressing social need) waarbij wordt getoetst aan de specifiek in art. 8 lid 2 EVRM genoemde belangen, het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.
3.10
Allereerst dient te worden vastgesteld of tussen de verdachte en zijn minderjarige dochter sprake is van family life als bedoeld in art. 8 EVRM. In dat verband is van belang dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en de aangeefster op 22 oktober 2019 een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, dat een paar dagen later hun dochter [betrokkene 1] is geboren en dat zij ook nadien nog enige tijd hebben samengewoond.9.Zodoende kan, zoals door de steller van het middel ook wordt betoogd, worden aangenomen dat sprake is van vorenbedoeld recht van art. 8 EVRM.10.
3.11
De vraag die vervolgens voorligt is of de maatregel ook een inbreuk maakt op dit tussen de verdachte en zijn dochter bestaande recht op familieleven. Uit rechtspraak van het EHRM is af te leiden dat het recht op familieleven ook het recht van ouders om contact te hebben met hun kinderen omvat.11.Het valt op dat het hof bij de oplegging van de maatregel op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de mogelijkheid tot contact tussen de verdachte en zijn dochter. Anders dan in de zaak die aan HR 19 november 2019 ten grondslag lag, heeft het hof bij de oplegging van de maatregel immers geen uitzondering gemaakt voor contact – met de aangeefster dan wel anderszins – in het kader van (afspraken over) een omgangsregeling. Dit resulteert erin dat het contactverbod, ook al heeft dat verbod blijkens de formulering daarvan enkel betrekking op de aangeefster, het de verdachte feitelijk onmogelijk maakt om (zonder schending van dat verbod) – via direct contact met de aangeefster dan wel via contact met bijvoorbeeld een instantie als de Raad voor de Kinderbescherming – contact met zijn minderjarige dochter te initiëren. De door het hof opgelegde maatregel maakt daarmee een inbreuk op het familieleven tussen de verdachte en zijn dochter.
3.12
Een en ander brengt met zich mee dat ook de derde stap van het toetsingsschema doorlopen dient te worden om te beoordelen of de hiervoor beschreven inbreuk is toegestaan. De eerste twee vragen onder (iii) kunnen bevestigend worden beantwoord. De wettelijke bepaling van art. 38v Sr biedt de grondslag voor de inbreuk en er bestaat, zoals volgt uit de onder 3.6 aangehaalde wetsgeschiedenis, bij oplegging daarvan veel vrijheid voor de strafrechter. De vrijheidsbeperkende maatregel dient ook een legitiem doel. Daarmee wordt de strafrechter de mogelijkheid geboden effectieve en op de situatie toegesneden maatregelen te treffen in reactie op een strafbaar feit. Ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten en belastend gedrag tegen bepaalde personen kan (onder meer) een contactverbod worden opgelegd.12.
3.13
Resteert tot slot de vraag of de opgelegde maatregel noodzakelijk is in het kader van een democratische samenleving. Daarbij dient ook te worden getoetst aan de proportionaliteit en de subsidiariteit.
3.14
Wat betreft de subsidiariteit van de maatregel geldt het volgende. De verdachte is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling. Dit feit is gepleegd tegen zijn toenmalige partner. Het opgelegde contactverbod heeft op haar betrekking, zodat aangenomen kan worden dat die maatregel in voldoende verband staat met het bewezenverklaarde feit. Aan de eis van subsidiariteit is dan ook voldaan.
3.15
De oplegging van de maatregel moet daarnaast ook proportioneel zijn. Die proportionaliteit ziet in de eerste plaats op de verhouding tussen de reikwijdte van de verplichting – met andere woorden: de mate en duur waarin de verdachte in zijn rechten wordt beperkt – en het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.13.
3.16
Zoals uit het voorgaande reeds volgt, is in de onderhavige zaak een contactverbod met de aangeefster opgelegd, met als doel nieuwe strafbare feiten te voorkomen. Mede gelet op de context waarin het strafbare feit heeft plaatsgevonden, te weten in de relationele sfeer, acht ik het verbod, voor zover dat enkel betrekking heeft op contact met de aangeefster, evenredig. Het door het hof opgelegde contactverbod heeft, zoals eerder opgemerkt, echter niet alleen tot gevolg dat de verdachte geen contact kan onderhouden met de aangeefster, maar dat verbod resulteert er ook in dat het voor de verdachte feitelijk onmogelijk is om contact te initiëren met zijn minderjarige dochter. Het hof heeft bij de oplegging van de maatregel immers geen rekening gehouden met de mogelijkheid tot contact tussen de verdachte en zijn dochter, daarvan blijkt althans niet uit de formulering van het verbod en evenmin uit een daarvoor gegeven motivering. Nu op dit punt geen uitzondering op het contactverbod is gemaakt, acht ik de opgelegde maatregel – wat betreft de mate waarin de verdachte in zijn rechten worden beperkt – niet proportioneel. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat, hoewel uit de gedingstukken is af te leiden dat de dochter van de verdachte aanwezig was in de woning waar en op het moment dat het strafbare feit werd gepleegd, het bewezenverklaarde geen betrekking heeft op handelingen ten aanzien van haar.
3.17
Ik concludeer dat de eerste deelklacht slaagt omdat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel het voor de verdachte feitelijk onmogelijk maakt om contact te initiëren met zijn minderjarige dochter, hetgeen in strijd is met het recht op familieleven als gewaarborgd in art. 8 EVRM.
Tweede deelklacht
3.18
De tweede deelklacht behelst de klacht dat de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel niet proportioneel en noodzakelijk is, omdat aan de verdachte “reeds een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd met een proeftijd van drie jaren, zodat “de verdachte zich niet nogmaals zal inlaten met het plegen van een dergelijk feit” en niet duidelijk is waarom aan de verdachte daarnaast nog een maatregel moet worden opgelegd ter voorkoming van strafbare feiten”. Door de steller wordt hierbij ook gewezen op hetgeen uit het verhandelde ter terechtzitting en het arrest volgt over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk “dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en een nieuwe relatie heeft en in België woont”.
3.19
Zoals uit voorgaande blijkt, ben ik van oordeel dat de opgelegde maatregel, op de grond zoals onder de eerste deelklacht vervat, niet proportioneel is. Gelet hierop behoeft de tweede deelklacht, die in feite ook betrekking heeft op de proportionaliteit van de opgelegde maatregel, geen bespreking meer. Wel merk ik op dat de combinatie van de maatregel met een voorwaardelijke straf met een bijzondere voorwaarde van dezelfde inhoud als de maatregel, wettelijk is toegestaan (art. 38v lid 5 Sr).
De derde deelklacht
3.20
De derde deelklacht behelst de klacht dat het hof zijn beslissing tot het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel niet heeft gemotiveerd, althans dat die beslissing van het hof onbegrijpelijk is.
3.21
Op grond van art. 38v lid 4 Sr kan de rechter – in afwijking van de algemene regel dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden – bevelen dat een door hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Een dergelijk bevel kan alleen worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of personen. Bij de keuze om de maatregel al dan niet onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren zal de rechter het belang van de onmiddellijke bescherming van de omgeving of het slachtoffer en de ernst van het strafbare feit dat de verdachte zou kunnen begaan, dan wel het belastend gedrag dat hij jegens personen zou kunnen laten zien, afwegen tegen het belang van de veroordeelde om zich in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrijelijk in een bepaalde straat of wijk te begeven of contact te hebben met bepaalde personen14.. Deze belangenafweging brengt mee dat de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel blijk moet geven dat aan de in art. 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarde is voldaan.15.
3.22
Het hof heeft, zo blijkt uit het dictum van het bestreden arrest, bevolen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De oplegging van de maatregel zelf is gemotiveerd op de wijze als hiervoor weergegeven onder randnummer 3.4. Wat betreft de dadelijke uitvoerbaarheid ontbreekt echter iedere motivering. Niet alleen volgt uit het bestreden arrest niet welke grond voor dadelijke uitvoerbaarheid het hof toepasselijk heeft geacht, ook kan ik de door het hof in dat verband (kennelijk) van belang geachte omstandigheden niet uit de overwegingen in het arrest destilleren. Het wekt weliswaar, gelet op onder meer de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring, waaruit blijkt dat de aangeefster ten tijde van die zitting in een blijf van mijn lijf huis verbleef omdat het geweld en de dreigingen niet gestopt waren en de verdachte brand had gesticht in het huis van de ouders van de aangeefster, geen verbazing dat het hof de dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen, maar dat een en ander ten grondslag heeft gelegen aan die beslissing, blijkt niet uit het bestreden arrest. Ik acht de beslissing tot dadelijke uitvoerbaarheid, nu het hof zijn beslissing daartoe in het geheel niet heeft gemotiveerd en daarmee op geen enkele wijze blijk heeft gegeven dat aan de in art. 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarden is voldaan, dan ook niet zonder meer begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Dat het hof in het kader van de oplegging van de maatregel heeft overwogen dat de maatregel wordt opgelegd ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, en daarbij onder meer heeft betrokken dat de verdachte zijn schorsingsvoorwaarden [ik begrijp: een contactverbod met aangeefster] in een andere strafzaak had overtreden, maakt dit niet anders. De derde deelklacht is eveneens terecht voorgesteld.
3.23
Het middel slaagt.
4. Het derde middel
4.1
In het derde middel wordt geklaagd dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 27 januari 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 13 december 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van 8 maanden (met twee maanden en 16 dagen) is overschreden. In het middel wordt daarover terecht geklaagd. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort inmiddels niet meer tot de mogelijkheden.
4.3
Indien de Hoge Raad het bestreden arrest casseert op de grond die als het tweede middel is voorgesteld, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen of verwezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen en kan de Hoge Raad het derde middel onbesproken laten.
5. Slotsom
5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het tweede en derde middel slagen.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat – ook in dit opzicht -in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
5.3
Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑05‑2025
HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1970, NJ 2000/701, rov. 4.2.
Het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat in art. 4.2.60 Sv wel de mogelijkheid om de sluiting, na onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting, door één van de leden van de meervoudige kamer te laten plaatsvinden.
Zie ook A-G Keulen in diens conclusie vóór HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:345, randnr. 42.
Vgl. de conclusie van A-G Keulen vóór HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:345, randnr. 44 m.b.t. het tweede middel (art. 81 RO), mijn conclusie vóór HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:858 (art. 81 RO), randnr. 2.18 en HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1970, NJ 2000/701, rov 4.4.
Kamerstukken II 2010/2011, 32 551, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 6 en 7.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 6, o.m. p. 7 (nota naar aanleiding van het verslag).
Een blik over de papieren muur leert dat de onder bewijsmiddel 1 gebezigde aangifte ook inhoudt dat de aangeefster, de verdachte en hun dochter enige tijd hebben samengewoond.
Van Dijk e.a., Theory and Practice of the European Convention of Human Rights, vijfde druk, Intersentia 2019, p. 703 onder verwijzing naar EHRM 21 juni 1988, Berrehab v. the Netherlands (application nr. 10730/84). Vgl. ook EHRM 21 juli 2022, Katsikeros v. Greece (application nr. 2303/19).
Idem, p. 706 onder verwijzing naar EHRM 15 september 2011, Schneider. v. Germany (application nr. 17080/07).
M.E. van Wees, Vrijheidsontnemende en vrijheidsbeperkende maatregelen (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 21), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 6.1, p. 195.
HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:901, rov. 2.3.
Beroepschrift 19‑02‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/00301
Betekening aanzegging: 4 januari 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [land],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20240036
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 25 januari 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voorts is hem de vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr (contactverbod) opgelegd, ook voor de duur van drie jaren en is bevolen dat deze dadelijk uitvoerbaar is. Tevens heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, als nader in het arrest omschreven.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 1, 345, 350, en 415 Sv, alsmede beginselen van een behoorlijke procesorde, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof onder meer gesteld dat het arrest gewezen is naar aanleiding van (onder meer) het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 december 2022 en 11 januari 2023 blijkt dat de voorzitter op de zitting van 23 december 2022 heeft aangegeven dat het onderzoek in verband met de aanstaande feestdagen zal worden onderbroken tot 11 januari 2023 en dat het onderzoek op dat moment zal worden gesloten en dat de uitspraak zal volgen op 25 januari 2023.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 januari 203 blijkt dat de samenstelling van het hof is gewijzigd en hervat is in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking d.d. 23 december 2022. Vervolgens is het onderzoek gesloten en heeft het hof op 25 januari 2023 uitspraak gedaan.
Nu in deze zaak het hof niet binnen 14 dagen na de inhoudelijke behandeling van de zaak uitspraak heeft gedaan en gebruik heeft gemaakt van een niet bij wet voorziene en gewenste constructie en/of het arrest mede is gewezen naar aanleiding van een terechtzitting is sprake van een dermate verzuim van vormen dat dit nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het mede naar aanleiding daarvan gewezen arrest meebrengt.
Toelichting:
1.1
In het arrest d.d. 25 januari 2023 is onder meer vermeld:
‘Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 december 2022 en 11 januari 2023 is onder meer gerelateerd:
‘Op 23 december 2022 zijn tegenwoordig:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. F. van Es en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,
mr. R. van Dartel, advocaat-generaal,
mr. N. Koop, griffier.
De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
(…)
De raadsman verklaart bij dupliek dat hij persisteert bij de inhoud van zijn pleidooi.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart daarbij als volgt.
(…)
De voorzitter deelt mede dat, in verband met de aankomende feestdagen, het onderzoek thans zal worden onderbroken tot de terechtzitting van het hof van 11 januari 2023 te 09:00 uur, op welke zitting het onderzoek zal worden gesloten en zal worden bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op 25 januari 2023 te 09:00 uur.
Desgevraagd geven de advocaat-generaal en de raadsman te kennen dat zij er geen bezwaar tegen hebben indien het hof op de nadere zitting het onderzoek zal voortzetten in een andere samenstelling dan heden.
De verdachte doet desgevraagd afstand van zijn recht om op beide genoemde zittingen van het hof aanwezig te zijn.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek tot 11 januari 2023 te 09:00 uur.
Op 11 januari 2023 omstreeks 09:00 uur wordt het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de onderbreking d.d. 23 december 2022.
Tegenwoordig:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. F.P.E. Wiemans en mr. G.J. Schiffers, raadsheren,
mr. W.P.A. Korver, advocaat-generaal,
mr. H. Hafti, griffier.
De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De voorzitter stelt vast dat de verdachte noch zijn raadsman ter terechtzitting aanwezig zijn.
Namens de benadeelde partij is evenmin iemand verschenen.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 25 januari 2023 te 9:00 uur.’
1.2
Art. 345 Sv, dat ook op de terechtzitting in hoger beroep van toepassing is, luidt:
- ‘1.
Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door den voorzitter mondeling medegedeeld, wanneer zij, volgens de bepaling der rechtbank zal plaats vinden.
- 2.
Te bepaalden tijde kan de uitspraak mondeling tot een naderen dag worden uitgesteld. De uitspraak kan niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in tegenwoordigheid van den verdachte.
- 3.
In geen geval mag de uitspraak later plaats vinden dan op den veertienden dag na de sluiting van het onderzoek. Daarbij kan volstaan worden met het uitspreken van een verkort vonnis.
- 4.
Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande telastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.’
1.3
Voor bepaalde, omvangrijke zaken is volgens P-G Bleichrodt de uitspraaktermijn (te) kort gebleken.1. De praktijk heeft daaraan volgens hem in zoverre een mouw gepast, dat na afloop van het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek op een nadere terechtzitting gesloten wordt verklaard. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat noch art. 345 Sv noch enige andere rechtsregel zich daartegen verzet. Daardoor wordt de rechtspraak in zeer bewerkelijke zaken enige ruimte geboden, zonder dat de regeling van art. 345, derde en vierde lid, Sv als zodanig aan belang heeft ingeboet. De korte termijn waarop na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak wordt gedaan, is volgens Bleichrodt een verworvenheid van ons strafprocesrecht die het verdient gekoesterd te worden. Hij verwijst daarbij onder meer naar de opvatting van de wetgever, zoals tot uitdrukking is gekomen in het concept ‘voorstel van wet tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering inhoudende bepalingen over de berechting in verband met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering’. Art. 4.2.4.11.4 van dat concept bepaalt:
- ‘1.
De rechtbank doet uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek uitspraak.
- 2.
Om klemmende redenen die verband houden met de complexiteit van de zaak kan de rechtbank beslissen uiterlijk zes weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak te doen. Deze beslissing is met redenen omkleed.
(…)
- 5.
Indien de uitspraak niet binnen de ingevolge het eerste of tweede lid geldende termijn is gedaan, heropent de rechtbank het onderzoek en behandelt zij de zaak op de bestaande tenlastelegging opnieuw.’2.
1.4
Hieruit volgt volgens Bleichrodt dat het voorstel wel voorziet in de mogelijkheid wegens klemmende redenen die verband houden met de complexiteit van de zaak uiterlijk zes weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak te doen, maar dat verder uitstel niet mogelijk is zonder dat de zaak wordt heropend en op de bestaande tenlastelegging opnieuw wordt onderzocht.
1.5
In de onderhavige zaak is de uitspraak aangehouden voor een periode van meer dan 14 dagen na de inhoudelijke behandeling in feite aangehouden vanwege ‘de aanstaande feestdagen’ hetgeen toch bepaald iets anders is dan ‘de complexiteit van de zaak’.
1.6
Het arrest is voorts gewezen (mede) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep terwijl uit het proces-verbaal van de zitting d.d. 11 januari 2023 volgt dat 2 raadsheren die het arrest mede zouden hebben gewezen niet hebben deelgenomen aan het op die zitting gedane onderzoek.
1.7
De wetgever is vermoedelijk van oordeel geweest dat zonder uitdrukkelijke vermelding in de wet vanzelf sprak, dat uitsluitend zou worden beraadslaagd door de drie rechters van de rechtbank die de zaak ter terechtzitting — in haar geheel — hebben onderzocht in wier onderzoek volgens de artt. 348 en 350 de grondslag moet uitmaken van de beraadslaging die de beslissing moet dragen. Dat wordt bevestigd door het bepaalde in art. 26 R I, op grond waarvan in zaken van grote omvang — waarbij de kans op het uitvallen van één of meer rechters gedurende het verwachte langdurige onderzoek groter zou kunnen zijn dan gewoonlijk — één of meer bijzitters kunnen worden benoemd die tot het wijzen van het vonnis niet anders meewerken dan ter vervanging van de uitgevallenen. De Hoge Raad besliste reeds bij arrest van 6 januari 1919 (W 10380), dat het vonnis op straffe van nietigheid moet worden gewezen door de rechters die aan het gehele onderzoek hebben deelgenomen. In geval van schorsing en hervatting van het onderzoek zal bij mutaties onder de betrokken rechters dan ook gebruik moeten worden gemaakt van de bevoegdheid uit het eerste lid van art. 322.3. Met het vizier op art. 350 Sv heeft de Hoge Raad4. volgens A-G Hofstee geoordeeld dat aan dit voorschrift uitsluitend kan worden voldaan indien de rechters die het vonnis wijzen, hebben deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan het vonnis wordt gewezen. Hofstee gaat ervan uit dat dit ten aanzien van het bepaalde in art. 348 Sv niet anders zal zijn. Het is volgens hem opmerkelijk dat nergens in de wet expliciet is voorgeschreven dat het met betrekking daartoe telkens moet gaan om dezelfde rechters. Kennelijk werd dit als zo vanzelfsprekend door de wetgever beschouwd, dat hij het niet nodig heeft gevonden, of er niet aan heeft gedacht, in een wetsbepaling vast te leggen dat in geval van een meervoudige (straf)kamer bij de beraadslaging en de einduitspraak enkel de drie rechters betrokken zijn, die de zaak ter terechtzitting hebben onderzocht.5.
1.8
De wetgever heeft eerder in verband met de Covid-uitbraak een speciale regeling in het leven geroepen op grond waarvan een zitting door middel van tweezijdig elektronisch communicatiemiddel met beeld en geluid kon plaatsvinden. De Hoge Raad heeft nadien wel geoordeeld dat hoewel de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid niet expliciet voorziet in de mogelijkheid dat een strafzaak inhoudelijk wordt behandeld door meervoudige kamer op fysieke zitting, terwijl 1 van rechters aan onderzoek ter terechtzitting deelneemt door middel van tweezijdig elektronisch communicatiemiddel een dergelijke werkwijze niet zonder meer onverenigbaar is met het Wetboek van Strafvordering en de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid. Daarnaast verzetten het belang van openbaarheid en andere belangen (uitgangspunt dat strafzaak wordt behandeld tijdens fysieke zitting en aanwezigheid procesdeelnemers in zittingszaal) zich in beginsel niet tegen deelname van 1 van rechters aan onderzoek ter terechtzitting door middel van tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. Wel moet deze deelname volgens de Hoge Raad beperkt blijven tot één van de rechters terwijl de reden voor fysieke afwezigheid van deze rechter rechtstreeks samen dient te hangen met uitbraak van epidemie van COVID-19 en dienen de andere 2 rechters in de zittingszaal aanwezig te zijn.6. Uit een nadien gewezen arrest kan overigens volgen dat ingeval op een zitting waarin slechts het onderzoek wordt gesloten en (een) andere rechter(s) via audioverbinding maar niet fysiek aanwezig zijn dit anders is.7.
1.9
Nu in deze zaak het hof niet binnen 14 dagen na de inhoudelijke behandeling van de zaak uitspraak heeft gedaan en gebruik heeft gemaakt van een niet bij wet voorziene en gewenste constructie en/of het arrest mede is gewezen naar aanleiding van een terechtzitting waar slechts één raadsheer aanwezig is geweest is (telkens, althans in onderlinge samenhang beschouwd) sprake van een dermate verzuim van vormen dat dit (telkens, althans tezamen) nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het mede naar aanleiding daarvan gewezen arrest meebrengt.
1.10
Gelet op het bovenstaande kan het arrest niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder artt. 8 EVRM alsmede 38v Sr, artt. 359 en 415 Sv en wel omdat het hof verdachte een maatregel tot beperking van de vrijheid heeft opgelegd inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] heeft opgelegd en daarbij heeft bevolen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is terwijl sprake is geweest van ‘family-life’ ten aanzien van de zeer jonge dochter van de verdachte en [slachtoffer], zodat de maatregel in strijd is met art. 8 EVRM en niet proportioneel en noodzakelijk is. Voorts is de dadelijke uitvoerbaarheid niet nader gemotiveerd en overigens ook onbegrijpelijk in het licht van het verhandelde ter terechtzitting zodat de strafoplegging ook om deze reden niet in stand kan blijven.
Toelichting
2.1
Aan verdachte is (voor zover in dit kader relevant) tenlastegelegd dat hij (verkort zakelijk weergegeven) zich op 26 januari 2021 schuldig heeft gemaakt aan een jegens zijn echtgenote/geregistreerd partner gepleegde poging tot zware mishandeling.
2.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 december 2022 en 11 januari 2023 is onder meer gerelateerd:
‘In reactie op de vraag hoe dit bij mij overkomt, wil ik zeggen dat ik spijt heb van de dingen die ik heb gedaan en dat ik daarvoor straf moet krijgen.
(…)
Zij blijft de moeder van mijn kind en ik heb een bepaalde zwakte voor haar.
De relatie met mevrouw [slachtoffer] is nu echt klaar. Ik heb een nieuwe vriendin. Ik kan mij eenvoudig aan het contactverbod houden en misschien krijgen wij een nieuwe mediator.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt.
(…)
Hij is daar ter plaatse gekomen in de gemeenschappelijke woning waar al zijn gereedschap lag. Hij gaf daar zijn kind altijd de fles en zo ook op die dag.
(…)
Mr. Geraads verklaart namens de benadeelde partij als volgt.
(…)
In het kader van de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, merk ik op dat de verdachte is gemaild en dat hij daarop heeft gereageerd. Cliënte heeft deze mail moeten sturen ter informatie aan de Raad voor de Kinderbescherming in verband met baby [minderjarige].’
2.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘hij, op of omstreeks 26 januari 2021 te [a-plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn, verdachtes, echtgenote (geregistreerd partner) [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- —
die [slachtoffer] (met kracht) tegen haar hoofd heeft geslagen en
- —
met kracht de keel/nek/hals van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en
- —
die [slachtoffer] met kracht met haar hoofd en/of rug tegen een dressoir heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’
2.4
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
- ‘1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 januari 2021, met daarbij als bijlage onder meer foto's van aangeefsters letsel (dossierpogina's 3 tot en met 10), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1996:
(dossierpagina 3)
Ik heb een relatie gehad met [verdachte], geboren [geboortedatum] 1997 (het hof begrijpt: de verdachte). Sinds 22 oktober 2019 hebben wij een geregistreerd partnerschap, een paar dagen later is onze dochter [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2019.
Op woensdag 20 januari 2020 (het hof begrijpt — gelet op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2021, dossierpagina 12: 20 januari 2021) was ik erachter gekomen dat [verdachte] een affaire had. Toen [verdachte] die dag thuiskwam van zijn werk, confronteerde ik hem ermee. In goed overleg pakte [verdachte] zijn spullen en ging naar zijn ouders.
(dossierpagina 4)
Vandaag, dinsdag 26 januari 2021, omstreeks 6.45 uur, lag ik in bed te slapen, [minderjarige] lag in haar bedje naast mij op de kamer. Ik schrok wakker van een harde klap, ik zag dat [verdachte] in de deuropening van mijn slaapkamer stond. Ik zag dat hij heel boos was, dat hij een heel rood gezicht had en dat hij zweet op zijn voorhoofd had. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen dat hij niet zonder mij kon. Ik stond op en liep langs [verdachte] naar de woonkamer, ik wilde niet dat [minderjarige] dit meekreeg.
(…)
- 4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 januari 2021 (dossierpagina 14 tot en met 17), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:
(dossierpagina 14)
Ik ben de vader van [slachtoffer] (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer]). Vanochtend, dinsdag 26 januari 2021, omstreeks 08.00 uur, kwam mijn dochter [slachtoffer] bij ons thuis aan. Zij was te voet en had in de kinderwagen haar 1-jarige dochtertje [minderjarige] bij zich.
(…)’
2.5
In het arrest heeft het hof verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts heeft het hof verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1996. Voorts heeft het hof bevolen dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
2.6
Het hof heeft met betrekking tot het opleggen van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf deze maatregel onder meer (slechts) het volgende overwogen/beslist:
‘Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. [geboortedatum] 2022, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk delict.
(…)
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof is namens én door de verdachte in dit verband naar voren gebracht dat hij naar België is verhuisd, een nieuwe partner en een eigen dakdekker bedrijf heeft, ongeveer € 1.500,00 per maand aan zijn schuld van € 20.000,00 aflost en door het schenden van zijn schorsingsvoorwaarden in een andere strafzaak op dit moment gedetineerd zit.
(…)
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Daarnaast zal het hof aan de verdachte, als stok achter de deur zodat de verdachte zich niet nogmaals zal inlaten met het plegen van een dergelijk strafbaar feit, een proeftijd van 3 jaren opleggen.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Daarnaast zal het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 3 jaren, te weten een contactverbod met [slachtoffer].’
En in het dictum:
‘Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal op nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1996.
(…)
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.’
2.7
Art. 8 EVRM luidt:
- ‘1.
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
- 2.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’
2.8
Art. 38v Sr luidt:
‘Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
- 1o.
waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
- 2o.
waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
- 2.
De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
- a.
zich niet op te houden in een bepaald gebied,
- b.
zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
- c.
op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
- d.
zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.
- 3.
De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
- 4.
De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
- 5.
Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.
- 6.
De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.’
2.9
De strafoplegging zal in overeenstemming moeten zijn met internationale Verdragsbepalingen. Zo is bijvoorbeeld de voorwaarde dat een verdachte ‘zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het reizen vanuit enig deel van het Koninkrijk (in het bijzonder ook vanuit Curaçao), een en ander behoudens bijzondere gevallen door het Openbare Ministerie voor een bepaaldelijk omschreven periode schriftelijk te verlenen ontheffing, dat de verdachte zich er niet tegen zal verzetten dat zijn paspoort onder beheer wordt gesteld van de officier van justitie en gedurende de proeftijd zal nalaten een nieuw paspoort aan te vragen, te verwerven of voorhanden te hebben’ in strijd met artt. 12 IVBPR en 2 van het 4e Protocol bij het EVRM ontoelaatbaar.8.
2.10
Een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr kan slechts worden opgelegd indien dit strekt tot de beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het — opnieuw — begaan van strafbare feiten. De wet kent geen bijzondere voorschriften voor de motivering van de oplegging van de maatregel. Inherent aan de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel is dat de verdachte in zijn rechten en vrijheden wordt beperkt. De rechter zal zich daarom rekenschap moeten geven van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de maatregel.9.
2.11
Blijkens art. 38v Sr kan dadelijke uitvoerbaarverklaring van een vrijheidsbenemende maatregel worden bevolen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaald persoon of bepaalde personen.10. Volgens de wetsgeschiedenis van art. 38 lid 4 Sv moet de rechter het belang van de onmiddellijke bescherming van de omgeving of het slachtoffer en de ernst van het strafbare feit dat de veroordeelde kan begaan, dan wel het belastend gedrag dat hij jegens personen kan laten zien, afwegen tegen het belang van de veroordeelde om zich in de periode tot aan de onherroepelijkheid van het vonnis vrijelijk in een bepaalde straat of wijk te begeven of contact te hebben met bepaalde personen.11. De uitkomst van deze belangenafweging moet proportioneel zijn.12.
2.12
Uit het verhandelde ter terechtzitting en bewijsmiddel 1 blijkt dat verdachte en de benadeelde partij geregistreerd partners zijn geworden op 22 oktober 2019. De dochter is ongeveer twee weken erna geboren. De verdachte en de benadeelde partij reppen van ‘onze dochter’. De verdachte heeft, nu zij geregistreerd partner zijn, ouderlijk gezag. Het contactverbod komt er op neer dat het voor de verdachte feitelijk onmogelijk is om contact te houden met zijn zeer jonge dochter, nu hij daarvan afhankelijk is van de medewerking van de benadeelde partij, hetgeen in strijd is met art. 8 EVRM. Hierbij is van belang dat in het contactverbod verdachte verboden wordt direct of indirect contact op te nemen met aangeefster en het communiceren met bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming of mediator in verband met een mogelijke omgangsregeling reeds ten gevolge heeft dat de maatregel wordt geschonden.13. Gelet hierop kan de strafoplegging niet in stand blijven.
2.13
Voorts is van belang dat aan de verdachte reeds een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd met een proeftijd van drie jaren, zodat ‘de verdachte zich niet nogmaals zal inlaten met het plegen van een dergelijk strafbaar feit’ en niet duidelijk is waarom aan de verdachte daarnaast nog een maatregel moet worden opgelegd ‘ter voorkoming van strafbare feiten’ (art. 38v lid 1 Sr) en waarom deze maatregel moet worden opgelegd. Dit klemt te meer nu uit het verhandelde ter terechtzitting en het arrest volgt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en een nieuwe relatie heeft en in België woont. De maatregel is daarom niet proportioneel en noodzakelijk. Het arrest kan op dit punt niet in stand blijven.
2.14
Tenslotte is de dadelijke uitvoerbaarheid niet gemotiveerd en overigens ook onbegrijpelijk in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaruit (onder meer) volgt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, een nieuwe relatie heeft en in België woont zodat de strafoplegging ook om deze reden niet in stand kan blijven.
Middel III
Het hof heeft de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. Gelet hierop is de redelijke termijn van de berechting geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Toelichting:
3.1
Op 27 januari 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, nu de Hoge Raad de stukken pas op 13 december 2023 heeft ontvangen. Gelet hierop is de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.14.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 19 februari 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑02‑2024
Conclusie 24 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:934.
Deze bepaling zou op grond van art. 5.4.4.1 van het concept ‘voorstel van wet tot vaststelling van Boek 5 inhoudende bepalingen over rechtsmiddelen in verband met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering’ ook in hoger beroep van toepassing zijn.
Aldus A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, Artikel 345–346, aant. 5.
HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1970, NJ 2000/701
CAG 30 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1129.
HR 15 december 2020, NJ 2021/108, m.nt. R.J.B. Schutgens, ECLI:NL:HR:2020:2013.
HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:769.
HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7918, NJ 2008/33, m.nt. JM Reijntjes (zie voor het vervolg HRb25 november 2008, NJ 2009/320, m.nt. N. Keijzer).
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 6, o.m. p. 7 (nota naar aanleiding van het verslag). Vgl. ook H.J.B. Sackers, ‘De nieuwe maatregel van het rechterlijk gebieds- of contactverbod’, Sancties 2012/18.
CAG Aben van 5 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:326, onder randnr. 23.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 11–13 en 23–24. Zie ook CAG Hofstee die voorafging aan HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1028.
Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 11–13 en 23–24. Vgl. ook HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:445, NJ 2020/218, m.nt. J.H J. Verbaan, rov. 4.3.2 en HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1028, rov. 2.3.2.
Hierin verschilt deze zaak van de casus die in HR 19 november 2019, ECLI:NL;HR:2019:1806, NJ 2019/469 het geval is geweest en waarbij sprake was van een gezinsvoogd die betrokken bij de gezinssituatie zodat het contact via deze kan verlopen.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.